Bernardus Brunius c.s.: Othello.
Naar het Engels van William Shakespeare.
In: William Shakespear’s tooneelspelen, 5 delen. Amsterdam, 1778-1782. Deel .
Uitgegeven door drs. G.C. van Uitert.
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Ceneton111231Facsimile bij UrsiculaGoogleBooks
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.
Continue
[
fol. π1r]

WILLIAM SHAKESPEAR’s

TOONEELSPELEN.


DERDE DEEL.

[fol. π1v: blanco]



[fol. 2πr]

WILLIAM SHAKESPEAR’s

TOONEELSPELEN.


Met de BRONWELLEN, en AANTEKE-
NINGEN
van verscheide Beroemde
Schryveren.

Naar het Engelsche en het Hoogduitsche vertaald.

en

Met nieuw geinventeerde Kunstplaaten
versiert.

DERDE DEEL.
____________
________________________

Te AMSTELDAM

By ALBRECHT BORCHERS.

MDCCLXXXI.



[fol. 2π1v]

___________________
______________________________________

INHOUD VAN HET DERDE*DEEL.
I.
II.
III.
OTHELLO.
HENRIK DE VIERDE 1ste DEEL.
DE DWAALING.
Bladz. 1.
185.
341.



[p. 1]



OTHELLO,

OF DE

MOOR VAN VENETIËN

TREURSPEL.






[p. 2]

PERSOONEN.

OTHELLO, een Moor.
CASSIO, Luitenant
JAGO, Vaendrich
DESDEMONA,Gemalin
CLOWN, Bediende.
}
}
}
van Othello.
De HERTOG.
RODERIGO, een Edelman
BRABANTIO, een Senator
Twee SENATOREN
}
}
}
van Venetiën.
GRATIANO, Broeder van Brabantio.
EMILIA, Vrouw van Jago.
BIANCA, Byzit van Cassio.
MONTANO, Stadhouder te Cyprus.
LODOVICO, Neef van Brabantio en Gratiano.
Een HERAUT.

OFFICIEREN. EDELLIEDEN. BODEN.
MUSIKANTEN. MATROOZEN en
GEVOLG.

Het Tooneel is in ’t EERSTE BEDRYF te
Venetiën: en de VIER laatste BEDRY-
VEN in Cyprus.
Continue
[p. 3]

OTHELLO,

OF DE

MOOR VAN VENETIËN;

TREURSPEL.
__________________________________________

EERSTE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

Het Tooneel verbeeld een Straat in Venetiën.

RODERIGO. JAGO.

RODERIGO.
Vertel my zulks niet. ik neem het zeer kwaalyk dat gy Jago, die met myn geld zo vry durft omgaan als of het uw eigen was, zich met diergelyken kunt inlaaten.
JAGO.
    Maar gy wilt my niet hooren. — indien ik van zulk een geval heb kunnen droomen, heb dan een afgryzen van my.
RODERIGO.
    Gy verteldde my, dat gy hem van herten haatte.
JAGO.
    Veracht my, wanneer ik het niet doe. drie voornaame Lieden van deze Stad deeden hem in eigen Persoon, op de hoflykste wyze, betuigingen, dat hy my tot zynen Luitenant moest aanstellen; en waarlyk ik ken myne waarde; ik verdien geen slegter [p. 4] plaatse. maar hy, die zyne trotsheid en voorneemens alleen lief hadt, ontweek hen eerst door een almachtigen uitval van schrikbaarende en krygsmans bywoorden; en voldeed eindelyk aan het verzoek myner voorspreekers niet. het doet my leed, zeide hy, ik heb my reeds eenen Luitenant verkoozen. en wat was dat voor een Mensch? — Niemant anders dan een’ grooten Rekenmeester, een zekeren Michaël Cassio, een Florentyner, een Kaerel die door een schoon Wyf dat hy gehuwd heeft, reeds half verdoemd is: die noch nooit een Esquadron in ’t Veld voerde; en van de omstandigheden eenes Slagts omtrent zo veel verstaat als een jong Spinstertje; behalven eenige Theorie uit Boeken, waar van onze Senatoren in haar lange rokken even zo geleerd kunnen spreeken als hy. Praatjes zonder ondervinding is zyn gantsche Krygskunst. Zulk een Man had den voorrang; en ik, wiens dapperheid hy te Rhodus, te Cyprus en aan andere Christelyke en Heidensche plaatsen, met eigene oogen gezien had, moet my met ydel gebrom van Debiteuren en Crediteuren, even of ik een brenger van Rekeningen ben, ophouden, en laaten afvaardigen. hy mag tot zyn geluk Luitenant zyn, en ik moet — dank zy den Hemel — zyn Moorsche Exelentie’s onderdaanigsten Vaendrich blyven.
RODERIGO.
    Ik was by me Ziel liever zyn Beuls knegt geweest.
JAGO.
    Maar, dat laat zich niet veranderen, dat is de vloek des diensts. de bevordering richt zich naar gunst en Rekommandatie-brieven, en niet naar de gewoone trapklimming, waar door de tweede altoos in de plaats van den eersten treedt. oordeeld zelfs Roderigo, of ik door ééne enkle verpligting verbonden ben om den Moor te beminnen?
RODERIGO.
    Dan zou ik ook niet in zyn dienst willen zyn.
[p. 5]
JAGO.
    ô! Weest daaromtrent te vreeden. ik ben in zyn dienst om daar in voor myn voordeel te zorgen. wy kunnen alle geen Heeren zyn, en alle Heeren kunnen geen getrouwe dienaars hebben. men vind op Aarde menig halfknielende en dienstaanbiedende Knaap, die, op de daaropvolgende Slaverny verlieft, zyn tyd uithoudt gelyk de Ezel van zynen Heer, om niets dan om voeder: en wanneer hy oud is word hy afgedankt: diergelyke eerlyke Schelmen zyn een geesseling waardig. daartegen zyn ’er anderen die een nederig en dienstvaardig gezicht weeten aan te neemen, maar hunne harten voor zich zelf behouden; die door den schyn van dienstyver voor hunnen Heer te toonen, zich zelf verryken, en daar na, wanneer zy haar Schaapje in ’t drooge gebragt hebben, niemant, dan zich zelf onderdaanig zyn. dat zyn zekerlyk Lieden die eenig verstand hebben, en ik heb de eer één van hen te zyn. Dan, Myn Heer, het is zo zeker als gy Roderigo zyt; was ik den Moor, zo zoude ik Jago niet willen zyn. als ik hem dien, dien ik alleen my zelve; de Hemel is myn getuige! — dien ik hem uit geene liefde of onderdaanigheid, ik geef ’er evenwel den schyn van, en doe zulks om bizondere oogmerken. doch zo dra myn uiterlyk gedrag de inwendige gesteltenisse mynes harte, door een uiterlyk Compliment verraad, zal ik terstond myn hart op den mouw draagen, op dat de Dollen daar na hakken kunnen. Ik ben niet, wat ik schyn.
RODERIGO.
    Welk een aanzienlyk geluk maakt die dikbekkige Kaerel, wanneer hem zynen aanslag gelukt!
JAGO.
    Gaa, en maak het Meysje haar Vader gaande; wek hem uit den slaap. zet hem na; vergiftigd zyne vreugde; brengt hem door een gesprek op [p. 6] straat; jaagt zyne Vrienden in het harnas; en woond hy, als ’t waare, in een vruchtbaare Landstreek, zo plaagt hem echter met vliegen; is zyne blydschap waarlyk blydschap; zo moet gy hem toch zo veel verdriet trachten aan te doen, dat zy ten minste iets van haar kleur moet verliezen.
RODERIGO.
    Hier is haar Vaders huis, ik wil hard roepen.
JAGO.
    Doet dat met eenen zo schrikachtigen toon, en yzelyk geschreeuw als of men een brand, die by Nacht door nalaatigheid veroorzaakt word, in een volkryke Stad ontdekt hadt.
RODERIGO.
    He! holla! Brabantio! he! Signior Brabantio! help! help!
JAGO.
    Staat op! — He! holla! Brabantio! he! — Dieven! Dieven! — neemt uw huis, uw dochter, en uwe geldzakken in acht! — Dieven! Dieven!
(Brabantio komt boven aan ’t Venster.)
BRABANTIO.
    Wat is de oorzaak van dit schriklyk geweld? wat is hier te doen.
RODERIGO.
    Myn Heer! is uw geheele Familie t’huis?
JAGO.
    Zyn uw deuren geslooten?
BRABANTIO.
    Waarom? wat beduiden deze vraagen?
JAGO.
    Myn Heer, gy werd bestoolen: doet dan ten minsten uwe rok aan — uw hert word in tweën gebrooken; gy hebt uw halve ziel verlooren; heden maakt een’ ouden zwarten Bok zich met uw witte Schaapen vrolyk. op! op! wekt de snorkende Burgers met de Stormklok, anders maakt gy den Drommel tot Grootvader. op! zeg ik!
[p. 7]
BRABANTIO.
    Hoe! hebt gy uw verstand verlooren?
RODERIGO.
    Myn waarden Heer, kent gy myne stemme?
BRABANTIO.
    Neen, wie zyt gy?
RODERIGO.
    Myn naam is Roderigo.
BRABANTIO.
    Zo veel te slimmer. — heb ik U niet verbooden om ooit voor myn deur rond te zwerven? heb ik U niet regt uit gezegt, myn Dochter is niet voor U? en nu, daar gy U vol gegeeten en gezoopen hebt, komt gy in dollen moede, en zyt kwaadaartig genoeg, om my te trotsseeren, en in myne ruste te stooren.
RODERIGO.
    Waarde Heer! — Waarde Heer!.....
BRABANTIO.
    Maar verlaat U veilig hier op, dat myne afkeerigheid en aanzien sterk genoeg is, om U naar waarde daar voor te laaten betaalen.
RODERIGO.
    Weest gerust, myn waarden Heer,
BRABANTIO.
    Wat praatte gy van Dieven? wy zyn hier in Venetiën; myn huis is geen schuur.
RODERIGO.
    Waarde Brabantio, ik kom op eene onschuldige wyze, en volgens de ingeeving van myn herte, tot U.
JAGO.
    Myn Heer gy schynt een van de geenen te zyn, die God niet vreezen willen daar gy de Duivel zulks gebied. als wy komen om U dienst te doen, houd gy ons voor spitsboeven. gy wilt dus hebben dat een Barbaarsche hengst uw Dochter bespringe; gy wilt dan hebben dat uw Dochters Kinderen U nabriesschen zullen; gy wilt Post- [p. 8] paarden tot Neeven en een’ stoet Veulens tot Nichten hebben.
BRABANTIO.
    Welk een heillooze Lasteraar zyt gy?
JAGO.
    Ik ben iemant Myn Heer, die U zeggen wil, dat uw Dochter en de Moor thans voorneemens zyn, het dier met dubbelde ruggen te verbeelden (a).
BRABANTIO.
    Gy zyt een Booswicht.
JAGO.
    En gy zyt..... een Senator.
BRABANTIO.
    Gy zult u dit echter beklaagen. ik ken U Roderigo.
RODERIGO.
    Myn Heer ik staa voor alles. maar ik bid U, wanneer het met uw goedkeuring en vryën wil geschied is — zo als het my zeker voorkomt — dat uw schoone Dochter in dit Middernachts-uur van geen slegter noch beter geleider voorzien werd, als van eenen gehuurden Schurk; een Galeyroeijer; en aan de wilde omarmingen van eenen hoerachtigen Moor toegebragt is. — wanneer gy zulks weet en het toegestemd hebt, dan hebben wy U in ’t geheel en op de lompste wyze beleedigt. weet gy in tegendeel daar niets van, zo heb ik doorzicht genoeg om in te konnen zien, dat uwe afwyzing voor ons beleedigend is, geloof toch niet dat ik al het gevoel der wellevendheid zo sterk wil verloogchenen, dat ik met U, myn waarden

    (a) Tot verklaaring van deze plaats voerd PERCY het volgende artykel uit eene Dictionnaire des Proverbes François aan: Faire la bête à deux dos. pour dire, Faire L’amour.         ESCHENBURG.

[p. 9]
Heer zou spotten, of U voor den gek zou houden. ik zeg nog eens; wanneer gy het uw Dochter niet toegestaan hebt, zo heeft zy zich grootelyks vergreepen, dat zy haar pligt, haar schoonheid, haar verstand en haar vermoogen, eenen Landlooper opofferd, die hier en overal een Vreemdeling is: onderzoek de zaak terstond. is zy in haar kamer, of in huis, zo laat my alle de gestrengheid van uwe rechtvaardigheid daar voor ondervinden, om dat ik U zo gedwarsboomd heb.
BRABANTIO.
    He! holla! slaat vuur! geef my licht! roept myn volk by een — dit voorval heeft veel gelykheid met myn droom, en ik vrees sterk dat het waar zal zyn. licht, zeg ik, licht.
JAGO, tegens Roderigo.
    Vaar wel; ik kan my hier niet langer ophouden. het zou met myn’ rang niet wel schikken, noch my wel bekomen, wanneer ik als getuige tegens den Moor wierd aangesteld, en wanneer ik hier bleef zou zulks vast geschieden. Maar ik weet, alschoon hem dit geval eenige berispingen op den hals kan haalen, dat hem den Staat tot zyne zekerheid echter niet wel ontbeeren kan. men heeft hem om gewigtige redenen tot Veld-Oversten van den Cyprischen Oorlog, die eerst beginnen zal, aangesteld; en men zou tot geenen prys eenen ander kunnen vinden, om dezen rang te bekleeden. ik haat hem, gelyk ik de Plaagen der helle haat, en echter moet ik in dit opzicht en om myn eigen voordeels wille, uiterlyk een Vlagge en Schild der Vriendschap uitsteeken, dat zekerlyk ook niet meerder als een bloot Schild is. maar wanneer gy hem gewis vinden wilt, Roderigo, zo komt met de overige in den Schutter (b) daar zal ik by hem zyn. Vaar wel.

    (b) The Sagittary. is hier het teken of schild van [p. 10n] een Herberg, en denkelyk werd daar het beeld van Centaurus, met boog en koker, onder verstaan.        ESCHENBURG.



[p. 10]

TWEEDE TOONEEL.

RODERIGO, BRABANTIO, BEDIENDEN.

BRABANTIO.
    Myn ongeluk is dan zeker! — zy is weg; en de bitterste zorge zal nu het aandeel mynes overigen elendigen levens zyn. Nu, Roderigo, waar hebt gy ze gezien? — ô! dat ongelukkig Meisje! — Met den Moor, zegt gy? — wie zou nog Vader willen zyn? — waar door wist gy dat zy het was? — ô Dochter! welk eene onbegrypelyke wederspannigheid betoond gy aan my! — wat sprak zy tegens U? — geef hier nog meer licht! — roept myn gantsche Maagschap te saamen. — gelooft gy, dat zy reeds getrouwd zyn?
RODERIGO.
    Ik denk zekerlyk Ja.
BRABANTIO.
    ô Hemel! hoe kwam zy uit den huize? — ô Verzaakster van ons bloed! — Gy Vaders, van nu af aan, moet gy uwe Dochters niet meer, volgens het geen zy uiterlyk schynen, betrouwen! — zyn ’er geen Tovermiddelen waar door de onschuld van jonge en onkundige Maagden vervoerd kan worden? hebt gy nooit van iets diergelyks gelezen, Roderigo?
RODERIGO.
    Ja, Myn Heer, dat heb ik zekerlyk.
[p. 11]
BRABANTIO.
    Roept myn Broeder op. — ô! ik wenschte dat gy haar op de eene of andere wyze overreed hadt. — weet gy nu, waar wy haar en den Moor vinden konnen?
RODERIGO.
    Ik hoop hen te ontdekken, zo ras gy goedvind, onder een goed geleide van eenigen uwer Vrienden, met my te gaan.
BRABANTIO.
    Kom, gaat vooräan. voor ieder huis wil ik roepen; ik kan gebieden wanneer het noodig is. — haalt hier geweer! — en eenige Officieren op welke men zich verlaaten kan. — wel aan, goede Roderigo; ik zal U deze moeite wel vergelden.



DERDE TOONEEL. (*)

Het Tooneel verbeeld een andere Straat, voor
de Herberg de Sagittarius.


OTHELLO, JAGO. GEVOLG.

JAGO.
    Ik heb ’er in ’t Veld zekerlyk reeds veelen verslaagen; echter wilde ik nooit myn geweeten bezoedelen om eenen opzettelyken Moord te begaan. het ontbreekt my aan boosaartigheid, die my zomtyds goede diensten zou kunnen doen. ik stond negen of tienmaal in beraad om hem eens wat onder de ribben te geeven.
OTHELLO.
    Het is beter zo, gelyk het is.
JAGO.
    Zeer goed; maar hy zwetste en sprak zulke onwaardige woorden, en deed zulke beleedigende [p. 12] uitdrukkingen tegens uwe eer, dat al myn weinigje Vroomheid niet toereikend genoeg was, om my zelf te bedwingen. Maar, zegt my eens. Myn Heer, zyt gy in ’t geheel wettig gehuwd? want gelooft my de Senator Brabantio is zeer bemind en heeft door zyn aanzien, eene aanmerkelyke, en even zulk een gewigtige stemme als den Hertog zelfs, hy zou U weder doen schyden, of uw beiden ten minsten zo veel hartzeer en verdrukking aandoen, als de uiterste strengheid der Wetten hem ooit zouden toelaaten.
OTHELLO.
    Hy mag het zo slegt maaken als hy goedvind, de diensten die ik de Regeering gedaan heb, zullen toch sterker spreeken als zyne klagten. men weet het nog niet — maar ik zou het reeds bekend gemaakt hebben, indien ik niet wist dat eigen lof een bederf myner eere was — dat ik eigenlyk uit Koninglyken bloede gesprooten ben; en myne verdiensten moogen dus, zonder dat ik my lang behoef te buigen, op zulk een stout geluk aanspraak maaken, gelyk dit is, dat ik my heb eigen gemaakt. Maar weet Jago, beminde ik Desdemona niet, dan zouden alle de schatten der Zee my niet kunnen beweegen, om myn leven, dat van alle huisselyke zorgen vry was, voor dwang en kluisters te verwisselen. — maar ziet eens, wat komen daar voor Lichten?



VIERDE TOONEEL.

CASSIO. GEVOLG. De voorigen.

JAGO.
    Dat zal de opgeruide Vader met zyne Vrienden zyn. het beste was, dat gy in huis ging.
OTHELLO.
    Dat doen ik niet; men moet my zien; myne [p. 13] verdiensten, myn rang, en myn onverschrokken moed, zullen my in myn waare licht doen beschouwen. Zyn zy het?
JAGO.
    By St. Jan, ik geloof van neen.
OTHELLO.
    Het zyn Bedienden van den Hertog, en myn Luitenant — goeden avond myne Vrienden; wat brengt gy nieuws?
CASSIO.
    De Hertog laat U groeten, Heer, Generaal, en wenscht dat gy op dit oogenblik by hem zult komen.
OTHELLO.
    Weet gy niet, waarom?
CASSIO.
    Er zyn, denkelyk, berichten uit Cyprus gekoomen. het moet zeer gewigtig zyn. de Galeijen hebben dezen nacht twaalf Bodens agter elkander hier gezonden; een groot deel der Senatoren is reeds op, en in het Paleis van den Hertog vergadert. men liet met allen yver naar uw zoeken, en toen men U in uwe wooning niet vond, zond de Senaat verscheide partyën uit, om U uit te vinden.
OTHELLO.
    Het is goed dat gy my gevonden hebt, ik heb nog maar iets in huis te zeggen, dan gaa ik met U.             (Othello vertrekt.)
CASSIO.
    Wat doet gy hier Vaendrich?
JAGO.
    Hy heeft deze Nacht een ryk Koopvaardyschip opgebragt; en zo het voor goeden prys verklaard word, is zyn geluk voor altoos gemaakt.
CASSIO.
    Dat verstaa ik niet.
JAGO.
    Hy heeft zich uitgehuwd.
[p. 14]
CASSIO.
    Met wie?
JAGO.
    Hoe, met....... (Othello komt te rug) kom, Heer Generaal, willen wy gaan?
OTHELLO.
    Wel aan.
CASSIO.
    Daar komt een andere Party die U zoekt.



VYFDE TOONEEL.

BRABANTIO, RODERIGO, OFFICIEREN. De voorigen.

JAGO.
    Het is Brabantio; weest voorzichtig Heer Generaal; hy heeft niet veel goeds in ’t zin.
OTHELLO.
    Hola! — staa!
RODERIGO.
    Het is de Moor, Myn Heer.
BRABANTIO.
    Ter Aarde met dien Roover.
(Zy trekken aan beide zyden de degens.)
JAGO.
    Ha! Roderigo! — kom hier; ik ben tot uw dienst!
OTHELLO.
    Steekt uwe blanke degens in, den daauw mogt ze roestig maaken. — waarde Signior, uw ouderdom zal U meer ontzach verwekken, als uw degen.
BRABANTIO.
    ô! Gy vervloekte Dief! waar hebt gy myne Dochter heen gevoerd? Verdoemde Booswicht, gy hebt haar betoverd. Ik wil ieder, die verstand heeft, laaten oordeelen, of een Maagd, zo jong, [p. 15] zo schoon, zo gelukkig, en zo afkeerig van het huwelyk dat zy de oogen onzer rykste en uitgelezenste Jongelingen ontweek, of zulk een Maagd zonder het kluisterend geweld der Toverkunst, vatbaar weezen kan, om zich den spot der Waereld prys te geeven, en uit haar Vaders huis in de roetige Armen van zulk een Schepzel te loopen als gy zyt: in de Armen des Schriks en niet der Vreugde? — de gantsche Waereld mag oordeelen, of het niet zeer blykbaar is, dat gy schandelyke Tovermiddelen by haar gebruikt, dat gy haar tedere Jeugd met Dranken of Poeijers, die het verstand verzwakken vervoerd hebt. — ik wil het onderzogt hebben; het is waarschynlyk; men kan zich niets anders daar van voorstellen. Ik betrap en vatte U dus als een Verleider der Waereld; als een die verboodene en booze Kunsten dryft. — slaat de hand aan hem: weerd hy zich, zo bedwingt hem op zyn gevaar.
OTHELLO.
    Bindt in, gy van myne zyden, en gy van de andere. was het myn Tooneel om hier te vegten, zo zoude ik U zonder eenige hulp gewenscht hebben. waar zal ik gaan, om my op deze uwe aanklaaging te verantwoorden?
BRABANTIO.
    In de gevankenis; tot zich een’ geleegener tyd opdoet, om U naar vorm van rechten te onderhooren.
OTHELLO.
    Wanneer ik U nu gehoorzaamde, hoe zou den Hertog daar mede te vreeden zyn, wiens afgezondenen hier nevens my staan, om my, wegens gewigtige Staatsbelangens, tot hem te geleiden.
Een OFFICIER.
    Dat is waar, Myn Heer, de Hertog is in zyn Staatsraad; en ik weet zeker dat gy zelf daar by geroepen zyt.
[p. 16]
BRABANTIO.
    Hoe! de Hertog in zyn Staatsraad? tegenwoordig, in deze tyd des nachts? — brengt my daar heen; myn zaak is geen kleinigheid. de Hertog zelf en al myne Broeders in den Senaat, moeten deze beleediging zodanig ondervinden als of zy hen zelf was aangedaan. Want zo dra diergelyke moetwilligheden vryelyk gedreeven wierden, zouden Slaaven en Straatroovers zeer ligt onze Bevelhebbers worden.



ZESDE TOONEEL. (*)

Het Tooneel verbeeld de Raadzaal van den Senaat.

De HERTOG en de SENAAT, zittende.

HERTOG.
    Daar is te weinig zaamenhang in deze berichten, om ze voor geloofwaardig te houden.
I SENATOR.
    Zekerlyk, zy verschillen te veel van elkander. myne brieven spreeken van honderd en zeven Galeijen.
HERTOG.
    En de mynen van honderd en veertig.
2 SENATOR.
    En de mynen van tweehonderd. evenwel, schoon zy in het getal niet overeenstemmen, gelyk in diergelyke gevallen, daar men naar bloot vermoeden schryven moet, dikmaals geschied, zo stemmen zy toch allen daar in overeen, dat ’er een Turksche Vloot in Zee is, en dat dezelve het op Cyprus gemunt heeft.
HERTOG.
    Dat is zeker mogelyk; ook geeven my de losse gedachten dat het wel ligt anders kan zyn, zeer [p. 17] weinig zekerheid: in ’t geheel geloof ik de hoofdzaak met veel ongerustheid.
Eenige MATROOZEN agter de Schermen.
    He! hola! hola!
Een MATROOS. komt op het Tooneel.
OFFICIER.
    Een afgezondenen van de Galeijen.
HERTOG.
    Nu, wat is ’er gaans?
MATROOS.
    Ik heb bevel om de Regeering te melden, dat de Krygstoerusting der Turken tegens het Eiland Rhodus gericht is.
HERTOG.
    Wat zegt gy van deze verandering?
I SENATOR.
    Dat het niet zyn kan, wanneer men het wel overweegt. het is slegts een blinddoek om onze oogen op eene verkeerde plaatse te doen wenden. wy moeten in acht neemen van hoe veel belang het Eiland Cyprus voor de Turken is: wy moeten overweegen dat hen veel meer daar aan geleegen moet leggen als aan Rhodus, en dat zy veel ligter hoopen moogen om hetzelve te veroveren: want het is veel minder versterkt, en heeft geene van die voordeelen welke Rhodus heeft. wanneer wy dit in overweeging neemen, zo zullen wy ons bezwaarlyk kunnen inbeelden, dat de Turken zo onbedacht zullen zyn, dat zy tot het laatste zullen wagten naar het geen hen het eerste geleegen is; dat zy eenen ligten en ryken buit zullen laaten vaaren, om zich aan eene gevaarlyke en onvoordeelige onderneeming te waagen.
HERTOG.
    Zekerlyk, naar alle waarschynlykheid is het niet op Rodus gemunt.
(Daar komt een Boode.)
[p. 18]
OFFICIER.
    Daar komt weder tyding.
BOODE.
    Doorlugtige en Edele Heeren, de Ottomannen die in het begin naar het Eiland Rhodus gezeilt waaren, hebben zich daar met een kleine Vloot vereenigt.
I SENATOR.
    Zulks heb ik wel gedacht! hoe sterk acht gy hunne Vloot te zyn.
BOODE.
    Van dertig Zeilen; zy neemen nu hunnen terugweg naar Cyprus, zonder hunne waare oogmerken langer te verbloemen. Signior Montano, uw getrouwen en dapperen Dienaar, zend U Wel-Edelen Hertog, onder verzekering van zyne eerbiedigheid, dit bericht, en verzoekt, zulks niet in twyffel te trekken.
HERTOG.
    Zy zeilen dus zekerlyk naar Cyprus. — is Marcus Luccius niet hier in de Stad.
I SENATOR.
    Hy is in Florence.
HERTOG.
    Men schryft hem dan uit onzen naam, dat hy zich met de grootste vaardigheid tot ons begeeve. — ras.
I SENATOR.
    Daar komt Brabantio en den dapperen Moor.



[p. 19]

ZEVENDE TOONEEL.

BRABANTIO, OTHELLO, CASSIO, JAGO, RODERIGO, OFFICIERS.
De voorigen.

HERTOG.
    Dappere Othello, wy moeten U terstond tegen onzen algemeenen Vyand, den Turk, gebruiken — (tegens Brabantio.) ik zag U zo ras niet, welkom, waarde Brabantio; wy mischten dezen Nacht uwen raad en uwe hulpe.
BRABANTIO.
    En ik de uwen Wel-Edelen Heer. vergeef het my. noch myn ampt; noch het gerucht van het geen thans voorvalt, heeft my van het bed doen komen; de zorge voor den Staat treft my thans weinig; doch myne bizondere boosheid is zo woedend en onrustig dat zy alle andere bekommernissen verslindt, en my niets anders voelen laat.
HERTOG.
    Wat is ’er dan geschied?
BRABANTIO.
    Myn Dochter! — Ach! myn Dochter!
SENATOR.
    Is dood?
BRABANTIO.
    Ja, voor my! zy is vervoerd, gestoolen en door Toveryen en Quakzalvers Liefdedranken bedorven geworden. (c) Want zy is noch byziende,

    (c) Dr. WARBURTON gelooft dat SHAKESPEAR zich hier in, daar hy, BRABANTIO op deze omstandigheid in ’t bizonder doet aandringen, naar de gewoonte gevoegt heeft; wyl de Wet van Venetiën, uit welke hy eene plaatse aanvoerd, diergelyke Tover- en Vergiftmengeryen streng bestraften.

[p. 20]
noch blind, noch zonder gevoel; en dus kan de Natuur zonder Tovery niet wel op die wys slaagen.
HERTOG.
    Wie het ook is, die op eene zo laaghartige wyze uw Dochter, en haar verstand, en U om uw Dochter bedroogen heeft, diens vonnis zult gy zelfs, Brabantio, in het bloedig Wetboek lezen, en zelfs den uitlegger der pynverkondigende woorden zyn; al was onzen eigen Zoon zelfs de aangeklaagde.
BRABANTIO.
    Ik dank U op het nederigste, Wel-Edelen Hertog. — Hier is de Man; dezen Moor; dien gy, zo het schynt om bizondere Staatsbelangen hier hebt doen komen.
ALLEN.
    Dat doet ons zeer leed.
HERTOG, tegens Othello.
    En wat kunt gy, van uwe zyde, hier op antwoorden?
BRABANTIO.
    Niets, dan, dat het zo is.
OTHELLO.
    Aanzienlyke! doorluchtige! en gestrenge Heeren! Myne Hoog-Edelen en Eerwaardige Gebieders! dat ik de Dochter van dezen ouden Man vervoerd hebbe, is waar; en het is ook waar, dat ik met haar getrouwd ben. dus verre strekt myne overtreding; en ook niet verder. Ik ben ruuw in myne redenen, en zeer weinig begaaft met de zachtmoedige stemme des Vreedes; want zedert deze

Waarschynlyk nam de Dichter de Placaten over deze kunst in opzicht, die in Engeland zelfs daar tegen waaren, en die Dr. GREY langen tyd daar na nog ophaald.        ESCHENBURG.

[p. 21]
Armen het zevenjaarig merkteken hadden, tot nu toe, omtrent negen Maanden uitgezondert, hebben zy zich in de gewigtigste onderneemingen des Slagtsvelds geoeffend; en ik weet dus van weinig zaaken in deze groote waereld te spreeken zo dezelve niet tot twisten of tot den Oorlog behooren. Ik zal dus, wanneer ik my zelf verdeedig, myne zaaken weinig voordeel aanbrengen: echter wil ik, met uwe Groot-achtbaare toestemming, het gantsche beloop myner liefde vrymoedig en onopgepronkt verhaalen, op dat U Edelen zien kunnen, door welke dranken, met welk een Tovermiddel, door welke bezweeringen en bovennatuurlyke kunsten, ik zyne Dochter verkreeg; terwyl hy my met zulk eene handelwyze beticht.
BRABANTIO.
    Een onschuldig jong Meisje, zo zachtmoedig en stil van gemoed, dat ieder haare neigingen by zich zelf kon ontdekken! — en zy zou de Natuur, haare Jeugd, Geboorte, Eere, in ’t kort alle dingen ten spyt, op iets verlieft worden, dat zy vreesden om aan te zien. — dit zou een zeer zwak, en zeer onvolkoomen verstand zyn, die oordeelen wilde, dat die volkomenheid op die wyze alle voorschriften der Natuur zou verstooten. Het is onmoogelyk! uit de Helle moeten die vervloekte Kunsten gehaald worden, die zulks te weeg kunnen brengen. ik hou dus nog staande, dat hy haar door dranken, die het bloed in geweldige driften stellen, of door een of ander bovennatuurlyk middel, vervoerd heeft.
HERTOG.
    Staande houden is geen bewyzen. daar behooren sterker en meer blykbaarer gronden te zyn, als dezen zwakken schyn, zo deze armzaalige vermoedingen der waarschynlykheid iets tegens hem zullen afdoen.
I SENATOR.
    Maar, zeg eens, Othello, gebruikte gy geen [p. 22] ongeöorloofde dwangmiddelen om de neiging van deze jonge Maagd te overweldigen en te vergiftigen? of geschiedde het door bidden en geöorloofde voorstellingen die jonge herten elkander doen?
OTHELLO.
    Ik bid U, Myne Heeren; laat de jonge Vrouw uit den Schutter hier haalen, en zich zelf, in de tegenwoordigheid van haaren Vader, over my verklaaren. Vindt gy dan dat haar verhaal zyne klagte rechtvaardigt, zo ontslaat my niet alleen van alle de ampten en waardigheden die ik van U ontvangen heb, maar laat uw oordeel zelf over myn leven vonnisse.
HERTOG.
    Haalt Desdemona hier.
(Twee of drie Persoonen vertrekken.)
OTHELLO.
    Vaendrich, geleid haar, gy weet de plaats het beste. (Jago vertrekt.) Intusschen dat zy komt, wil ik zo oprecht, als ik den Hemel zelfs de overtreedingen myner Natuur bekenne, deze Eerwaardige Vergadering berichten, hoe ik het herte van de schoone Desdemona, en zy het myne, won.
HERTOG.
    Spreek, Othello.
OTHELLO.
    Haar Vader beminde my; verzogt my by zich; vroeg my altoos naar de geschiedenis van myn leven, van Jaar tot Jaar; naar de Slaagen, Beleegeringen en Noodlottigheden die ik beleeft had. Ik doorliep myn geheele leeftyd, van myn eerste Kinderjaaren aan tot op het oogenblik, dat hy my gesteld hadt. dus sprak ik van ongelukkige voorvallen van hartroerende geschiedenissen zo op Zee als in ’t Veld; van de dreigende kaaken des doods op een hairbreette te ontvlugtten; van myne gevangenneeming door den overwinnenden Vyand; van myne Verkooping tot Slaaf; van myne uitlossing, en het waare beloop myner reizen. [p. 23] Daar by moest ik naar waarheid van Holen en onvrugtbaare Woestynen verhaalen; van Steenklippen, Rotzen en Gebergtens wiens toppen den Hemel roeren; en van de Canibalen die elkander opvreeten; van Menschenëeters, en van Lieden die den Kop onder de Schouderen draagen. (d) dat alles pleeg Desdemona zeer opmerkzaam aan te hooren. Maar zomtyds riepen de huiselyke belangens haar van ons af; doch deze bezorgde zy zo ras als mogelyk was, en kwam dan weder en verslond myne reden met gulzige ooren. Ik bemerkte zulks en nam eens een gunstig tydstip waar, in het welke ik haar aanleiding gaf, my recht hertelyk te verzoeken, dat ik haar de geheele Geschiedenis myner Pelgrimasie, waar van zy slegts enkelde Stukken gehoord had, uitvoerig zou vertellen. Ik bewilligde daar in, lokte haar verscheide traanen uit de oogen, wanneer ik van eenige ongelukkige omstandigheden myner Jeugd sprak. Als myn verhaal ten einde was, beloonde zy myne moeite met een heir van Zugtjes; zy zwoer ,, waarlyk, het was bizonder — ongemeen bizonder; het was harttreffende; buiten gewoon harttreffende” — zy wenschte dat zy niets daar van gehoord had, — en echter wenschte zy dat den Hemel zulk een Man van haar gemaakt had. Zy bedankte my, en zeide, wanneer ik eenen Vriend had die op haar verlieft was, zo moest ik hem myne Geschiedenisse leeren verhaalen, en daar door zou hy haar gewinnen. op dezen wenk verklaarde ik my; zy beminde my wegens de gevaaren die ik uitgestaan hadt, en ik beminde haar wegens het medelyden

    (d) Van soortgelyke Lieden vindt men eene wonderlyke Vertelling in MANDEVILLE’S vervalschte Reizen, die toen zeer veel gelezen wierden.            JOHNSON.

[p. 24]
dat zy daar over liet blyken. Zie daar de gantsche Tovery die ik gebruikt heb — daar komt Desdemona zelf, zy mag het getuigen.



AGTSTE TOONEEL.

DESDEMONA, JAGO, GEVOLG.
De voorigen.

HERTOG.
    Ik geloof dat zulk een verhaal myne Dochter ook zou verlieft maaken. Waarde Brabantio, neem deze zaak, die nu toch bedorven is van de beste zyde. men gebruikt immers liever gebrookene wapenen als de bloote hand.
BRABANTIO.
    Ik verzoek, dat gy haar wilt hooren. belyd zy dat zy van haare zyde om zyne liefde ook iets toegebragt heeft, zo treft het verderf myn hoofd. wanneer ik zo onrechtvaardig ben dat ik hem langer strafwaardig zou achten! kom hier, lief Meisje; zeg my, wie onder deze Vergadering van Edelen, zyt gy de meeste gehoorzaamheid schuldig?
DESDEMONA.
    Myn Edele Vader, ik voel dat myn pligt hier gedeeld is. U heb ik het leven en myne opvoeding te danken; beide, het leven en de opvoeding leeren my het ontzag dat ik U schuldig ben. Gy zyt Heer over myne gehoorzaamheid in zo verre ik uwe Dochter ben. Maar hier is myn Gemaal en even zulk eenen overdragt als myne Moeder U betuigde toen zy U voor haaren Vader den voorrang gaf, even zulk eene eerbied meene ik den Moor, myn Gemaal schuldig te zyn.
BRABANTIO.
    God zy met U, — ik heb niets meer te zeggen. bevalt het U, Eerwaardigen Hertog, dan zullen wy nu Staatszaaken spreeken. ik wil liever [p. 25] een Kind aanneemen als opvoeden. — kom hier Moor; ik, geeve U van ganscher harte, wat ik, indien gy zulks niet reeds hadt, van gantscher harte onthouden zou. Om uwent wille, myn pand, ben ik in myn Ziel bly dat ik verder geen Kind meer hebbe; daar uwe vlugt my zo wreed had doen worden dat ik U een Bel zou aangedaan hebben. — ik ben gereed, Eerwaarden Heer.
HERTOG.
    Laat ik met U spreeken, Brabantio, zo als gy zelfs spreeken zoudt; en een oordeel vellen dat deze geliefden tot een trap kan dienen om weder in uwe gunste te komen. Wanneer ’er geen hulp meer is, dan hebben de bezwaaren een einde: wanneer men het ergste beleeft heeft, ’t geen men te vooren nog hoopte aftewenden. een ongeluk te beklaagen dat reeds geschied is, is de naaste weg om een nieuw ongeluk te verwekken. Wanneer men de gestrengheid van het noodlot niet ontwyken kan, is het geduld echter in staat den spot met zyne beleedigingen te dryven. de Beroofde die daar om lagcht, ontsteeld den Roover iets; maar die onnutte gramschap toond, berooft zich zelf.
BRABANTIO.
    Wel nu, dan mogen de Turken het Eiland Cyprus wel wegneemen, wy verliezen het toch niet, zo lang wy daarom lagchen kunnen. Hy, die het meeste op de troost ziet, die hem by zyn Vonnis gegeeven word, heeft het meeste nut van zyn vonnis, maar dezen voeld beide, het vonnis en het onheil, die om zyn toorn te betaalen, iets van het armzaalige geduld leenen moet. diergelyke Vonnissen zyn aan beide zyden even sterk om het onheil te verzagten of te verbeeteren. Maar woorden zyn toch maar woorden; en ik heb nooit gehoord, dat een gewond hart door het oor geneezen is. Ik bid U op het nederigste, laat ons de Staatsgeschillen verhandelen.
[p. 26]
HERTOG.
    De Tarken maaken sterke toerustingen om Cyprus aan te tasten. Othello, de Vestingen en Sterkte van die Plaats zyn U het beste bekend. wy hebben daar zekerlyk een Bevelhebber van bekende trouw en toezicht, alleen het vooroordeel, die algemeene beheerscher der Waereld, verwagt van U meer zekerheid. Gy moet het U dus laaten welgevallen de vreugde van uw nieuw geluk door de bezwaaren van dezen onaangenaamen en onrustigen Zeetocht, een tyd lang af te breeken.
OTHELLO.
    Die wreedaartige, de gewoonte, eerwaarde Senatoren, heeft my de steenharden en staalen rustplaatse des Krygs, tot een zagt donsbedde gemaakt. ik belyde het, in harden arbeid heb ik eene natuurlyke en ligte vaardigheid; en dus onderneeme ik den tegenwoordigen togt tegens de Ottomannen. doch nu verzoeke ik de Regeering op het eerbiedigste, voor myne Gemalin op eene behoorlyke wyze zorg te draagen; haar volgens haare geboorte en rang onderhoud te verschaffen, en haar zo te onthaalen gelyk het haare geboorte betaamd.
HERTOG.
    Indien het U goeddunkt, zo kan zy in haar Vaders huis woonen.
BRABANTIO.
    Dat zou ik niet toestaan.
OTHELLO.
    Ik ook niet.
DESDEMONA.
    Ik ook niet. ik zou niet gaarne daar woonen, en mynen Vader aanleiding tot moeite geeven wanneer ik altoos voor zyne oogen was. Eerwaardigen Hertog, verleen my een toegeneegen gehoor en laat uwe toestemming myne bede en blooheid ondersteunen.
[p. 27]
HERTOG.
    Wat begeerd gy Desdemona?
DESDEMONA.
    Dat ik den Moor beminne, om met hem te leven, mag myne vergeeting aller gewoonlyke bedenklykheden, en het onweêr mynes noodlots door de gantsche Waereld uitbazuinen. Myn hert heeft zich door de edele eigenschappen myns Gemaals alleen laaten overwinnen. Ik zag Othello’s gezicht in zyne ziele, (e) en zyne verdiensten en roemwaardige deugden wydde ik myn’ hert en geluk toe. indien ik dus als een Motto des Vreedes te rug gelaaten word, en hy in den Kryg; zo ontrooft men my dat recht om het welke ik hem lief heb; en ik zal de geheelen tyd zyn afzyns in kommer moeten doorbrengen. Laat my met hem gaan.
OTHELLO.
    Bewilligt dat, myne Heeren; ik bidde U, laat heur haaren vryën wille. daarom bid ik niet alleen om voor de bevreediging van myn eigen vergenoegen te zorgen; noch om vuurige en jeugdige driften, die in my reeds gestorven zyn, of de verzadiging myner eigen lusten op te volgen; maar in ’t bizonder, om tegen haar inschikkelyk en weldaadig te zyn. de Hemel verhoede dat gy my bekwaam acht, om uwe groote en gewigtige aangeleegenheden te zullen verwaarloozen, wanneer zy

    (e) I saw Othello’s visage in his mind. deze fraaie zegging verklaard JOHNSON op dees gepaste wyze: ,, Men moet zich daar niet over verwonderen dat ik op een Man verliefde, die zo weinig aanneemelyks in ’t uitwendige had. ik zag zyn gelaat alleen in zyne ziele; de edelmoedigheid zyner denkwyze verzoende my met zyne gestalte.            VERTAALER.

[p. 28]
by my is! neen, wanneer eens het ligt gevleugelde Spel des vlugtigen Cupido’s de werktuigen myns verstands, en kragten, door dartele traagheid bederft; wanneer myne vermaaken myne daaden schaadelyk zyn, zo moogen Huismoeders van mynen Helm een Ketel maaken, zo moogen de onwaardigste en smartelykste wederwaardigheden zich tot verstooring mynes roems vereenigen.
HERTOG.
    Gy moet het onder elkander uitwyzen, of zy hier blyven, of mede gaan zal. de omstandigheden zyn dringende, en moeten terstond bezorgt worden, Gy moet deze nacht nog heen.
DESDEMONA.
    Deze Nacht, Eerwaarden Heer?
HERTOG.
    Deze nacht.
OTHELLO.
    Met al myn harte.
HERTOG.
    Morgen vroeg, om negen uuren zullen wy hier weder te saamen komen. Othello, laat hier eenen Officier van U blyven, door welken wy uwe volmacht kunnen overzenden, en ’t geen nog tot uwe waarde en bediening noodig is.
OTHELLO.
    Dat kan, indien U Eerwaarden het goedvinden, myn Vaendrich zyn; hy is een redelyk en oplettend Man; ik zal het aan hem overlaaten om myne Vrouw te geleiden, en my dat geen over te brengen, wat gy, Myn Heer, noodig acht my naar te zenden.
HERTOG.
    Ik ben te vreeden. — goede nacht te saamen. — Myn waarde Brabantio, indien de deugd in geen blond of schoonheid geleegen is, zo is uw Schoonzoon veel witter dan zwart.
[p. 29]
SENATOR.
    Vaar wel dappre Moor, behandel Desdemona wel.
BRABANTIO.
    Geef wel acht op haar; laat zy niet uit uwe oogen gaan. zy heeft haaren Vader bedroogen, en kan U ook bedriegen.
(De Hertog en den Senaat vertrekt.)
OTHELLO.
    Myn leven voor haare trouw! — waarde Jago, U moet ik myne Desdemona agterlaaten. Ik bid U, geeft haar uwe Vrouw tot gezelschap, en brengt haar by de eerste en beste gelegenheid tot my. — kom, Desdemona, ik heb nog één uur dat ik de liefde en onze eigen aangelegenheden schenken kan. wy moeten ons naar den tyd richten·



NEGENDE TOONEEL.

RODERIGO, JAGO.

RODERIGO.
    Jago!
JAGO.
    Wat is het edelen Vriend?
RODERIGO.
    Wat denkt gy dat ik doen wil?
JAGO.
    Hoe, wat? te bed gaan, en slaapen.
RODERIGO.
    Ik wil terstond heen gaan en my verdrinken.
JAGO.
    Wanneer gy dat doet, zo zal ik uw Vriend hier na niet meer zyn. gy onnoozele Edelman.
RODERIGO.
    Het is zekerlyk onnozelheid te blyven leven, wanneer het leven eene pyniging is; en dus heb- [p. 30] ben wy een voorschrift om te sterven, wanneer de dood onze Doctor is.
JAGO.
    Hoe onwaardige! — ik heb nu reeds viermaal zeven Jaaren den loop des Waerelds mede aangezien, en zedert ik tusschen weldaaden en beleedigingen een onderscheid maaken kan, heb ik noch niemant gevonden die zich zelve recht beminde. eer ik zeggen zou dat ik my, ten gevalle van een Vrouwspersoon, wilde verzuipen, zou ik eerder myne Menschheid met een Baviaan verruilen.
RODERIGO.
    Wat zal ik doen? ik beken dat het eene schande voor my is, dat ik zo verzot op haar ben; maar myne deugd is niet sterk genoeg om deze kwaal van my te weeren.
JAGO.
    Deugd! — de drommel haal! — op ons komt het aan, of wy dus of zo willen zyn. onze lyven zyn onze tuinen; en onzen wil is de Tuinman daar in. of wy Netelen planten, of Latuw zaaijen, of Yzoop inzetten, of Thym uitroeijen willen: of wy hem met één soort van Planten, of met verscheide Kruiden willen aanvullen; of wy hem uit traagheid willen laaten verwilderen, of door vlytige onderhouding in goeden staat brengen, daar toe legt het vermoogen, en het willekeurig geweld volleedig in onzen wil. hadden wy op de Balance onzes leevens geen Schaal vol vernuft, om de eene verkiezing van de andere te scheiden, zo zou het bloed en het bederf onzer natuur ons tot de dwaaste afwykingen verleiden. maar wy hebben vernuft om onze woedende neigingen te koelen en onze vleesschelyke driften en ongetemde lusten te dempen. Ik besluit daar uit, dat het geen ’t welk gy liefde noemt, niets anders dan een zetplant of inënting is.
RODERIGO.
    Dat is niet mogelyk.
[p. 31]
JAGO.
    Het is alleen een drift van ’t bloed, en eene toelaating van den wil — kom, wees een Man. — U te verzuipen? verzuipt Katten en blinde jonge Honden. ik heb my eens voor U als Vriend verklaard, en ik belyde nog, dat ik met de tederste en sterkste banden aan uwe verdiensten verbonden ben. nu kan ik U beter dienen als voorheen. Steekt geld in uw zak, gaat mede ten Oorlog: verander uw glad gezicht door eenen valschen baard. Ik zeg, steekt geld in uw zak. het is onmoogelyk dat Desdemona den Moor lang kan beminnen — steekt geld in uw zak — noch den Moor haar. het begin van haare Liefde was snel, en zo zal ook het einde zyn — steekt toch geld in uw zak. — Mooren zyn veranderlyk in haare neigingen — vult uwe zakken met geld — de kost die hem eerst zo zoet smaakte als Jalappe, zal hem in ’t kort zo bitter zyn als Koloquinten. Zy moet zich wegens haare Jeugd, ras veranderen; heeft zy zich eens aan hem verzaadigt, dan zal zy de dwaaling haarer keuze ras gewaar worden — zy moet verandering hebben, dat moet zy; daarom, steekt geld in uwe zakken. — wilt gy volstrekt ter Helle vaaren, zo doet het op eene vermaakelyker wyze als door verzuipen. neemt zo veel geld meê als gy kunt. wanneer deugd, en een breekbaare gelubde by eenen Landlooper uit Barbaryën, en eene ondoortrapte Venetiaansche Vrouw, niet meer geweld hebben, als myn verstand en de geheele Kunst der Helle, dan zult gy haar genieten! daar voor maak geld te krygen! — de Drommel haald dat verzuipen. dat is hier gantsch aan de verkeerde plaats. denkt liever daarop, hoe gy hangen wilt, wanneer U de vreugde ten deel word, als zich te verzuipen, en zonder haar ledig uit te gaan.
RODERIGO.
    Staat gy voor het goed gevolg myner onderneemingen in, wanneer ik het daar op waag?
[p. 32]
JAGO.
    Verlaat U op my — ga, en steekt geld by U — ik heb U reeds gezegt, en zeg het nog ééns, ik haat den Moor: myne oorzaak ligt diep in ’t harte; den uwen heeft geen minder grond. laat ons ter wraake met elkander weder vereenigen! kunt gy hem hoornen opzetten, zo strekt het U tot genoegen, en my ten kortswyl. de toekomstige tyd gaat nog van verscheiden voorvallen zwanger, die evenwel in ’t licht moeten komen. ras, ga heen — zorgt nu voor geld. Morgen spreeken wy elkander weder. Vaar wel.
RODERIGO.
    Waar zien wy elkander morgen?
JAGO.
    In myne wooning.
RODERIGO.
    Ik zal tydig by U zyn.
JAGO.
    Goed, vaar wel — hoort nog eens Roderigo?
RODERIGO.
    Wat is het?
JAGO.
    Niet meer van verzuipen; hoort gy?
RODERIGO.
    Ik heb my bedacht. ik wil heen gaan, myne Landeryen verkoopen.
JAGO.
    Doet dat, vaar wel. steekt geld genoeg in uw zak.



TIENDE TOONEEL.

JAGO, alleen.

    Zo maak ik immers van mynen gek mynen schatmeester! doch daar voor moet ik myne verkreegene kennis ten kwaade aanwenden, zoude ik mynen [p. 33] tyd met zulk een Snip zoek maaken zonder eenig voordeel daar voor te genieten. Ik haat den Moor; en de booze Waereld gelooft dat hy in myn bed myne plaatse heeft vervuld. Ik weet niet of het waar is; maar ik wil echter op dit bloote vermoeden, op deze wyze voortvaaren, als of het zekere waarheid is. hy steld zyn vertrouwen op my, dus zal ik hem te ligter kunnen betrekken. Cassio is een toegeevend Man — laat zien! — zyne plaatse bekomen; en mynen haat verzadigen, eene dubbelde boevery! — nu? nu? — laat zien. — na eenigen tyd Othello stil zeggen, dat Cassio de vertrouwde van zyn Vrouw is — zyne gestalte en zyne vriendelykheid, zullen die verdachtheid rechtvaardigen; hy is recht geschikt om Wyven trouwloos te maaken. De Moor is trouwhartig en zonder arg; hy houd de Lieden voor eerlyk, wanneer zy’er eerlyk uitzien, en zal zich zo goedwillig als een Ezel, by de neus laaten omvoeren. — ik ben vaardig — myn ontwerp is vastgesteld — de Helle en de nacht moeten dit ongehoorde Misgeboorte aan het licht der Waereld brengen.

Einde van het Eerste Bedryf.
Continue
[
p. 34]

TWEEDE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

Het Tooneel verbeeld de Hoofdstad van Cyprus.

MONTANO. Twee EDELLIEDEN.

MONTANO.
Wat kunt gy van ’t voorgebergte af, in Zee onderscheiden?
I EDELMAN.
    Niets, het geringste; het is een hoogen en onstuimigen Vloed, ik kan tusschen den Hemel en de Zee geen enkel Zeil ontdekken.
MONTANO.
    My dunkt dat de wind te land zeer heftig geweest is. een sterker Storm heeft noch nooit onze harten doen beeven; indien het op Zee even zo sterk gewoed heeft, welke eiken Masten konnen zich dan in haare voegen vasthouden, wanneer de Bergen op haar nederploffen? — wat zullen wy daar van nog voor nieuwigheden verneemen?
2 EDELMAN.
    De verstrooing des Turkschen Vloots. — plaatst U thans eens aan den Schuimenden Oever; de bruischende Baaren schynen tot aan de Wolken te spatten; en de door Storm verwekte brandingen schynen uit het hoogen en vreesselyken Meir der brandende Beeren het water elkander tegen te bruisschen, en het licht van den onbeweegbaaren Poolsterre uit te blusschen. Ik heb noch nooit zulk eene opstaapeling van dezen wilden Vloed gezien.
MONTANO.
    Indien de Turksche Vloot zich niet ter zyden ergens in eene Haven gered heeft, zo is zy te grond gegaan. het is onmoogelyk den Storm uit te houden.



[p. 35]

TWEEDE TOONEEL.

Derde EDELMAN. De voorigen.

3 EDELMAN.
    Wat nieuws, Myne Heeren: onzen Oorlog is ten einde. Het ontzaglyk onweder heeft de Turken zo toegesteld, dat zy haar voorneemen opgeeven. een aanzienlyk Schip van Venetiën heeft den vreesselyken Schipbreuk en de nood van het grootste deel van haare Vloot mede aangezien.
MONTANO.
    Hoe — is dat waar?
3 EDELMAN.
    Dat Schip is hier ingeloopen; het is een Veronesisch: Michaël Cassio, de Luitenant van den dapperen Moor Othello is hier aan den Oever gekomen; de Moor zelf is op Zee; en als bevelhebber hier naar Cyprus bestemd.
MONTANO.
    Dat verheugd my; hy is een Eerwaardigen Stadhouder.
3 EDELMAN.
    Hoe vol vreugde het bericht in dezen is, dat deze Cassio van de verlossing der Turken aankondigt, zo is hy doch zeer bekommerd, en wenscht dat den Moor daar gelukkig mag afgekomen zyn, want zy waaren in het hevigste van den Storm afgezeild.
MONTANO.
    De Hemel geeve het! ik heb onder Othello gediend; hy is een volmaakt Soldaat en Veldheer. wy zullen naar den Zeekant gaan, om zo wel het ingeloopene Schip te beschouwen, als den dapperen Othello zo verre te gemoet te zien, als zich de Zee en de blaauwe lucht niet meer laaten onderscheiden.
[p. 36]
EDELMAN.
    Kom, laat ons dat doen, want ieder minuut is eene verwagting van meerder aangekomenen.



DERDE TOONEEL.

CASSIO. De voorigen.

CASSIO.
    Ik bedank de dappere Inwooners van dit Eiland, dat zy zulke goede Vrienden van den Moor zyn. de Hemel behoede hem voor het woeden der Elementen! want ik heb hem op een Zee vol gevaaren verlooren.
MONTANO.
    Is zyn Schip goed?
CASSIO.
    Zyn Schip is goed getimmerd, en zyn Stuurman zeer ervaaren en oplettend. myne hoop is daar omtrent niet zonder grond, en verwagt met toezicht zyne redding.
Men roept agter de Schermen.
    Een Zeil! een Zeil!
CASSIO.
    Wat beduid dit geschreeuw?
I EDELMAN.
    De Stad is geheel ledig; het Volk staat schaarswyze aan den Oever, en roept: een Zeil! een Zeil.
CASSIO.
    Ik hoop dat het des Stadhouders Schip zal zyn.
EDELMAN.
    Zy begroeten het met Vreede-schooten; het zyn ten minste Vrienden.
CASSIO.
    Ik verzoek U vriendelyk Myn Heer, ga heen, en brengt ons een zeker bericht wie hier aangelandt is.
[p. 37]
EDELMAN.
Ik zal.                                                 (Hy vertrekt.)
MONTANO.
Maar, myn waarden Heer Luitenant, is uw Veldheer getrouwd?
CASSIO.
    Zeer gelukkig. hy heeft een Meisje tot Vrouw genoomen, waar van de beschryving en het overvliegende gerucht niet te veel zeggen kan. zy overtreft de Lofspraak van de besnedenste Pen, en de werkelyke deugden waar mede haar de natuur heeft begaaft zyn den inhoud van alle voortrefflykheden.



VIERDE TOONEEL.

Een EDELMAN. De voorigen.

CASSIO.
    Nu, wie is ’er ingeloopen?
EDELMAN.
    Een zekere Jago. de Vaendrich van den Generaal.
CASSIO.
    Hy heeft een ongemeen spoedige en gelukkige Reis gehadt. de Stormen zelfs; hooge Zeën; huilende Winden, overhangende Klippen, en de opgetopte Zandplaaten (Verraders die in ’t verborgen loeren, om de schuldelooze Kielen der Scheepen aan te houden) vergaaten, even of zy van ’t gevoel der Schoonheid aangedaan waaren,*haare verderfelyke Natuur, en lieten de goddelyke Desdemona onbeleedigt voorby vaaren.
MONTANO.
    Wie is dat?
CASSIO.
    Dezelve daar ik van sprak; de beheerscheresse van onzen Veldheer, die hy ter vervoeringe den kloekhartigen Jago aanbetrouwd heeft, en die hier [p. 38] ten minste een Week vroeger aankomt als wy verwagten. ô! Hemel! behoed nu Othello ook, en laat zyn Zeil door uwen almagtigen adem zwellen, op dat hy met zyn Schip deze Haven mag bereiken; Desdemona weder hartelyk in zyne armen drukken; onzen nedergeslaagenen moed weder opbeure; en gantsch Cyprus met moed en vertrouwen vervulle.*



VYFDE TOONEEL.

DESDEMONA, JAGO, RODERIGO, en
EMILIA. De voorigen.

CASSIO.
    ô! Ziet! de rykdom van het Schip is aan Land gekomen! gy Mannen van Cyprus bewellekomt haar knielende! — Heil zy U, Edele Desdemona! de zegen des Hemels ga voor U, volge U, en omringe U van alle zyden!
DESDEMONA.
    Ik dank U, wakkere Cassio; kunt gy my geene tyding van myn Gemaal doen hooren.*
CASSIO.
    Hy is nog niet aangekomen; en ik weet niet verder, dan dat hy wel is, en in ’t kort hier zyn zal.
DESDEMONA.
    ô! Ik vrees thans — hoe kwaamt gy van elkander.
CASSIO.
    De heftige stryd tusschen Lucht en de Zee, brak ons gezelschap. — Maar hoor eens — men roept? —
Men roept agter de Schermen.
    Een Zeil! een Zeil!
(Men hoord Kanonschooten.)
[p. 39]
EDELMAN.
    De Schooten zyn naar de Vesting gericht, het is ook al een Vriend.
CASSIO.
    Zie doch, wie het is. (een van het Gevolg vertrekt.) Myn waarde Vaendrich, wees welkom. (tegens Emilia.) welkom Mevrouw. (haar kussende.) Neem het my niet kwaalyk, myn waarde Jago, dat ik myne vreugde den vryën loop gunne: ik ben het van myne Jeugd af, zo gewoon, om zulk eene vryheid, by de betuigingen myner vriendschap te neemen.
JAGO.
    Ik wenschte Myn Heer, dat zy tegens U zo mildaadig met haare lippen was, als zy tegen my met haare tonge is, gy zoud dan wils genoeg hebben.
DESDEMONA.
    ô! Zy spreekt haast niet.
JAGO.
    Waarlyk, nog te veel. dat ondervind ik best wanneer ik lust tot slaapen heb. geloof my, Mevrouw, in uwe tegenwoordigheid legt zy haar tong een weinig in haar herte, en babbeld nu in haar gedachten.
EMILIA.
    Gy hebt weinig reden om zulks te zeggen.
JAGO.
    Ha! ha! ik weet echter hoe gy Wyven bestaat! — Gy zyt Schilderyën buitens Huis, Klokken in uwe Kamers; wilde Katten in uwe Keukens; Heiligen wanneer gy anderen beleedigt; (f) Duivels wan-

    (f) Saints in your injuries: Dat is volgens JOHNSON, wanneer gy beleedigen wilt, ziet gy er als Heiligen uit.            VERTAALER.

[p. 40]
neer gy beleedigt word; Tooneelspeelsters in uw Huishouden; en Huishoudsters in uw bed.
DESDEMONA.
    Foei, schaamt U, gy Loogenaar.
JAGO.
    Neen, neen, het is waar, of ik wil een Turk zyn! — Gylieden staat op om te speelen, en legt zich te bed om te arbeiden.
EMILIA.
    Gy zult my voorzeker geen Lofspraak schryven.
JAGO.
    Neen, zeker niet.
DESDEMONA.
    Wat zoud gy dan van my schryven, wanneer gy my pryzen moest?
JAGO.
    ô! Mevrouw, verg my zulks niet; ik ben waarlyk niets, dan een Critiseerder.
DESDEMONA.
    Nu dan, een klein Proefje. — daar is immers iemant naar de Haven gegaan?
JAGO.
    Ja Mevrouw.
DESDEMONA.
    Ik ben niet wel gehumeurd, maar ik bedrieg myn waaren toestand, doordien ik een anderen schyn aanneem. — nu, hoe zoud gy my dan pryzen?
JAGO.
    Ik denk daar reeds op, maar waarlyk, myne ondervinding gaat even zo ongaarne van myne hersenpan af, als Vogellym van een Friessche rok; zy trekt de hersens en alles mede daar uit. — Maar myne Muze schreeuwt reeds; en dus werd zy verlost.
[p. 41]
    By Schoonheid en Verstand zal onschuld zich vergissen;
    Want Schoonheid werd vervoerd; ’t verstand zal ’t niet ligt missen.
DESDEMONA.
    Voortrefflyk gepreezen. — maar wanneer men nu zwart (g) en verstandig is!
JAGO.
    Zo zwarte hairen zich aan uw verstand verbinden;
    Laat eenen Witten zich ras voor uw Zwarten vinden.
DESDEMONA.
    Hoe langer hoe slimmer.
EMILIA.
    En, wanneer men schoon en onnozel is?
JAGO.
    Een schoone kan den roem der Slimheid ligt verwerve,
    Want haare Onnozelheid helpt haar zelfs tot eene Erve.
DESDEMONA.
    Dit zyn al te dwaaze invallen, om Gekken in Bierhuizen aan ’t lagchen te brengen. welk een rampzaaligen Lof hebt gy dan voor een die lelyk en onnozel is?
JAGO.
    Wie gek en lelyk is, zal doch in veele zaaken,
    Zulk slegt getuig, als hy die slim en schoon is, maaken.
DESDEMONA.
    ô! Welk eene ongeschiktheid, gy pryst de slegtste het meeste. maar welk een lof zoud gy dan over een Vrouw, met waare verdiensten be-

    (g) DESDEMONA, neemt het gebruikte woord van JAGO, fair, hier in de betekening van blond.            VERTAALER.

[p. 42]
gaaft, uitdeelen? Over zulk eene, wiens verdiensten zo ontegenspreekelyk zyn, dat zy het op de uitspraak der boosheid zelfs durft laaten aankomen?
JAGO.
    Die altoos reizend was; nooit trots door Hovaardy,
    Een goede tong bezat, nooit klaagde met geschry.
    Die nimmer geld ontbrak, maar nooit zich dartel smukte;
    De wenschen, schoon zy daar Meestres van was, verdrukte.
    Die zelfs in toorn, wanneer heur drift de wraak aanried,
    Gelaaten bleef, en toorn en wraake vaaren liet.
    Die altoos wys was, nooit onnozel in haar leven,
    En nooit voor slegter goed een beter heeft gegeeven.
    Die, wat men haar vertrouwdd’ nooit kaakelend verried,
    En omkykt als een Zwerm van Jonkers naar heur ziet.
    Tot welk een Ampt zou zich deez’ Vrouw het beste buigen?
DESDEMONA.
    Wel nu waar toe dan?
JAGO.
    Als Rekenmeesteres, om ’t gek gebroed te zuigen.
DESDEMONA.
    ô! Welk een lam en kreupel slot is dit! — leerd toch niets van hem, Emilia, schoon hy uw Man is. wat dunkt U, Cassio; is hy geen vuilen en ligtvaardigen Zwetser?
CASSIO.
    Hy spreekt, zo als het hem op het het herte ligt, Mevrouw. de Soldaaten zullen hem beter bevallen als de Geleerden.
JAGO, (ter zyde.)
    Hy vat haar by de hand! — voortrefflyk! — fluisterd nu met elkander! — ik kan geen grooter [p. 43] Net als dit gebruiken, om zulk een groote Vlieg, als Cassio is, te verstrikken. Nu, Ja, lagt zo eensjes toe — gy zult in uwe eigen Complimenten gevangen worden. — gy hebt waarlyk recht; het is zo — wanneer dergelyke strykaadjes, als deze, U uw Luitenants plaats zullen ontweldigen, zo waar het beter, dat gy deze uwe drie Vingers niet zo gekust had, daar gy dezelve zo aanstonds weder schynt te willen kusschen! — ha! zeer goed. — wel gekuscht! — eene heerlyke Galanterie! in der daad. — ha, goed, weder de Vingers aan uwe Lippen. — ik wenschte dat het Klisteerspuiten voor U waaren; zo lief heb ik U. (Men hoord Trompetten.) Ha, daar komt de Moor, ik ken zyn Trompet.
CASSIO.
    Is het waarlyk zo?
DESDEMONA.
    Wy zullen hem te gemoete gaan, en hem ontvangen.
CASSIO.
    Wagt, hy komt daar al.



ZESDE TOONEEL.

OTHELLO, GEVOLG. De voorigen.

OTHELLO.
    ô! Myn schoone Heldin!
DESDEMONA.
    Myn waarde Othello!
OTHELLO.
    Ik verwonder my even zo sterk, als ik my verblyde, dat gy voor my reeds hier zyt aangelandt. ô Vreugde myner Ziele! wanneer op iederen Storm zulk eene Stilte volgt, dan mogen de Winden blaazen, tot zy den dood opgewekt hebben! zo mag [p. 44] het noodlydende Schip, tegens Zeebergen zo hoog als den Olympus opstuiven, en dan weder zo diep nederzinken als de Hel onder den Hemel is! moest ik nu sterven, dan waar ik op het toppunt der gelukzaligheid; doch ik vrees, dat het heil myner Ziele te volkomen is, dan dat ik zulk eene vreugde, in de onbekende toekomste zou kunnen verwagten.
DESDEMONA.
    Dat geeve den Hemel, dat onze liefde en vreede in evenredigheid moeten toeneemen, met onze dagen.
OTHELLO.
    Spreek Amen, daar op ô Hemel! — ik kan deze vreugde niet genoeg roemen; myn hart is te vol; het is te veel van U. — en dezen kusch. — en dezen — moet de grootste misklank zyn, die onze herten maaken.
JAGO, (ter zyde.)
    ô! Gy zyt nu in ’t geheel goed gestemd. maar ik zal dezen wervel omdraaijen, om een ander Muziek te maaken: waarlyk, dat zal ik.
OTHELLO.
    Kom, laat ons op ’t Slot gaan. weet gy wel, myne Vrienden, dat onzen Oorlog voorby is? de Turken zyn verdronken. hoe maaken het onze oude bekenden op dit Eiland? — Myn waarde, gy zult U hier in Cyprus zeer bemind maaken; ik heb hier veel vriendschap gevonden. ô! myn waarde! ik haspel alles door elkander; myne vreugde doet my my zelven vergeeten. Ik verzoek U, braave Jago, om aan de Ree te gaan, en myn Koffer uit het Schip te laaten brengen: laat de Stuurman dezelve op het Slot voeren, hy is een goed Man, en zyne verdiensten verdienen zeer veel achting. kom Desdemona, nog eenmaal welkom in Cyprus!
(Othello, Desdemona, en Gevolg vertrekken.)



[p. 45]

ZEVENDE TOONEEL.

JAGO. RODERIGO. BEDIENDEN,
(die terstond vertrekken.)

JAGO, (tegens de Bedienden)
    Gaat heen, naar de Haaven, ik zal U aanstonds volgen. (tegens Roderigo.) Kom nader, zo gy een dapper Man zyt. men pleeg toch te zeggen, dat de liefde ook aan geringe Lieden eenen grooteren Adel geeft, als zy uit de natuur hebben. Hoor eens, de Luitenant heeft deze nacht de Slotwagt. maar eerst moet ik U zeggen, dat Desdemona regt verlieft op hem is.
RODERIGO.
    Op hem? — ô! dat is onmoogelyk!
JAGO.
    Legt uwen Vinger zo. (b) en laat U zeggen wat gy weeten moet. bedenk eens hoe heftig zy reeds in den aanvang den Moor beminde, alleen om dat hy zwetste, en haar avontuurlyke Loogens vertelde. denkt gy, dat zy hem om dat gezwets, altoos zal beminnen? Wees toch zo eenvoudig niet om U zulks in te beelden. haare oogen moeten immers iets hebben. en wat voor genoegen kan het haar geeven, dat zy den Duivel aanziet? wanneer het hert van het genieten eeniger lusten verkouwd is, zo zyn ’er noodig om hetzelve weder te doen ontvlammen, en de verzaadiging nieuwe begeerte te geeven, een bekoorlyk gelaat, de Sympathie eens geoeffenden Mans, Zeden en Schoon-

    (b) Namelyk, op uwen mond, om denzelven te sluiten, wanneer gy een wyzer Man hoord spreeken!            JOHNSON.

[p. 46]
heden; alle eigenschappen die de Moor niet bezit. by het gebrek dezer eigenschappen zal zich haare tederheid bedroogen vinden, eerst zal zy den Moor moê werden, dan verdrietig, en eindelyk zal zy hem geheel verfoeijen; de natuur zelf zal haar dat leeren, en haar tot eene andere keuze noodigen. dit nu vastgesteld zynde, Vriend, — en dit is klaar en uitgemaakt —wie durft zich dan dit geluk met meerder hoop toeëigenen, als Cassio? — de handelbaarste Boef van de Waereld, die niet meer geweeten noch deugd bezit als den welstand vordert om onder de Scherm van eenen uitwendigen vorm eens bescheiden en beschaafd gedrag, zyne geheime en ontembaare afwykingen, des te zekerder op te hoopen? neen, anders niemant; niemant! — een slimme, doortrapte schurk; een gelegenheids vanger, wiens oogen voordeelige oogenblikken verdichten en bestempelen, schoon zy in den grond zich niet terstond aanbieden. een Duivelsche Boef! — met dat alles is de Knaap, lugtig. jong, en heeft alle de voorregten, waarna de dwaasheid en de onrype Jeugd het meeste vraagt. een geheel slegte Boef; en Desdemona kent hem reeds beter als gy wel denkt.
RODERIGO.
    Dat kan ik nooit van haar gelooven; zy is vol van de heerlykste eigenschappen.
JAGO.
    Heerlyk hier! Heerlyk daar! — de wyn die zy drinkt is uit druiven geperst. indien zy heerlyke eigenschappen hadt, zo had zy nooit op den Moor kunnen verlieven. — een schoone heerlykheid! — zag gy niet, hoe zy met zyn platte hand overal heen zwaaide? — hebt gy dat niet gemerkt?
RODERIGO.
    ô Ja, maar dat was uit wellevenheid.
JAGO.
    Hoerery was het, zo waar ik leeve! — een [p. 47]Vingerteken, een duistere Voorrede voor het Historisch Tooneelspel van wellust en booze gedachten. Zy kwamen elkander met haare lippen zo na dat den eenen adem den ander kuschte. dat zyn vervloekte gedachten, Roderigo! zo dra diergelyke geheime tekenen den weg baanen, zo volgt daar spoedig de daadelyke uitvoering, en de voleinding der Liefde op. — foei! — Maar Vriend, laat U van my raaden. Ik heb U van Venetiën meêgebragt. Trek deze nacht ter wagt, ik wil U daar bevel toe verschaffen. Cassio kent U niet. — Ik zal niet ver van U verwydert zyn. Zoek dan ergens eene gelegenheid; om Cassio boos te maaken; spreekt hem sterk tegen; of houd U wat met hem op; of doet slegts wat U invalt; en het geen de tyd en de omstandigheden U aan de hand geeven.
RODERIGO.
    Goed.
JAGO.
    Hy word ligt toornig, en is ras in woede; het zal ligt gebeuren kunnen, dat hy U een slag geeft. Terg hem daarom, dat hy zulks doet; want dat zal my gelegenheid geeven, de bewooners van Cyprus tegens hem gaande te maaken, die zich dan niet eerder zullen laaten bevreedigen, als door zyne verwydering van hier; op deze wyze komt gy zo veel te eerder tot uw doelwit, wyl ik dan ligter middel kan vinden om U te bevorderen, terwyl dan het hinder zeer voordeelig uit den weg is geruimd, dat ons zomtyds opgehouden zou hebben in onze voorneemens om gelukkig te zyn.
RODERIGO.
    Dat wil ik doen, indien gy my daar gelegenheid toe geeven kunt.
JAGO.
    Daar staa ik voor in. By de Citadel zullen wy elkander weêr spreeken. Ik moet den Moor zyne pakken eerst aan Land brengen. Vaar wel!
[p. 48]
RODERIGO.
    Vaar wel!



AGTSTE TOONEEL.

JAGO, alleen.

    Dat Cassio op haar verliefd is, geloof ik waarlyk; dat zy op hem verliefd is, is ten minste waarschynlyk en geloofbaar. de Moor — dat ik hem niet terstond van zyn ampt kan doen ontslaan? — is standvastig, vriendelyk en edel; en ik geloof zeer wel dat hy voor Desdemona een goed Gemaal is. thans bemin ik haar ook, echter met geene onweerstaanbaare lust — daar ik welligt van even groote Zonde Rekenschap moet geeven — maar in ’t bizonder om my aan den wellusttigen Moor te wreeken; van wien ik vermoede dat hy in myn Vaarwater gekomen is. de gedachten daar van, woeden, gelyk een verdervend gift in mynen boezem, en niets kan noch zal myne Ziele bevreedigen, voor ik hem op dezelve wyze vergolden heb: Wyf om Wyf! maar, drukt my dezen feil, zo moet ik den Moor ten minste zo minnenydig maaken, dat geen vernuft hem weder heelen kan. en zo deze armzaalige Venetiaan, die ik op zyn Spoor nagaa, met my nu stand houd, zo wil ik onze Michaël Cassio, by den Moor, zonder twyffel, geheel zwart maaken. — doch, ik vrees dat Cassio my ook in ’t Vaarwater zal komen omtrend myn Wyf. — ik wil maaken, dat de Moor my daar voor danken, my beminnen en beloonen zal, om dat ik hem zeer netjes tot eenen Ezel maak, en hem in zyne zoete rust op zulk eene wyze stoor, dat hy daar door verrukt is. dit alles is reeds ontworpen; maar nog verward: de Schelmery tekend haare waare gestalte nooit eerder, dan wanneer zy gepleegt is.



[p. 49]

NEGENDE TOONEEL. (*) (i)

Het Tooneel verbeeld een Straat.

Een HERAUT, die een Bevel uitroept.

    Het is Othello, onzen dapperen en Edelen Veldheers wille en bevel, dat op zekere ingekomene tyding, wegens den geheele ondergang des Turkschen Vloots, ieder zyne vreugde openlyk mag betuigen, het zy door dansen, het aansteeken van vreugdevuuren, of op eenige andere wyzen, naar welke ieder door zyne neiging gedreeven word, doch boven deze weldaadige Nieuwstyding, geeft zyn Huwlyksfeest ook aanleiding tot vreugde: dit moet, volgens zyn bevel, bekend gemaakt worden. alle Magazynen zyn geöpend, en het staat een ieder vry, van heden om zeven uuren aan, tot elf uuren vrolyk te zyn. het geluk blyve by het Eiland Cyprus, en by onzen Edelen Veldheer Othello.



TIENDE TOONEEL.

Het Tooneel verbeeld het Slot te Cyprus.

OTHELLO, DESDEMONA, CASSIO, GEVOLG.
OTHELLO.
    Myn waarde Cassio, zorg deze nacht oplettend op de Wacht. wy moeten zelfs een staal van de

    (i) Dit Tooneel is overtollig, doende niets ter zaake. VERTAALER.

[p. 50]
roemwaardigste maatigheid zyn, en onze vreugde niet over de grenzen dryven.
CASSIO.
    Jago heeft reeds bericht gekreegen wat hy doen moet; echter wil ik toch zelf een oog op alles houden.
OTHELLO.
    Jago is een eerlyk man. — goede nacht, Cassio. morgen vroeg zal ik met U spreeken. — kom, waarde Desdemona; de koop is gemaakt, nu volgt, de genieting. dit voordeel hebben wy beiden nog te verwagten. — goede nacht.



ELFDE TOONEEL.

CASSIO, JAGO.

CASSIO.
    Welkom Jago. wy moeten naar de Wacht.
JAGO.
    Noch niet, Luitenant; het is noch geen tien uuren. onze Generaal heeft ons, ten gevalle van Desdemona, zo vroeg verlaaten, en wy kunnen dat niet kwalyk neemen. het is zyn eerste nacht; en zy is een Jupiter waardig.
CASSIO.
    Zy is een voortreffelyke Vrouw.
JAGO.
    En zy bemind het Spel. dat verzeker ik U.
CASSIO.
    Zy is waarlyk een zeer onschuldig en schoon Schepsel.
JAGO.
    Welke oogen heeft zy! het is of dezelve iemant ten stryd daagen.
CASSIO.
    Lieve en aanzienlyke oogen, en echter, zo ’t my toeschynt, zeer zedig.
[p. 51]
JAGO.
    En wanneer zy spreekt, is dat geen waare wapenkreet tot liefde?
CASSIO.
    Zy is de volkomenheid waarlyk zelf.
JAGO.
    Nu, veel geluk, op haar hoogtyds-nacht. — kom Luitenant, ik heb een fles wyn; en daar staan een paar jonge Cypriers hier buiten, die gaarne eens op den zwarten Othello zyn gezondheid willen drinken.
CASSIO.
    Dezen avond niet, Jago. myn hoofd is zeer zwak en geheel ongeschikt tot drinken. ik zou wel wenschen dat de wellevenheid eene andere gewoonte invoerde, om zich te onderhouden.
JAGO.
    ô! Het zyn goede Vrienden, maar een glaasje: ik wil voor U drinken.
CASSIO.
    Ik heb dezen avond slegts een glaasje gedronken, dat nog wel met water gemengd was, en ziet eens, welke veranderingen het op myn gezicht reeds gemaakt heeft. het is een ongeluk voor my, dat ik zo weinig verdragen kan: maar ik waag het niet myne zwakheid nog grooter te maaken.
JAGO.
    Ei Vriend, deze nacht is tot vreugde bestemd; de jonge Cypriers verwagten het.
CASSIO.
    Waar zyn zy dan?
JAGO.
    Hier even buiten. ik bid U, roep ze binnen.
CASSIO.
    Ik zal het doen; echter niet gaarne.



[p. 52]

TWAALFDE TOONEEL.

JAGO, alleen.

    Wanneer ik hem, boven het geen hy dezen avond reeds gedronken heeft, nu nog een glas inkrygen kan, zo zal hy zo korsel en bytend zyn, als myne jonge Vrouw haar hond. — myn arme druipert, Roderigo, die de liefde omtrend volkomen de verkeerde zyde toegekeerd heeft, heeft deze nacht menigen fles op Desdemona’s gezondheid geleegd; en heeft boven dien deze nacht de Wacht. Drie jonge Cypriers, frissche, sterke Lieden; die zeer op haar punt van eer staan; en zo strydvaardig zyn als de woedende Elementen van dit krygzugtig Eiland, heb ik dezen avond met volle Beekers ook schoon toegedekt; en dezen zyn ook met my op de Wacht. onder deze schaar van halfdronkenen Tuimelaars, zal het my dus gantsch niet zwaar vallen onze Cassio ergens in eenen Handel te wikkelen, waar door hy dit geheele Eiland kan beleedigen — maar daar komen zy. Indien het gevolg van myn’ droom in waarheid verandert, zo zal myn Boot gelukkig voor wind en stroom zeilen.



DERTIENDE TOONEEL.

JAGO, CASSIO, MONTANO, EDELLIEDEN.

CASSIO.
    Waarachtig! zy hebben my reeds een roes toegebragt.
MONTANO.
    ô Heeden! een zeer klein roesje, niet boven een Pintje; zo waar ik een Soldaat ben.
[p. 53]
JAGO.
    Ho! wyn hier! ho!
Hy zingt:
      Kom laat ons klinken t’saam; klink! klink!
      Klink, braave Helden, leef en drink!
      Elk leef gelyk een Oorlogs-Man,
      Het leven is slegts eene span!
      Soldaaten! drink! drink! drink!
Geef hier wyn, Jongen! —
CASSIO.
    Dat is by me Ziel, een aartig Lied.
JAGO.
    Ik heb het in Engeland geleerd, daar zy waarlyk goede slokkers zyn. De Deenen; de Duitschers; de dikbuikige Hollanders. (k) — ho! in ’t drinken; zyn zy niets tegens de Engelschen.
CASSIO.
    Is de Engelschman zulk een grooten drinker?
JAGO.
    Ja, schoon. hy drinkt met groot gemak de Deenen ter aarde; het valt hem nooit moeijelyk de Duitschers omver te zuipen; de Hollanders geeft hy een braakmiddel in eer de tweede fles kan gevuld worden.
CASSIO.
    Op de gezondheid van onzen Generaal.
MONTANO.
    Daar ben ik ook by, Luitenant; ik zal U bescheid doen.

    (k) Hoe gaarne zet men op een anders rekening wat men zelve schuldig is. worden ’er ooit Menschen voor wolzakken gehouden, zo zyn het zekerlyk de Engelschen; die, over ’t algemeen, van hun buik, hun god maaken.            VERTAALER.

[p. 54]
JAGO.
Hoezée! dat lieve Engeland!

Hy zingt.
        Vorst Steeven was een braaven Heer,
        Zyn kousen kosten hem maar één kroon;
        Dit was hem toch zes stuivers te veel:
        Dus kreeg de Snyder wat vloeken ten loon.
        Hy was toch ryk, en wys: en gy
        Zyt tegens hem zeer arm en dom:
        Maar overmoed, doet zelden goed.
        Slaat uwen ouden Mantel om. (l)

    (l) Dit Couplet is uit eene oude Engelsche Ballade genoomen, welke PERCY onder den toenmaals rymkunstigen Tytel: Take thy old cloak about thee, in het eerste Deel zyner Reliques pag. 188. ingevoegt heeft. het is een tweespraak tusschen een Boer en zyn Vrouw. de Een wil zich een’ nieuwen mantel koopen; de andere raad hem zyn geld te spaaren, en den ouden mantel om te hangen; en zoekt hem daar toe door voorbeelden over te haalen.
ESCHENBURG.
    Het voorgaande Couplet is zekerlyk in een vryën trant berymd, slaande HEER op VEEL enz, dan het zal echter tegen onze Boerendeunen en Amsterdamsche Liedjes wel kunnen monsteren: ziet hier evenwel om den Zin over het geheel te toetsen het origineele Couplet van SHAKESPEAR.

        King Stephen was an a worthy peer,
            His breeches cost him but a crown;
        He held them sixpence all too dear,
            With that he call’d the taylor lown.
[p. 55n]
        He was a wight of high renown.
            And thou art but of low degree:
        ’T is pride that pulls the Country down,
            Then take thine auld Cloak about thee.

VERTAALER.

[p. 55]
CASSIO.
    ô! Dat Lied is nog heerlyker als het eerste.
JAGO.
    Wilt gy het nog eens hooren?
CASSIO.
    Neen, want ik acht hem geen plaatse waardig, die zulke dingen doet — nu goed. — de Hemel is over ons allen; en het is ’er thans zo meê dat eenige Zielen zaalig worden, en anderen niet zaalig worden.
JAGO.
    Dat is waar, lieve Luitenant.
CASSIO.
    Voor myn deel — zonder onzen Generaal of een enkel Staatspersoon te na te spreeken. — ik hoop zaalig te worden.
JAGO.
    En ik ook, Luitenant.
CASSIO.
    Zeer goed, maar met uw verlof, niet eerder als ik. de Luitenant moet voor den Vaendrich zaalig worden — maar genoeg daar van — wy willen van onze zaaken spreeken — vergeef ons onze zonden! — Myne Heeren, laat ons aan onze verrichting gaan — gelooft niet, Myn Heeren, dat ik dronken ben. — deezen is myn Vaendrich — dat is myn regterhand, en dat is myn linkerhand. Ik ben noch niet dronken; ik kan noch taamelyk goed staan; en redelyk goed spreeken.
[p. 56]
ALLEN.
    Uitneemend goed.
CASSIO.
    Nu, zeer goed. gy moet dan ook niet denken dat ik dronken ben.



VEERTIENDE TOONEEL.

JAGO, MONTANO, EDELLIEDEN.

MONTANO.
    Naar het Terras, Myne Heeren; laat ons de Wacht bezetten.
JAGO.
    Ziet gy dat jonge Mensch daar dat voor uit gegaan is; hy is een goed Soldaat; waardig om aan de zyde van Caesar te staan, en onder hem bevelen te geeven. maar gy ziet zyn feilen ook; hy maakt door zyn deugd de daagen gelyk; de een is by hem zo lang als den ander. het is schaadelyk voor hem. ik vrees maar, dat het vertrouwen, dat Othello in hem steld, eens in zulk een ongelukkig oogenblik het verderf van dit Eiland zou kunnen zyn.
MONTANO.
    Is hy dan nog zo?
JAGO.
    Altoos voor hy slaapen gaat. hy kan vier-en-twintig uuren in eens voort waaken; indien de drank hem niet in den sluimer wiegt.
MONTANO.
    Het zou goed zyn dat men den Generaal een wenk daar van gaf. mogelyk weet hy het niet; of zyn goed gemoed is van de goede eigenschappen die Cassio laat blyken, zo ingenoomen, dat hy zyne ondeugden niet en ziet. niet waar?
(Roderigo komt op het Tooneel.)
[p. 57]
JAGO.
    Hoe! hier, Roderigo? — ik bid U, gaat toch den Luitenant na.
(Roderigo vertrekt.)
MONTANO.
    Het is waarlyk te bedroeven, dat den Edelen Moor een zo gewigtige plaatse, de naaste aan de zyne zynde, een Man aan vertrouwd, welke met zulke ingewortelde gebreken behept is. het zou redelyk gehandelt zyn, wanneer men den Moor zulks zeide.
JAGO.
    Dat doen ik niet, al kost ik daar dit schoone Eiland zelfs meê winnen. Cassio is myn Vriend, en ik zou gaarne alles werkstellig maaken, om hem van deze feil te geneezen. maar stil, wat is dat voor een geschreeuw?
Men roept agter de Schermen.
    Help! help!



VYFTIENDE TOONEEL.

CASSIO, RODERIGO. De voorigen.

CASSIO.
    Gy Schelm! Gy Schurk!
MONTANO.
    Wat is ’t Luitenant?
CASSIO.
    Een Spitsboev! — my myne plichten te leeren! — ik zal den Schurk in een Pints fles kloppen.
RODERIGO.
    My kloppen!
CASSIO.
    Spreekt gy nog, Schurk!
[p. 58]
MONTANO, (hem te rug houdende.)
    Stil toch, waarde Luitenant; ik bid U, houd op.
CASSIO.
    Laat my begaan, Myn Heer, of gy krygt op uw bek.
MONTANO.
    Kom, kom, gy zyt dronken.
CASSIO.
    Dronken? (Hy trekt den degen tegens Montano,
                              welke zich te weêr steld.
)
JAGO.
    Ga heen, Roderigo. ga en maak gerugt. (Roderigo vertrekt.) Neen, waarde Luitenant. — myn goede Vrienden — help! help! — Luitenant. — Vriend — Montano — Vriend — help, Myn Heeren — dat is een schoone Wacht voor my! — waarachtig! wat is dat toch? de Stormklok luidt? — de Duivel haal, de gantsche Stad zal in beweeging komen — foei! foei! Luitenant, houd op. — dit zal U eeuwig tot schande strekken.



ZESTIENDE TOONEEL.

OTHELLO, GEVOLG. De voorigen.

OTHELLO.
    Wat is hier te doen?
MONTANO.
    Ik bloed sterk; ik ben doodelyk gewondt. — hy zal sterven.
OTHELLO.
    Houd op, indien uw leven uw lief is.
JAGO.
    Houd op, Luitenant! — Vriend — Montano — Myn Heeren — hebt gy dan heelenäl vergeeten waar gy zyt, en wie hier is? — [p. 59] houd op! houd op, zeg ik. de Generaal spreekt met U, schaamd U toch, en houd op.
OTHELLO.
    Houd op, wat zal dat zyn? wie is de aanvoerder hier van? zyn wy dan Turken geworden, en doen wy aan ons zelve, wat den Hemel aan de Ottomannen verbooden heeft? Wilt gy Christenen zyn, zo schaamt U toch, en maakt van dit onmenschelyk gevegt een einde: de eerste welke zich noch verroerd, en zyne woede den teugel wil vieren, heeft zyn leven verbeurd; hy staat op de plaatse des doods — laat de Stormklok stil zyn; hy ontrust het geheele Eiland. Wat is ’er dan voorgevallen, Mannen? — Gy braave Jago, welke van ontsteltenis bleek ’er uitziet, zeg my, wie was hier den aanlegger van? Zeg my de waarheid, zo waard ik U ben.
JAGO.
    Ik weet het niet — zy waaren allen even goede Vrienden, daar even nog in haar Quartier zo vriendelyk als Bruid en Bruidegom, die zich te bed willen begeeven: en daar na, in eens — als of een Dwaalsterre haar vernuft heeft genomen — zyn zy met haare degens in de Weêr; en waagen lyf en leven tegen elkander. ik kan niet zeggen, wat eigenlyk aanleiding tot dezen onzinnigen twist gegeeven heeft; maar ik wenschte, dat ik ergens in eenen beroemden Slag deze beenen verlooren had, welke my hier gebragt hebben, om dit gedeelte nog mede aan te zien.
OTHELLO.
    Hoe komt het Cassio, dat gy U zo vergeeten hebt?
CASSIO.
    Ik bid U, verschoon my, ik kan niet spreeken.
OTHELLO.
    Waarde Montano. gy zyt een stillevend Man; de Waereld geeft U den roem, van een stil en [p. 60] zedig Jongeling; en de wyste Lieden roemen uwe naam met hoogachting, hoe komt het dan, dat gy die grooten lof zo ligtvaardig verslindt; en de goede gedachten der Waereld voor de naam eens nachtzwermers gaat verwisselen? — Antwoord my.
MONTANO.
    Waarde Othello, ik ben gevaarlyk gewondt. Uw Vaendrich Jago, kan U alles zeggen. — Ik spaare in dezen de moeite van spreeken, dat my thans te zuur valt om alles te zeggen wat ik weet. Ook weet ik niet wat ik dezen avond kwaads gezegt of gedaan heb; of zou de zorge voor zich zelve, zomtyds een laster; en de zelfsverdeediging, wanneer men ons geweldaadig overvalt, eene zonde zyn?
OTHELLO.
    Nu, by den Hemel! myn bloed begint meester van myn vernuft te worden; en de hartstocht die alle myne overleggingen verdonkerd, word thans myne aanvoerster. zo ik eenmaal moeilyk word, of dezen arm ophef. zo moet de beste van U onder mynen toorn nederbukken. doet my weeten, wie dezen schandelyken twist begon; wie ’er aanleiding toe gaf; en hy welke daar aan schuldig bevonden wordt, heeft myne Vriendschap verlooren, al was hy myn Broeder en met my in eenen dracht gebaard. — hoe, in een byna belegerde Stad, waar alles nog in onrust is; daar de harten van ’t Volk nog vol vrees zyn; onder zich een vegtparty en geschreeuw aan te regten! en dat by nacht, en op de Wacht, die eene bescherming der algemeene zekerheid zyn moet? dat is verfoeilyk! — Wie begon eerst, Jago?
MONTANO.
    Wanneer gy uit partyzucht, vriendschap, of amptgenootschap, meer of minder zegt, als de waarheid, zo zyt gy geen braaf Soldaat.
[p. 61]
JAGO.
    Leg my dit zo na niet. Ik zou my liever de tong uit den mond laten rukken, als nadeelig voor Cassio spreeken; intusschen geloof ik dat het hem geen schaade kan veroorzaaken; indien ik de waarheid spreek. de Zaak is dus, Heer Generaal. Montano en ik stonden saamen te spreeken; in eens komt ’er een aanloopen, die om hulp schreeuwde, en Cassio met de bloote degen hem na, denkelyk om hem daar voor te straffen. Montano ging Cassio tegen, en bad hem gerust te zyn; ik echter liep zelfs den schreeuwenden Mensche naar, op dat hy door zyn geweld de gantsche Stad niet in verwarring zou brengen, zo als hy werkelyk gedaan heeft. hy was my echter te ras ter been, en ik kon myn oogmerk niet bereiken. ik keerde te rug, te meer om dat ik den klank en het gestoot der degens, en Cassio’s geweldige vloeken hoorde; welke ik nooit van hem gehoord hadt. als ik terstond daarop weder kwam, vond ik hen in een heet gevegt tegens elkander, even als zy voor de tweedemaal waaren, toen gy zelfs hen van elkander scheiden. meer kan ik van dit voorval niet berichten. Maar Menschen zyn Menschen; de beste zelfs vergeeten zich zomtyds; en al was het dat Cassio zo veel aan hem gedaan had, gelyk men in zyne woede, zyne beste Vrienden slaat, zo geloof ik toch zeker, dat Cassio van de geen die voor hem liep, ergens op eene onördentelyke wyze beledigt is, waar by hy niet gelaaten kon blyven.
OTHELLO.
    Ik zie Jago, dat uwe redelykheid en vriendschap de zaak middelt, en de schuld van Cassio ligt tracht te maaken. — Cassio, ik ben uw Vriend; maar gy zyt myn Officier niet meer. — zie daar, myn waarde Desdemona is reeds opgestaan, ik zal haar voor andere Vrouwen ten voorbeeld stellen.



[p. 62]

ZEVENTIENDE TOONEEL.

DESDEMONA, GEVOLG. De voorigen.

DESDEMONA.
    Wat is hier te doen, myn Waarde?
OTHELLO.
    Het is alles reeds geschikt, myn lief. kom mede naar bed. — (tegens Montano.) ik zal zelfs de Heelmeester uwer Wonden zyn — voerd hem naar huis — Jago, ziet toch in de Stad eens om, of alles in rust is; en stilt de gemoederen van hen, welke door dit schandelyk gerucht onrustig geworden zyn. — kom Desdemona. ’t is de Soldaaten nutter, dat haare gebalzemde Sluimering nergens door eenige twisten gestoord word.



ACHTTIENDE TOONEEL.

JAGO, CASSIO.

JAGO.
    Gy zyt doch doch niet gewondt Luitenant?
CASSIO.
    Zo sterk, dat geen Heelmeester my geneezen kan.
JAGO.
    Dat verhoede den Hemel!
CASSIO.
    Myn Eer! myn Eer! myn Eer! — ach! ik heb myn eer verlooren! ik heb het onsterflyk deel van my zelfs verlooren, en het geen my nog overblyft heb ik met de dieren gemeen! myn goede naam! Jago, myn goede naam.
[p. 63]
JAGO.
    Ik dacht waarlyk dat gy ergens een wond in ’t Ligchaam gekreegen hadt; dat hadt wat meer te beduiden, als uw goede naam. de Eer is eene ydele en uiterlyke valsche hersenschim, word dikmaals zonder verdiensten verkreegen, en zonder schuld verlooren. gy hebt, in den grond aangemerkt zynde, niets verlooren wanneer gy U niet inbeeldt wat verlooren te hebben. ho, myn Vriend, ’er is een goed middel om den Generaal weder goed te maaken. hy heeft U in de eerste hitte verstooten; een straf, die meer staatkunde als boosheid ten grondslag heeft; en dat even eens is, of iemant zyn onschuldigen hond sloeg, om eenen woedende Leeuw daar mede te verschrikken. geef hem weder goede woorden, dan zal hy uw Vriend zyn.
CASSIO.
    Ik wil liever goede woorden geeven om verfoeid te worden, als een zoo goeden Generaal, met zulk een slegten, zulk een verzoopenen en onbedachtzaamen Officier te bedriegen. — zich vol te drinken, als een Papegaay te klappen! slegte handelingen te beginnen! grootspreeken! vloeken! en dom getuig met zyn eigen schaduwe te drygen. — ô Gy onzichtbaare geest des wyns, indien gy noch geen andere naamen hebt, waar by men U noemen kan; zo heet — Duivel! —
JAGO.
    Wie was dat welke gy met den degen vervolgde? wat hadt hy U gedaan?
CASSIO.
    Dat weet ik niet.
JAGO.
    Is ’t mogelyk!
CASSIO.
    Ik kan ny verscheiden dingen erinneren, maar aan niets duidelyk; aan eenen twist; maar niet aan de oorzaak. — ô! Dat men den Vyand in [p. 64] zynen mond inneemen kan om zyne hersenen te laaten steelen! dat wy ons met vreugde en wellust, zwierende en juichende in waare beesten kunnen veranderen.
JAGO.
    Nu, gy zyt toch nu weder geheel by U zelve. hoe hebt gy U zo spoedig dan weder herhaald.
CASSIO.
    Het geviel den Duivel dronkenschap, den Duivel toorn plaats te maaken. de eene misslag vervoerde my tot den ander, om my in myn eigen oogen regt veragtelyk te maaken.
JAGO.
    ô! Loop; gy zyt een veel te strengen Zedemeester. waarlyk, wanneer ik de tyd, de plaats, en de tegenwoordige legging van dit Land bedenk, dan wensch ik hartelyk, dat dit geschil niet voorgevallen was; maar daar het nu reeds zo is, gelyk het is, zo zoek ik tot uw eigen beste het weder goed te maaken.
CASSIO.
    Zo ik hem weder om myne plaatse verzoek, zal hy my zeggen, dat ik een Dronkaart ben! — al had ik zo veel monden als Hydra, zulk een antwoord zou hen allen stoppen. eerst een verstandig Mensch te zyn, aanstonds daar op een Gek; en terstond weder een Beest! — ô! dat is onverzettelyk! — ieder glas dat men te veel drinkt, is vervloekt; en wat daar in is; is een Duivel!
JAGO.
    Heel en al niet. goede wyn is een goed en gezellig Schepsel, wanneer men met hem weet om te gaan; scheld niet verder daar op. ik hoop doch, myn waarde Luitenant; dat gy my voor uwen waaren Vriend houdt!
CASSIO.
    Ik heb daar proeven van gehadt — ik dronken!
[p. 65]
JAGO.
    Gy, en ieder Mensch kan zich wel eens dronken drinken, Vriend. ik wil U zeggen wat gy te doen hebt. onze Generaals Vrouw is thans Generaal — ik mag zulks wel zeggen, terwyl hy zich in ’t geheel aan de betrachting, beschouwing en beheersching haarer schoonheid en volkomenheden heeft toegewydt. Biegt haar alles vry uit, en dringt daar op aan, dat zy U weder in uw plaatse helpt. Zy is van zulk een openhartig, bevallig, bekwaam, en gelukkig gemoed, dat zy het voor een gebrek aan goedheid houden zal om niet nog meer te doen, als gy van haar durft verzoeken. Bid haar, de gebrooken band tusschen U en haaren Man weder te saamen te knoopen; en ik zet al myn vermoogen tegens een speldekop, dat uwe vriendschap door deze breuk nog sterker word als zy voorheen was.
CASSIO.
    Uw raad is goed.
JAGO.
    Hy is ten minsten goed gemeend; dat kan ik U verzekeren.
CASSIO.
    Daar van ben ik overtuigd. Morgen al vroeg, wil ik de deugdminnnende Desdemona bidden myn voorspraak te zyn: myn geheele geluk is voort, wanneer men my zo smaadelyk van hier jaagt.
JAGO.
    Gy hebt gelyk. goede nacht Luitenant! ik moet op de Wacht zyn.
CASSIO.
Goede nacht, eerlyke Jago.



[p. 66]

NEGENTIENDE TOONEEL.

JAGO, alleen.

    Wie is ’er nu, die zeggen kan dat ik den booswigt speel? is dan den raad die ik hem geef ongeschikt*of oneerlyk? is hy niet naar alle waarschynlykheid goed, en den besten weg om den Moor weder te winnen? Want, het is zeer ligt, de goedhertige Desdemona tot eene geöorloofde Voorspraak te beweegen; zy is zo liefderyk en weldaadig, als de vryë en geevende Elementen. en hierna is het ook haar zeer ligt den Moor te winnen. zou hy zyn doopverbond, en alle zegelen en verzekeringen zyner verlossing ontzeggen? zyn Ziel is aan zyne liefde zo vast gekleeft dat zy doen en laaten kan wat haar bevalt, en wanneer het haar eigenzin eens belieft, met zyne zwakte den spot te dryven. Ben ik nu dan een booswigt, wanneer ik Cassio den weg wys die hem regt uit naar zyn geluk voerd. — Theologie der helle! wanneer de Duivel zyne zwarte zonden gedaan wil zien, zo komt hy ons in hemelsche gestalte, zo als ik thans doe, te vooren — want in de tyd dat deze eerlyke Gek, Desdemona beweegt om hem weder tot zyn geluk te helpen, en zy voor hem by den Moor de sterkste bede doet, wil ik hem de vergiftigste argwaan in de ooren blaazen, als of zy hem tot blussing haarer lusten hem hier wenschte te houden; en hoe yveriger zy zich bemoeijen zal om hem te dienen, zo veel te meer zal zy zich verdacht by den Moor maaken. dus zal ik haar deugd zo zwart als pek maaken; en zelfs uit haare goedhertigheid het net breiden, waar in zy alle gevangen zullen worden. — Nu, Roderigo.



[p. 67]

TWINTIGSTE TOONEEL.

JAGO, RODERIGO.

RODERIGO.
    Ik loop hier op de Jagt, niet als een Hond die naarloopt, maar in ’t bizonder als een die helpt ombaffen. myn geld is omtrend reeds doorgebragt; ik ben deze nacht helder afgeklopt; en ik denk dat het einde van dit Liedje zyn zal, dat ik voor alle myne moeite slegts zo veel ondervinding meer heb, en daarna met een leêren zak, en een weinigje meer verstand, naar Venetiën weder te rug zal moeten keeren.
JAGO.
    Welke elendige Lieden zyn het toch, welke geen geduld hebben. hoe heeld men een Wond anders als langzamerhand? Gy weet dat wy niet hexen kunnen, zonder dat wy naar ’t verstand handelen; en ’t verstand hangt van de gelegenheid des tyds af. gaat het dan niet goed? Cassio heeft U geslaagen, en gy hebt door een kleine Wond gemaakt dat Cassio afgezet is. Wanneer ’er eenige dingen in weêrwil der Zonne goed groeijen; zo worden de Vrugten die eerst bloeijen evenwel het eerste ryp. — hebt nog een weinig geduld — waarachtig het is reeds dag! — het vergenoegen en*de werkzaamheid maaken lange uuren kort. verwyder U hier van daan; ga op uw post; — ga zeg ik — gy zult ras meer ondervinden — nu gaat toch heen.



[p. 68]

EEN-EN-TWINTIGSTE TOONEEL.

JAGO, alleen.

    Nu zyn ’er nog twee Zaaken te doen. myn Vrouw moet voor Cassio met Desdemona spreeken; daar zal ik haar zelfs toe overhaalen. ik wil aan den anderen kant den Moor ter zyde neemen, en hem niet eerder weder verschynen laaten, als op die tyd, wanneer hy Cassio by zyn Vrouw al biddende verrasschen kan. Ja, zo moet het gaan: dus zal het yzer aanstonds gesmeed werden terwyl het nog warm is.

Einde van het Tweede Bedryf.
Continue
[
p. 69]

DERDE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

Het Tooneel verbeeld het Slot.

CASSIO, MUSIKANTEN.

CASSIO.
Speelt eens op Heeren. — ik zal U voor de moeite betaalen — een Stuk dat niet te lang is; en den Generaal een goeden morgen wenscht.
(De Musikanten Speelen. daar na komt Clown.)
CLOWN.
    Nu, Vrienden; zyn uw Instrumenten eens in Napels geweest, (m) dat ze zo door de neus spreeken.
MUSIKANT.
    Hoe! myn Heer, hoe!
CLOWN.
    Zeg my eens, zyn dat Blaas-Instrumenten?
MUSIKANT.
    Ja, zekerlyk. (n)

    (m) De Venusziekte wierd eerst by de beleegering van Napels in Europa bekend.        JOHNSON.
    (n) In ’t Engelsch volgen hier twee Woorspeelingen; namelyk:
CLOWN.
                    Oh thereby hangs a tail.
MUSIKANT.*
                    Whereby hangs a tale, Sir?
[p. 70n] welke niet wel over te zetten zyn; en om haare ontuchtigheid ook weinig nut zouden doen.        VERTAALER.

[p. 70]
CLOWN.
    Nu goed — daar hebt gy uw geld. uwe Muziek bevalt den Generaal zo wel, dat hy U, om al wat in de Waereld is bidden laat, geen geluid daar mede te maaken.
MUSIKANT.
    Goed Myn Heer, wy zullen niet.
CLOWN.
    Hebt gy ook Muziek die men niet hooren kan, zo speeld maar voort; maar Muziek te hooren, daar zal de Generaal geen bizonderen Liefhebber van zyn.
MUSIKANT.
    Zulk een Muziek hebben wy niet, Myn Heer!
CLOWN.
    Steekt dan uwe pypen maar weêr in uw zak, want ik moet weder voort. gaat, en verdwynt in niets; voort.
(De Musikanten vertrekken.)
CASSIO.
    Hoort gy, myn eerlyke Vriend?
CLOWN.
    Neen, uw eerlyke Vriend hoor ik niet, ik hoor U.
CASSIO.
    ô! Laat uwe gekheid nu toch agter. daar is een klein goudstuk. wanneer de Kamerjuffrouw van den Generaal zyn Vrouw by der hand is, zo zegt haar, dat ’er eene zekere Cassio is, die haar verlof vraagt om een paar woorden met haar te spreeken. wilt gy dat doen.
CLOWN.
    Zy is reeds by de hand, Myn Heer; wanneer zy ook hier by de hand wil zyn, zo zal ik het U doen weeten.



[p. 71]

TWEEDE TOONEEL.

CASSIO, JAGO.

CASSIO.
    Doet dat myn goede Vriend. — (tegen Jago.)
Gy komt regt van pas, Jago.
JAGO.
    Gy zyt toch niet te bed geweest?
CASSIO.
    ô Neen; de dag brak reeds aan, eer wy van elkander scheiden. Ik ben zo vry geweest, Jago, om uw Vrouw te laaten roepen; ik zal haar verzoeken, om my by de Edele Desdemona gehoor te doen verkrygen.
JAGO.
    Ik zal haar terstond hier zenden, en terwyl op een middel denken, om den Moor ter zyden te trekken, op dat gy zo veel te ongestoorder met Desdemona spreeken kunt.
CASSIO.
    Ik ben U zeer verplicht. — ,, in al myn leven heb ik geen wellevender en redelyker Florentyner gekent.”



DERDE TOONEEL.

CASSIO, EMILIA.

EMILIA.
    Goeden morgen, waarden Heer, Luitenant. het doet my leed, dat gy verdriet hebt gehad; maar ik hoop dat het spoedig weder zal in order zyn. de Generaal en zyne Gemalin spreeken met elkander daar van, en zy neemt uw party op het sterkste. de Moor beweerd, dat hy, die gy gewond hebt, [p. 72] een aanzienlyk Man in Cyprus, en van een groote Familie is, hy kon daarom, naar alle welvoeglykheid, niet anders doen als U afdanken. echter verzekerd hy dat gy zyn Vriend zyt, en gebruikt geen anderen voorspreeker, als zyn eigene Vriendschap; om zich by de eerste en beste gelegenheid daar van te bedienen, om U weder te herstellen.
CASSIO.
    Ik bid U echter Emilia, wanneer gy het voor goed houd, en hetzelve kund volvoeren; verschaf my eens gelegenheid, om een paar woorden met Desdemona alleen te kunnen spreeken.
EMILIA.
    Kom, gaat mede. ik zal U aan eene plaatse brengen, daar gy tyd genoeg vinden zult om haar alles te zeggen, wat gy op het hart hebt.
CASSIO.
    Ik ben U zeer verplicht.



VIERDE TOONEEL. (*)

Het Tooneel verbeeld een Kamer op het Slot.

OTHELLO, JAGO, EDELLIEDEN.

OTHELLO.
    Geeft den Schipper deze brieven Jago, en laat hem de Regeering myne gevoelens vermelden. ik wil thans een wandeling langs de Vestingwerken doen. Kom, gaat mede.
JAGO.
    Zeer wel, Myn Heer.
OTHELLO.
    Willen wy gaan, Myn Heeren, en de Vesting bezien?
EDELLIEDEN.
    Wy wagten op uw bevel, Myn Heer.



[p. 73]

VYFDE TOONEEL. (*)

Het Tooneel verbeeld eene andere Kamer op het Slot.

DESDEMONA, CASSIO, EMILIA.

DESDEMONA.
    Zyt verzeekerd, waarde Cassio, dat ik al wat my mogelyk is, tot uw bestwil zal verrichten.
EMILIA.
    Doet dat, Mevrouw. ik weet dat het myn Man zo sterk treft, als of het hem zelfs was overgekomen.
DESDEMONA.
    ô! Dat is een eerlyk Man. twyffeld ’er niet aan, Cassio; ik wil myn Gemaal en U weder op denzelven Vriendschappelyken voet brengen.
CASSIO.
    Myn waarde Mevrouw, het mag met my gaan hoedaanig het wil, ik zal echter altoos uw nederigen Dienaar zyn.
DESDEMONA.
    Ik dank U Cassio, gy bemind myn Gemaal; gy kent hem reeds lange; weest dus verzeekerd dat hy in zyne verwydering niet verder van U zal gaan, als zyn oogmerk het noodig vindt.
CASSIO.
    Zeer wel Mevrouw. maar deze strengheid kan daar tegen zo lang duuren; of hy kan daar toe zulke zwakke en weinig beduidenden gronden hebben; of daar kunnen zo veele verhinderingen tusschen komen, dat myn Generaal eindelyk, wanneer ik afweezend ben, en myne plaatse bezet is, myne hoogachting en dienst vergeet.
[p. 74]
DESDEMONA.
    Vrees daar niet voor: hier in Emiliaas tegenwoordigheid verzeker ik U, dat gy uwe plaatse weder bekomen zult. geloof my, wanneer ik myn Vriendschap aan iemant toezeg, zo volbreng ik het beloofde tot het uiterste puntje. Myn Gemaal zal geen rust hebben. ik wil hem tam waaken (o), en hem zo lang daar van voorpraaten, dat hy het moede word: by de Maaltyd en in myn Slaapkamer, zal het myn bestendig onderwerp zyn. ik wil in alles wat hy voorneemt, Cassio’s verzoek inmengen. Zyt dus gerust Cassio: uw voorspreekster zal eerder sterven als uwe zaak opgeeven.
        (Othello en Jago, komen in ’t verschiet op ’t Tooneel.)
EMILIA.
    Mevrouw, daar komt Myn Heer! uw Gemaal.
CASSIO.
    Ik beveel my in uwe gedachten, Mevrouw.
DESDEMONA.
    Neen, blyf hier en hoor my spreeken.
CASSIO.
    Thans niet Mevrouw, ik ben gantsch niet wel, en geenszins geschikt om myn oogmerk te bereiken.
DESDEMONA.
    Goed. naar uw goedvinden.

    (o) Dit is vermoedelyk eene Zinspeeling op de Valkenjagt. de Valkeniers maaken hunne Valken tam door hen uit den slaap te houden. om zulks te beter te bezorgen, waaken zy afwisselende, zo dat de Valk zyne oogen nooit durft toedoen, tot zy hem tam gewaakt hebben.            PERCY.



[p. 75]

ZESDE TOONEEL.

DESDEMONA, EMILIA, OTHELLO, JAGO.

JAGO.
    Ei! dat bevalt my niet.
OTHELLO.
    Wat zegt gy?
JAGO.
    Niets Myn Heer; of indien ik iets zeide, weet ik zelfs niet meer wat.
OTHELLO.
    Was dat Cassio niet, die van myn Vrouw af ging?
JAGO.
    Cassio! Myn Heer? — Neen, waarlyk dat kan ik niet denken, dat hy zo wegsluipen zou daar hy U zag komen, even of hy geen goed geweeten hadt.
OTHELLO.
    Ik geloof dat hy het was.
DESDEMONA.
    Hoe gaat het, myn Gemaal? — ik sprak daar even met iemant die een verzoek aan U hadt, die wegens uwe ongenade gantsch nedergeslaagen is.
OTHELLO.
    Wie meend gy?
DESDEMONA.
    Uwen Luitenant Cassio. — lieve Othello, zo ik de geringste magt heb om U hart te beroeren, zo neem zyne Bede en Verzoening aan. Want wanneer hy U niet op het opregte bemind; wanneer hy niet uit overyling, en niet opzettelyk zich vergreepen heeft, zo verstaa ik my op geen eerlyk gezicht. Ik bid U, roep hem weder te rug.
OTHELLO.
    Ging hy zo even hier van daan?
[p. 76]
DESDEMONA.
    Ja, en zo nedergeslaagen, dat hy my een gedeelte van zyne droefheid te rug gelaaten heeft om met hem te lyden. lieve Othello, roep hem weder te rug.
OTHELLO.
    Thans niet, waarde Desdemona; op een’ anderen tyd.
DESDEMONA.
    Maar, toch schielyk?
OTHELLO.
    Om uwentwille zo veel te eerder, myn waarde.
DESDEMONA.
    Dezen Avond by de Maaltyd?
OTHELLO.
    Neen, dezen Avond niet.
DESDEMONA.
    Dus, morgen by het Middag-eeten?
OTHELLO.
    Ik zal niet te huis eeten, ik gaa by Officieren in de Vesting.
DESDEMONA.
    Nu, dan toch morgen Avond, of en Dingsdag en morgen, of ’s middags, of ’s avonds, of ’s Woensdag’s vroeg. Ik bid U bestem den tyd; maar laat het niet langer als binnen drie dagen zyn. waarlyk, zyn vergryp berouwd hem. en eindelyk zo is zynen misslag naar de gemeene wyze van oordeelen; een kleine overyling, die maar een goed verwyt onder vier oogen verdiend. maar zekerlyk, moet de krygstucht anderen ten Exempel afschrikken, indien gy uw beste Vrienden daar toe wilt gebruiken. Wanneer zal hy komen? Zeg my, Othello? ik begryp niet waar gy my om zoud kunnen bidden, dat ik U zoude afslaan; of waar over ik zo lang my zou bedenken. hoe! Michaël Cassio; die zich voor U by my bemoeide; en wanneer ik niet met voordeel van U sprak uwe party [p. 77] nam. — dezen Man by U weder in gunst te brengen, kost my zo veel moeite! — Geloof my, ik kon zeer veel doen. —
OTHELLO.
    Ik bid U, laat het genoeg zyn. ’er mag komen wat ’er wil, ik kan U niets weigeren.
DESDEMONA.
    Neen, het is niet voor my dat ik U bidde, het is even of ik U verzogt, uwe handschoen te draagen; of voedzaame spyzen te eeten; of U warm te houden; of uw eigen welzyn in acht te neemen. neen, wanneer ik een verzoek heb waar door ik uwe liefde op de Proef denk te stellen, zo zou het wat grooter en zwaarder zyn: iets welkers inwilliging meer onderwinding kost.
OTHELLO.
    Ik zou U niets afslaan. Maar staa my daar tegen eene bede toe, namelyk, my een weinig alleen te laaten.
DESDEMONA.
    Zou ik U zulks weigeren? neen; vaar wel myn Gemaal.
OTHELLO.
    Vaar wel, myne Desdemona; ik zal U terstond volgen.
DESDEMONA.
    Kom, Emilia. — (tegens Othello) Zie, hoe gy uwe luimen ook toegeeft; hoe gy ook weezen moogt, ik ben U altoos gehoorzaam.



[p. 78]

ZEVENDE TOONEEL.

OTHELLO, JAGO.

OTHELLO.
    Voortrefflyk, lief Wyf! — het onheil treft myne Ziele, indien ik U niet beminne! — als ik U niet meer lief heb, dan is de Chaos ’er weder. (p)
JAGO.
    Myn Edele Generaal........
OTHELLO.
    Wat begeert gy Jago?
JAGO.
    Wist Michaël Cassio iets van uwe liefde, toen hy zich voor uwe Gemalin benaarstigde?
OTHELLO.
    ô Ja, van ’t begin tot het einde. waarom vraagt gy daar na?
JAGO.
    Alleen tot bevreediging myner gedachten. ik heb het gantsch niet boos gemeend.
OTHELLO.
    Waarom voor uw gedachten, Jago?
JAGO.
    Ik dacht niet, dat hy daar iets van geweeten hadt.
OTHELLO.
    ô Ja, dat heeft hy; hy was zelfs de voorspraak tusschen ons beiden.

    (p) DAT IS. Zo dra myne liefde maar een ogenblik door argwaan gestoord word, dan is ’er niets in myne Ziele, als tweedragt, oproer, onrust en verwarring.            JOHNSON.

[p. 79]
JAGO.
    Waarlyk!
OTHELLO.
    Waarlyk? — Ja, waarlyk — komt U daar iets bedenkelyks in voor? is hy niet een rechtschaapen Man?
JAGO.
    Rechtschaapen? Myn Heer.
OTHELLO.
    Rechtschaapen? — Ja, rechtschaapen!
JAGO.
    Zo veel ik weet, Myn Heer!
OTHELLO.
    Wat moet gy denken?
JAGO.
    Denken, Myn Heer?
OTHELLO.
    Denken, Myn Heer! — ,, waarachtig! hy is myn weêrklank! even of ’er ergens in zyne gedachten iets onbehoorlyks huisveste, dat zich niet durft vertoonen! — gy bedoeld hier wat mede. ik hoor U daar strak zeggen; ,, dat bevalt my niet” toen Cassio van myne Vrouw afging. wat beviel U niet? en wanneer ik U zeg, dat hy in myn gantsche vryery myn vertrouwde geweest is; roept gy ,, waarlyk?” en trekt en vouwdt uw Voorhooft in rimpelen even of zich eene schrikkelyke gedachte door uwe hersens verspreidt heeft. indien gy my lief hebt, zo zeg my wat gy denkt.
JAGO.
    Myn Heer, gy weet, ik heb U lief.
OTHELLO.
    Dat hoop ik. en doordien ik weet dat gy vol vriendschap en redelykheid zyt, en uwe woorden wikt eer gy dezelve uitspreekt. zo verschrikken uwe afgebrookene redenen my zo veel te meer. Want het geen by eenen valschen en trouwloozen boef een gewoone kunstgreep is, is by een recht- [p. 80] schaapen Man een geheime aanklaging; die zyn herte tegens zynen wille laat werken, dewyl hy zyne tegenzin daar omtrend niet onderdrukken kan.
JAGO.
    Wat Michaël Cassio aanbelangt, zo durf ik zweeren, dat ik hem voor een eerlyk Man houde.
OTHELLO.
    Daar houde ik hem ook voor.
JAGO.
    Men moet zyn ’t geen men schynd; of wanneer men dat niet doet, moet men liever geen Menschen meer met eenig gevoelen zien.
OTHELLO.
    In ’t geheel; men moet zyn ’t geen men schynd.
JAGO.
    Nu, ik denk dan dat Cassio een eerlyk Man is.
OTHELLO.
    Neen, gy hebt nog wat op ’t herte; ik bid U spreek met my als met uwe Ziele; zeg wat in haar omgaat; en drukt uwe ergste gedachten, ook met de ergste woorden uit.
JAGO.
    Vergeef het my, Myn Heer. ik ben U zekerlyk eene volkomene gehoorzaamheid schuldig; doch ik ben daarom niet aan U verbonden, in dat geen waar in alle Slaaven vry zyn. — alles zeggen wat ik denk — gesteld zynde dat myne gedachten slegt en valsch waaren; waar is het Paleis in welke zich zomtyds ook niet veel slegte dingen indringen? Wie heeft zulk een rein herte, dat niet zomtyds eenige onreine Voorstellingen by hem een bezoek afleggen. (q) en met geöorloofde gedachten in eene vergadering te zaamen zitten.

    (q) In ’t Engelsch staat. Who has a breast so [p. 81n] pure, but some uncleanly apprehensions keep leets and lawdays. het laatste kan men door Termyn en Gerechtsdag houden, vertaalen.
VERTAALER.

[p. 81]
OTHELLO.
    Gy zyt een Verrader van uwe Vrienden, Jago. wanneer gy denkt dat hy beledigt word, en hem doch niet zegt wat gy denkt.
JAGO.
    Ik bid U, Myn Heer, wanneer ik even wel........ (r). maar veelligt vermoede ik het ergste; en ik zeg nog, het is eene ongelukkige feil in myne denkwyze, gaarne iets kwaads uit te vinden. en dus vind myne argwaan wel eens misdaaden, die in den grond niet waar zyn. laat dan myne onwaarschynlyke vermoedingen U niet doen doolen; en grond geene kwellende gedachten alleen op myne onzekere opmerkingen: het zou niet dienstig zyn voor uwe rust; noch voor uw welzyn; noch met myne vastgestelde, redelyke en goede gedachten overëen te brengen; dat ik U myne gedachten zou doen weeten.
OTHELLO.
    Wat bedoeld gy daar mede?
JAGO.
    De goede naam, myn waarde Generaal, is by Mannen en Vrouwen den dierbaarsten schat hunner Zielen. Hy die myn geld steeld, steeld myn goed, het is iets — het is niets. Het was het myne; het is het zyne; en is reeds een Slaaf van duizend

    (r) JAGO, wil door deze afgebrookene woorden, OTHELLO’S argwaan zo veel te sterker maaken. hy moet den geheelen zin aanvullen om ’er iets van te verstaan: ,, wanneer ik evenwel meer weet als ik zeggen mag.”            STEEVENS

[p. 82]
duizend anderen geweest. Maar hy die my myn goeden naam ontneemd, die ontroofd my iets, dat hem niet verrykt maar my waarlyk arm maakt. (s)
OTHELLO.
    Ik wil, waarachtig, weeten wat gy denkt.
JAGO.
    Dat kunt gy niet, schoon gy myn hert ook in uw hand hadt; en zal zulks niet, zo lang het nog in myn bewaaring is.
OTHELLO.
    Ha!
JAGO.
    ô! Myn Heer! hoed U toch voor de jaloezy, zy is een groenöogig Monster, dat de spyze zelf verscheurd van welke zy zich voedt. de koekkoek leeft gelukkig, die zyn noodlot verzeekerd is, en hem die hem beleedigt; niet bemind: maar ach! welke ongelukkige minuuten teld hy, die teder is, en doch twyfeld; verdacht houd en doch zeer verlieft is!

    (s) De Opsteller van de Cursory Remarks on Tragedy, on Shakespear, and on certain French and Italian Poets principally Tragedians. London 1774. 8vo. voerd Bladz. 53, de volgende plaats, uit den van BERNI omgewerkten Orlando Innamorate aan, die met de bovenstaande eene groote overeenkomst heeft.

        Chi ruba un corno, un cavallo, un anello,
        E simil cose, ha qualche discrezione,
        E potrebe chiamarsi ladroncello.
        Ma quel che ruba la riputazione,
        E dell altrui fatiche si fa bello,
        Si puo chiamare assassino e ladrone,
        E di pui idio e pena e degno
        Quanto pui del dover trapassa il Segno.
*

[p. 83]
OTHELLO.
    ô Onheil!
JAGO.
    Arm en te vreeden is ryk, en ryk genoeg: maar eene onnoemelyke rykdom, is zo arm als de Winter, voor hem die altoos vreest om eens arm te worden. — goede hemel! bewaard toch alle myne Medenmenschen voor Minnenyd!
OTHELLO.
    Hoe! — wat zou dat? — gelooft gy dat ik lust heb, om myn leven in jaloezy door te brengen? met iedere Maansverandering eenen nieuwen argwaan op te vatten? neen. eenmaal te twyffelen heet eenmaal ontslooten te zyn. Scheld my voor een Geit uit, wanneer ik thans die schuimende gedachten myner Ziele in zulk een leêren, en als ’t waare, waterblaazige argwaan, verandere, zo als gy gaarne by my zien zoudt. Het maakt my niet minnenydig, wanneer iemant zegt, dat myn Wyf schoon is, een goed oordeel heeft, gaarne in gezelschap is, dat zy levendig en gespraakzaam is, en goed zingen, speelen en dansen kan. waar deugd is, daar zyn deze dingen zelfs deugdelyk. even zo min zou ik thans wegens myn eigen onvolkomenheid de geringste argwaan of verdachtheid in haar trouw stellen. doch zy had oogen en verkoos my — neen, Jago, ik wil zien eer ik twyffel: want zo ras ik twyffel verlang ik bewys, en zo dra ik dat heb blyft my niets meer overig; dan, en liefde en minnenyd in eenen te doen verdwynen.
JAGO.
    Dat verheugd my; want nu durf ik verder geen bedenkingen maaken, om U myne vriendschap en onderdaanigheid te bewyzen, die ik voor U gevoel. neemt dus al wat ik U zeggen zal, voor een bewys van mynen dienstyver. — ik spreek noch niet van bewyzen. Slaat wel acht op uwe Gemalin, let vooral op haaren omgang met Cassio; houd [p. 84] een waakend oog op hun beide; niet minnenydig, niet zorgeloos. ik zou niet gaarne zien, dat uw edel weldenkend gemoed, door eene te groote goedhertigheid, bedroogen wierd. neemt daar wel acht op. Ik ken de denkwyze van onze Landsgenooten zeer goed. in Venetiën bekommerd men zich weinig of den Hemel eene getuige van booze streeken is, wanneer de Man zulks maar niet gewaar word. alle haar naauwgezetheid bestaat daar in, iets verborgen te houden; en niets ondoorzogt te laaten.
OTHELLO.
    Meend gy dat?
JAGO.
    Zy bedroog haar Vader, toen zy met uw trouwde; en toen zy voor U scheen te beeven, en voor een opslag van uwe oogen scheen te zidderen, was zy juist het meeste op die oogen verliefd. (t)

    (t) Deze en de volgende grond, die JAGO aanvoerd, moet by ieder Lezer sterken indruk maaken. Schoon veel kleine voordeelen, zelfs bedrog en valschheid, ons een tyd lang dienen kunnen, werden zy toch in ’t vervolg hindernissen van ons geluk. de geene die by het bedrog winnen, worden mistrouwend tegens den Bedrieger; en even die handeling waar door men zich gelieft zoekt te maaken, doet het vertrouwen eindigen. — hetzelve laat zich met eenige uitzondering tegens de onbedachtzaame grootmoedigheid, by ongelyke huwelyken zeggen. wanneer de eerste hitte van een hartstocht voorby is,*zo volgt de argwaan terstond, die even die heftige neiging, die eenen onregelmaatigen tred nalaat, een aandryving tot een tweede kan doen strekken, en de geenen die eens gezegt hebben, dat haare hartstochten tegens haare kloekheid, te magtig zyn, hebben by het minste aanzien, dat zich weder vertoond, te vreezen, dat zy, [p. 85n] naar alle waarschynlykheid, door hunne deugd, dezelve niet binnen de paalen zullen kunnen houden.            JOHNSON.

[p. 85]
OTHELLO.
    Dat deed zy waarlyk.
JAGO.
    Besluit dus zelfs. kon zy, nog jong zynde, zich zo aanstellen, dat zy de oogen haares Vaders, zo digt en vast als eene eike, toesloot, en hy gelooven moest, dat het Tovery was — maar ik doe zeer kwalyk; ik verzoek U op het nederigste verschooning, Myn Heer, dat ik U zo lief hebbe.
OTHELLO.
    Ik ben U daar eeuwig voor verplicht.
JAGO.
    Ik zie echter, dat gy een weinig ongerust schynt te worden.
OTHELLO.
    In ’t minste niet! in ’t minste niet!
JAGO.
    Waarlyk, ik vrees dat gy zulks zyt; ik hoop dat gy herdenken zult, dat het geen ik gezegt heb, uit vriendschap gezegt is. — maar, ik zie, gy zyt ongerust — ik bidde U, trek toch uit myne reden geen slimmer gevolgen; geeft haar geen verdere uitbreiding dan bloote vermoeding.
OTHELLO.
    Dat zal ik ook niet.
JAGO.
    Doet gy zulks, Myn Heer, zo zullen myne redenen zulke slegte gevolgtrekkingen agter laaten, welke ik in het minste niet in myn opzicht gehad heb: Cassio is my een waardig Vriend. — ik zie Myn Heer, gy zyt onrustig.
OTHELLO.
Neen, niet onrustig — ik denk niet anders, dan dat Desdemona deugdzaam is.

[p. 86]
===
JAGO.
    Lang moet zy het blyven; en lang moet gy het denken.
OTHELLO.
    En echter, wanneer de natuur eens dwaalt.....
JAGO.
    Dat is juist het punt! durf ik het U zeggen*? zy gaf zo veel aanleiding aan haar eigen Landslieden; aan Menschen, die den voorrang wegens hunne gestalte en rang hadden; dingen waar op men, natuurlyk, dikmaals het meeste ziet. waarlyk, deze Handelingen verraaden zeer veel eigenzin; eene laagdenkende Ziel; onnatuurlyke gevoelens. — maar vergeef het my ik spreek eigenlyk van haar in ’t bizonder niet; hoewel ik vreeze, dat, wanneer haar wille zich tegens uwe betere inzichten verheft, zy daar wel eens op vallen kon, om U met de beelden van haare Landslieden te vergelyken, dat veelligt haar keuze zou doen berouwen.
OTHELLO.
    Vaar wel, vaar wel — indien gy verder iets merkt, zo laat my zulks weeten. draag het uw Vrouw op, om haar naauw gaade te slaan. Verlaat my Jago?
JAGO.
    Ik beveel my in uw gunst, Myn Heer!
OTHELLO, (alleen.)
    Waarom ben ik getrouwd? — deze eerlyke Man ziet zekerlyk meer, weet denkelyk meer, veel meer, als hy merken laat.
JAGO. (te rug komende.)
    Myn Heer, ik verzoek U op ’t sterkste, deze zaak niet verder aan te doen groeijen. Laat het aan den tyd over. het zal zekerlyk zeer goed zyn, dat Cassio zyne plaatse weder ontvangt; want hy bekleed hem ontegenzeggelyk met veel geschiktheid; wanneer het U intusschen geviel hem noch een tyd lang in onzekerheid te laaten, zo zoud gy hem
[p. 87]
in zyn gedrag daar door te beter leeren kennen. Merk dan op, of uwe Gemalin zyne herstelling op eene heftige en driftige wyze zoeken zal; daar uit zal men kunnen besluiten. geloof intusschen liever, dat ik myne zorg te ver dryf — ik heb rechtvaerdige oorzaaken om te vreezen dat ik zulks doe — en laat uw Gemaalin daar niets van merken. dit is myn verzoek, Myn Heer.
OTHELLO.
    Twyffel niet aan myn begrip.
JAGO.
    Ik beveel my nogmaals in uw gunst.



AGTSTE TOONEEL.

OTHELLO, (alleen.)

    Jago is ongemeen regtschapen, en kent door overdenking en ondervinding den toestand van alle Menschelyke Handelingen. Vind ik haar trouwloos, zo mag zy aan myn hart nog zo sterk geketend zyn, ik wil haar echter losrukken, en aan haar noodlot overlaaten — vermoedelyk wyl ik zwart ben; en geene aangenaame wyze van verkeering heb; zo als veel andere verliefde gekken bezitten; of, om dat ik met myne Jaaren reeds van den Berg afklim — doch dat heet niet veel — zy is weg, ik ben bedroogen; en myn eenige troost moet zyn haar te verfoeijen. ô Vloek des Huwelyks! dat wy deeze schoone Schepsels de onzen kunnen noemen, maar niet haare begeertens! ik moest liever een padde geworden zyn, en van de uitwaasseming van een smeerigen kerker moeten leeven, als een Winkel, in een Schepsel dat ik lief heb, ten gebruike van een’ ander bezitten! — maar dat is nu eigenlyk de straf der Voornaamen; zy hebben minder voorrechten als de gemeenen; het is een even zo onvermydelyk noodlot als den dood. reeds als wy
[p. 88] beginnen te leven, zweeft deze gehoornde straf (u) over ons. — daar komt zy. Is zy valsch; ô! dan spot de Hemel met zich zelve! — ik kan het niet gelooven.



NEGENDE TOONEEL.

OTHELLO, DESDEMONA, EMILIA.

DESDEMONA.
    Waar blyft gy, myn lieve Othello? Uw middagmaal, en de Edele Cypriers, die gy verzogt heb, wagten op U.
OTHELLO.
    Ik ben niet al te wel.
DESDEMONA.
    Hoe spreekt gy zo zagt? — zyt gy niet wel?
OTHELLO.
    Ik heb pyn in ’t voorhoofd.
DESDEMONA.
    ô! Dat komt van te veel te waaken; het zal ras weêr overgaan. Laat my uw hoofd zo vastbinden, dan zal het in een uur beter zyn.
OTHELLO.
    Uw neusdoek is te klein; laat het staan. (Zy laat haar neusdoek vallen.) kom ik wil met U gaan. DESDEMONA.
    Het spyt my maar, dat gy niet wel zyt.

    (u) FORKED kan op de gelykheid dezer straffe met een doodelyken pyl slaan, welke een weerhaak heeft; of, zo als PERCY gelooft, en my waarschynlyker voorkomt, op het Zinnebeeld van bedroogen Mannen.        ESCHENBURG.



[p. 89]

TIENDE TOONEEL.

EMILIA, (alleen.)

    Ik ben blyde dat ik deze neusdoek gevonden heb. deze is de eerste gedachtenis die haar den Moor gaf. myn wonderlyke Man heeft my wel honderdmaal verzogt, hem weg te steelen. maar zy houd dat geschenk van hem, zo in achting, — wyl hy haar bezwoer, het wel te bewaaren — dat zy het overal met zich draagt, het kuscht en daar mede spreekt. ik wil ’er dit Borduursel uit laaten neemen, en hem aan Jago geeven. wat hy daar mede doen zal, weet de Hemel; ik niet; ik heb daar niets aan, als zyne grilligheid te bevreedigen.



ELFDE TOONEEL.

JAGO, EMILIA.

JAGO.
    Nu, wat maakt’ gy hier zo alleen?
EMILIA.
    Schemp niet, ik heb hier wat voor U.
JAGO.
    Gy hebt wat voor my? — ik geloof het wel, het is wat schoons.......
EMILIA.
    Wat dan?
JAGO.
    Een Gek Wyf te hebben.
EMILIA.
    ô! Is het dat alles? — wat geeft gy my voor dezen neusdoek.
[p. 90]
JAGO.
Wat voor een neusdoek? —
EMILIA.
Wat voor een neusdoek? — ziet dan, die de Moor het eerste aan Desdemona gaf; en welke gy my telkens aanraadde om te steelen.
JAGO.
    Hebt gy hem gestoolen?
EMILIA.
    Neen, maar zy liet hem onvoorziens vallen; en wyl ik by geluk daar by was, zo nam ik hem op; zie hier is hy.
JAGO.
    Gy zyt een braaf Wyf. — geef hier.
EMILIA.
    Wat zult gy daar mede doen? is daar zo veel aan geleegen geweest, dat ik hem wegpakken moest.
JAGO, (de Zakdoek weg bergende.)
    Wat raakt U dat.
EMILIA.
    Hebt gy niets gewigtigs daar mede voor, zo geef hem my weder. die arme Vrouw, zy zal gek worden, wanneer zy hem vermischt.
JAGO.
    Doet, even of gy niets daar van weet. ik heb hem noodig, ga, laat my alleen. (Emilia vertrekt, Jago blyft alleen.) ik wil deze neusdoek in Cassio’s wooning verliezen, en hem die vinden laaten. Kleinigheden, zo ligt als de lucht, zyn voor de Jaloerschen zulke sterke bewyzen, als Spreuken uit den Bybel. dit kan dus reeds iets afdoen. het vergift dat ik den Moor toegebragt heb begint reeds te werken. kwaaddenkende inbeeldingen zyn even als vergift, dat men in het begin om den smaak niet wel erkennen kan, maar dat echter daarna, zo ras het in ’t bloed overgaat, als een Zwaavelmyn brandt — dus zag ik wel! — Zie daar komt hy! — geen klaproozen, noch Mandragora, noch alle de slaapmiddelen der Wae- [p. 91] reld, zullen U ooit den zoeten slaap weder geeven, die gy gisteren nog hadt.



TWAALFDE TOONEEL.

OTHELLO, JAGO.

OTHELLO.
    Ha! trouwloos — tegens my! tegens my!
JAGO.
    Nu, nu, waarde Generaal; niets meer daar van.
OTHELLO.
    Voort! — ga! — gy hebt my op de Pynbank gespannen, het is waaragtig beter, geheel en al bedroogen te worden, als een weinigje daar van te weeten!
JAGO.
    Hoe! Myn Heer!
OTHELLO.
    Wat wist ik van haar gestoolene uitwykingen? ik zag haar niet; dacht ’er niet aan; en zy krenkte my niet. ik sliep de volgende nacht daar goed op, was gerust en wel gemoed: ik vond Cassio’s kusschen niet op haare lippen! wanneer hy, die men berooft heeft, het gestoolene niet vermischt, zo zegt het hem niet, en hy zal niet bestoolen weezen.
JAGO.
    Het doet my leed zulks te hooren.
OTHELLO.
    En al had het gantsche Leger, Soldaaten Jongens en alles, haar goedgunstig lyf genooten, en ik wist niets daar van; zo waar ik toch gelukkig. ô! Vaar nu voor eeuwig wel, gemoedsrust! Vaar wel te vreedenheid! Vaar wel, gy toegerusten Heire; en gy, stoutmoedigen Kryg, die de Eergierigheid in deugd hervormd. ô! Vaar wel! — Vaart wel
[p. 92]
briesschende Rossen! schelklinkende Trompetten! moedgeevende Trommelen! welluidende Pypen! Koninglyk Panier, en gy gantschen pronk en pracht des glorieryken Krygs! en, ach! gy doodelyke werktuigen wiens yzeren wraake den onsterffelyken en vruchtbaaren donder van Jupiter naarvolgt! Vaart wel! — Othello’s arbeid is gedaan.
JAGO.
    Is ’t mooglyk? — Myn Heer!
OTHELLO.
    Onwaardige! bewys my, Ja, bewys my, dat myne Desdemona een Hoer is! doet zulks, Ja, geef my een oogenschynlyk bewys daar van: of (hy vat Jago toornig aan), by de waarde myner onsterffelyke Ziele; het was U beeter dat gy een Hond gebooren waart, als dat gy myne verheven grimmigheid zult moeten voelen.
JAGO.
    Staan wy zo met elkander.
OTHELLO.
    Laat my zelfs zien; of bewys het my ten minsten zo veel dat ’er geene schaduw van eenige twyffling overblyft. of, wee, uw leven.
JAGO.
    Myn Heer!.....
OTHELLO.
    Beloog gy haar, en folterd gy my te vergeefs; zo bid nooit meer; maakt uw geweeten niet wyder: hoopt gruwel op gruwel; begaat zonden daar de Hemel over weend, en de Aarde zich voor ontzet! want gy kunt niets slimmer doen, om uw verdoemenis te vergrooten als gy reeds gedaan hebt.
JAGO.
    ô! Barmhertigheid! de Hemel staat my by! indien hy een Man is, of eene Ziele, of een Menschelyk gevoel heeft. God zy by U. en neemt myne plaatse in! — ô! gy ongelukkige uitlegger! die juist zien moet dat uwe redelykheid tot eene echtbreeking toe dienen moet! — ô! afschuwe- [p. 93] lyke Waereld! — merk op! merk dit, ô Waereld! eerlyk en oprecht te zyn, heet niet zeker te zyn! — ik bedank U voor deze onderrichting: van nu aan, wil ik geen Vriend beminnen, daar men voor liefde zulk een haat bekomt.
OTHELLO.
    Neen, zagt, — gy kunt toch wel eerlyk zyn. —
JAGO.
    Ik moet verstandig zyn; want eerlykheid is een gekkin, die het geene verliest daar zy om arbeid.
OTHELLO.
    By de geheele Waereld! ik geloof dat myn Wyf eerlyk is, en gelooft gy dat zy het niet is, dan geloof ik dat gy het niet zyt. — ik wil bewys hebben. Haar naam, die zo fris en wit was, als Dianaa’s aangezicht, is nu zo bevlekt en zwart als myn gezicht. neen, wanneer ’er nog strikken, nog messen, nog vergift, nog vuur, nog verzuipende Stroomen in de Waereld zyn, dan wil ik deze pyniging niet langer uithouden. — ik wenschte verzekert te zyn.
JAGO.
    Ik zie, Myn Heer, dat uwe hevigheid U gantsch verteerd. het spyt my dat ik U daar iets van gezegt heb. gy wild gaarne verzekerd zyn?
OTHELLO.
    Of ik zulks wilde? Ja zekerlyk.
JAGO.
    Dat kunt gy ook; maar hoe? hoe zult gy verzekerd worden, Myn Heer? wilt gy een ooggetuige zyn? met opene oogen toekyken? U zien ontëeren?
OTHELLO.
    Dood en verdoemnis! — ach!
JAGO.
    Ik geloof het haar zeer zwaar zou vallen, U tot haar vertrouweling te maaken; dan waaren zy [p. 94] zekerlyk geheel doemwaardig indien zy anderen als haar zelfs, daar by zien lieten! — hoe dan? wie zal het zyn? wat noemt gy zekerheid? wat moet ik aanvangen? — het is onmogelyk dat men het met oogen zien kan, al waaren zy ook zo ras vaardig, als Bokken; zo listig als Aapen; zo verhoerd als verhitte Wolven, en zulke onbezonne Gekken, als dronkene domooren. echter, wanneer de waarschynlykheid; de omstandigheden; die de regte wegen ter waarheid leiden, U verzeekering kunnen geeven, zo zult gy ze hebben.
OTHELLO.
    Geef my een overtuigend bewys dat zy trouwloos is.
JAGO.
    Gy geeft my een onaangenaam werk; maar daar ik my reeds zo ver in deze zaak heb ingelaaten; door gekke toegenegenheid en vriendschap verleid zynde, zo wil ik ook verder gaan. Ik sliep onlangs met Cassio in een bed; een dolle tandpyn maakte dat ik niet slaapen kon. daar is een soort van Lieden, welker Ziele zo slaaps is, dat de geheimste gedachten haar in den slaap ontdekken. van dezen aart is ook Cassio. ik hoorde hem in den slaap zeggen: ,, Lieve Desdemona, laat ons op onze hoede zyn; laat ons onze liefde geheim houden.” en daar na greep hy naar my, drukte my de hand en riep: o betooverend Schepsel!” — en kuschte my daar na zo sterk, als of’er kussen op myne lippen groeide, die hy met den wortel wilde uitrukken. daar na lei hy zyn been over myne beenen, en zuchte en kuschte: en riep eindelyk ,, verwenscht Noodlot dat U den Moor gaf. —
OTHELLO.
    ô Ontzaglyk! ontzaglyk!
JAGO.
    Neen, dat was zyn droom maar.
[p. 95]
OTHELLO.
    Maar echter een droom, die eene voorgaande daad aanduidde. het is altoos verdacht, of het niet gelyk zyn droom geschiede.
JAGO.
    En het kan altoos tot bevestiging van zwakke bewyzen dienen.
OTHELLO.
    Ik wil haar in stukken scheuren.
JAGO.
    Wees zo driftig niet. tot nu toe, weeten wy nog niet wat werkelyk geschied is. mogelyk is zy nog onschuldig — zeg my eens, hebt gy niet zomtyds een neusdoek met aardbeziën gestikt, in de hand van uwe Gemalin gezien.
OTHELLO.
    Ik gaf haar zulk een Neusdoek; het was myn eerste geschenk.
JAGO.
    Daar weet ik niets van; maar met zulk een neusdoek, die zekerlyk aan uwe Gemalin behoord; zag ik Cassio zich heden den baard wasschen.
OTHELLO.
    Was het die......
JAGO.
    Het mag die, of een ander zyn. wanneer het de haare was, zo spreekt hy, met de overige bewyzen, haar weder tegen.
OTHELLO.
    ô! Dat die onwaardige Veertigduizend levens te verliezen hadt! — een eenige is te gering, te weinig voor myne wraake, nu zie ik het is waar. — Zie eens, Jago. zo blaas ik alle myne gekke Liefde den Hemel toe. Zy is voorby — verhef U, zwarte wraak, uit uw naar graft! en gy ô Liefde! ruimt uwe kroone, en het hert daar gy uw troon hadt, voor de tyrannigen haat! Zwel op, [p. 96] boezem, van uwe zwangerheid; want het zyn slegts addertongen.
JAGO.
    ô! Wees doch gerust!
OTHELLO.
    ô! Bloed! Jago. Bloed!
JAGO.
    Wees gerust zeg ik; gy zult mogelyk andere gedachten krygen.
OTHELLO.
    Nooit Jago. — gelyk het Pontische Meer, wiens yskouden Stroom en voortspoedenden loop, nooit de te rug keerende Ebbe voeld, maar zonder ophouden in den Propontis en Hellespont vliedt (v) even zo zullen myne bloedgierige gedachten in hunnen driftigen voortgang nooit te rug schrikken. nooit ten genoege der Liefde met de Ebbe afdryven, tot een wyde uitgebreide wraak haar verslonden heeft. (hy knield.) nu, by dezen marmeren Hemel, zweer ik hier op ’t eerbiedigste en vuurigste myne gelofte.......
JAGO.
    Staa noch niet op. (Hy knield.) Weest getuigen, gy eeuwig brandende lichten hier boven! en gy Elementen, die ons rondom omvatten! weest getuigen dat hier Jago alles, wat zyn verstand, zyn hand, en zyn hart vermag, ten dienste van den beleedigden Othello wydt! hy mag bevelen;

    (v) Deze gelykenis ontbreekt in de oude uitgaaven; en staat hier, gelyk POPE wel zegt, aan de onrechte plaatse. De Zaak echter heeft haare Historische Waarheid: Pontus semper extra meat in Propontidem; introrsus in pontum nunquam refluit mare.
            PLIN. Hist. Nat. Lib. II. C. 97.


[p. 97]
mag my den bloedigsten arbeid opleggen, indien ik ooit twyffel om hem te gehoorzaamen...... (w)
OTHELLO.
    Ik begroet uwe vriendschap niet met ledige dankzeggingen, maar in ’t bizonder met eene wilvaardige toestemming; en wil daar terstond gebruik van maaken. laat my binnen drie dagen hooren verhaalen, dat Cassio niet meer leeft.
JAGO.
    Myn Vriend is dood; het zal op uw verlangen geschieden. maar haar — haar schenkt gy het* leven!
OTHELLO.
    Vervloekt is zy, die hoerachtige Hex! ô Vervloekt! Vervloekt is zy; kom gaat met my ter zyden, ik wil my verwyderen, en ergens een spoedig middel verzinnen, om die schoonen duivel uit de Waereld te helpen. Thans zyt gy myn braaven Luitenant.......
JAGO.
    Ik ben altoos den uwen.

    (w) Van de veele vermoedingen der Kunstrichters om het Vers: And tho obey shall be in me remord, te verklaaren, of de Leezing te veranderen, schynt my, even als ESCHENBURG de gedachten van FARMER de gelukkigste, en de natuurlykste te zyn: volgens welke men leezen moet: An’ (if) to obey en dan de onvolledige reden door OTHELLO’S ongeduld laaten afbreeken. enz.            VERTAALER.



[p. 98]

DERTIENDE TOONEEL. (*)

Het Tooneel verbeeld een andere Kamer op het Slot.

DESDEMONA, EMILIA, CLOWN.

DESDEMONA.
    Weet gy niet, goede Vriend, waar den Luitenant* Cassio ligt? CLOWN.
CLOWN.
    Dat zou ik niet durven zeggen, dat hy ergens liegt.
DESDEMONA.
    Waarom niet?
CLOWN.
    Hy is een Soldaat; en wanneer ik zeg dat een Soldaat liegt, is zulks zo goed, als of ik hem wil ombrengen.
DESDEMONA.
    Geen gekheid! — waar is zyn Quartier?
CLOWN.
    Ik zou zelfs moeten liegen, wanneer ik U dat wilde zeggen.
DESDEMONA.
    Kan men wel iets met Menschen beginnen?
CLOWN.
    Ik weet zyn Quartier niet; en zo ik eens een Quartier uitdenk, en zeg hy ligt hier, of hy ligt daar; zo zou ik het schoon kunnen liegen.
DESDEMONA.
    Kunt gy het niet ergens vraagen, en dan zeggen?
CLOWN.
    Ik wil de Waereld zynent wege Cathechiseeren; dat is, ik wil vraagen doen, en dezelve my laaten beantwoorden.
[p. 99]
DESDEMONA.
    Zoek hem op; laat hem hier komen; zeg hem, dat ik myn Gemaal weder met hem verzoend heb, en dat ik hoop dat alles wel schikken zal.
CLOWN.
    Dat is eindelyk nog een Artykel, daar een eerlyk Mans verstand kan toereikende zyn; en dus zal ik zien, hoe ik het daar meê zal stellen.



VEERTIENDE TOONEEL.

DESDEMONA, EMILIA.

DESDEMONA.
    Waar of ik toch die Neusdoek verlooren heb, Emilia?
EMILIA.
    Ik weet het niet, Mevrouw.
DESDEMONA.
    Geloof my, ik had veel liever myn goudbeurs vol Crusados (x) verlooren. indien myn edele Moor niet te goed en te grootsch dacht, om minnenydig te zyn, zo zou zulks toerykende genoeg zyn om hem kwaade gedachten in te boezemen.
EMILIA.
    Is hy niet Jaloers?
DESDEMONA.
    Wie? — hy? — Ik geloof dat de heete Zon, onder welke hy gebooren is, alle groove dampen dezer Aart uit hem trok.
EMILIA.
    Zie, daar komt hy.
   

    Eene Portugeesche Munt, die om het daar op gedrukte kruis zo genaamd en omtrend 25 stuivers waardig is.

[p. 100]
DESDEMONA.
    Ik wil hem niet eerder verlaaten, tot hy Cassio tot zich laat roepen.



VYFTIENDE TOONEEL.

OTHELLO. De voorigen.

DESDEMONA.
    Hoe gaat het, waarde Othello?
OTHELLO.
    Zeer wel, myn lief, (ter zyden) ô hoe zwaar is het zich te bedekken! hoe gaat het U Desdemona?
DESDEMONA.
    Zeer wel, myn Gemaal.
OTHELLO.
    Geef my uw hand — deze hand is klam, Desdemona.
DESDEMONA.
    Zy heeft noch geen Ouderdom gevoeld, noch geen kommer gekend.
OTHELLO.
    Dat is een teken der vruchtbaarheid, en een wilvaardig herte — heet, heet, en vochtig! — deze uwe hand vordert eene ontzegging der vryheid; vasten en bidden; veel zelfsverloogening en geestelyke oeffeningen. Want hier is eenen jongen en vuurigen Duivel, die oproermaakende is. het is eene goede hand, eene vrygeevende hand!
DESDEMONA.
    Gy moogt haar zeker wel zo noemen; want deze hand was het, die myn hert weg gaf.
OTHELLO.
    Eene vrygeevende hand! voorheen gaaven de [p. 101] herten handen; maar onze nieuwe Wapenkunde is: Handen: geen herten (y).
DESDEMONA.
    Ik verstaa my daar niet op. — nu lieve Othello, uwe belofte?
OTHELLO.
    Welke beloften, myn Kind?
DESDEMONA.
    Ik heb Cassio laaten roepen, om met U te spreeken.
OTHELLO.
    Ik ben met eene sterke en hardnekkige verkouwenheid geplaagt. leen my toch uw Neusdoek.
DESDEMONA.
    Daar, myn Gemaal!
OTHELLO.
    De doek dien ik u gaf.
DESDEMONA.
    Ik heb hem niet by my.
OTHELLO.
    Niet?

    (y) Koning JACOB I. verkogt terstond, by den aanvang zyner Regeering, de nieuwe waardigheden der Baronnen voor geld. boven haare overige voorrechten behielden zy een byvoegsel in haar geslachtwaapen: een roode band in een Zilver veld. hier op doeld de Zinspeeling waar mede SHAKESPEAR tevens te kennen geeft, dat veele dezer Heeren wel handen, maar geen harten hadden. dat is, geld, om haare waarde te betaalen, maar geen deugd om de eere te koopen. Ook word Koningin ELISABETH, welke de Eerampten zelden verkogt, maar in ’t bizonder naar de verdiensten oordeeldden, hier door een Compliment gemaakt.
            WARBURTON

[p. 102]
DESDEMONA.
    Neen, thans niet, lieve Othello.
OTHELLO.
    Dat is zeer slegt. Een Waarzegster gaf deze Neusdoek aan myne Moeder; zy was een Toverhex, en kon in de Lieden haare Zielen lezen. zy zeide haar, zo lang zy hem behield, zou zy zich beminnelyk maaken; en haar de liefde mynes Vaders doen behouden; maar zo dra zy hem verloor, of weggaf, zou zy in eens alle schoonheid in myn Vaders oog verliezen; en hy zou zich genoodzaakt zien om andere onderwerpen voor zyne liefde te zoeken. Myn Moeder gaf hem my, toen zy stierf, en beval my, wanneer ik eene Vrouw zou neemen haar denzelven te geeven. Ik volbragt zulks, en raadde U, dat in acht te neemen. Maakt hem tot uwen Lieveling, bewaard denzelven als uwen oogenappel. wanneer gy hem verloor of weggaf, zou dit een verlies zyn, dat tegen geen ander te vergelyken was.
DESDEMONA.
    Is het mogelyk?
OTHELLO.
    Zeer mogelyk. daar is iets toverachtigs in het Weefsel van dien doek. Een Sibille, die den omloop der Zonne twee hondertmaal geteld hadt, stikte hem in haare Propheetische verrukking: de Wormen die de Zyde daar toe sponnen waaren gewydt, en hy werdt met balzem van Mumien geverft, (z)

    (z) Het balzemieke vogt, dat van de Mumien vloeide, was voorheen wegens zyne werkende kragt beroemd. wy zyn thans wys genoeg om te weeten, dat die bygevoegde Eigenschappen slegts inbeeldingen waaren; en echter heeft men my verzekerd dat men deze balzem in eenige Apotheeken nog vindt.             STEEVENS

[p. 103]
welke die doorzichtige Toverhex van de herten van onschuldige Maagden opgegaêrd had.
DESDEMONA.
    Is dat waarheid?
OTHELLO.
    Zeer waar; neemt het dus in acht.
DESDEMONA.
    Dan wenschte ik, dat ik hem nooit gezien had.
OTHELLO.
    Ha! waarom?
DESDEMONA.
    Waarom spreekt gy zo haastig en oploopend?
OTHELLO.
    Is hy verlooren? is hy weg? spreek, hebt gy hem niet meer?
DESDEMONA.
    ô Hemel!
OTHELLO.
    Nu, waar is hy?
DESDEMONA.
    Hy is niet verlooren. — maar gesteld zynde dat hy verlooren was?
OTHELLO.
    Ha!
DESDEMONA.
    Ik zeg hy is niet verlooren.
OTHELLO.
    Haalt hem hier, en laat hem my zien.
DESDEMONA.
    Dat kan ik doen Othello; maar ik doe het nu niet. dat is alleen een kunstgreep, om my van myn verzoek aftebrengen. Ik bid U laat Cassio weder aangenomen worden.
OTHELLO.
    Haal my die Neusdoek — ik heb een kwaad voorgevoelen.
DESDEMONA.
    Geloof my, gy zult nooit een braaver Man vinden.
[p. 104]
OTHELLO.
    De Neusdoek! —
DESDEMONA.
    Ik bid U, spreek met my van Cassio.
OTHELLO.
    De Neusdoek! —
DESDEMONA.
    Het is een Man, die altoos zyn gantsche geluk op uwe vriendschap gegrondt heeft; alle gevaaren met U deeldden......
OTHELLO.
    De Neusdoek! —
DESDEMONA.
    Waarlyk, gy doet onrecht.......
OTHELLO.
    Voort! —



ZESTIENDE TOONEEL.

DESDEMONA, EMILIA.

EMILIA.
    Is dit Mensch nu niet Jaloers?
DESDEMONA.
    Zo heb ik hem noch nooit gezien. Zekerlyk ligt in deze Neusdoek eene wonderkracht opgeslooten. Ik ben zeer ongelukkig dat ik hem verlooren heb.
EMILIA.
    Men leerd een Man in geen één of twee Jaaren geheel kennen. (aa) Zy zyn alle gelyk Maagen, en

    (aa) Dr. JOHNSON. besluit uit deze woorden, dat de Dichter voor den verloop van dit Treurspel een langer tyd, als reeds uitdrukkelyk aangemerkt is, namelyk, een tyd van één of twee Jaaren be-

[p. 105]
wy alle zyn haare buuren. Zy slurpen ons gulzig binnen, en wanneer ze vol zyn, werpen zy ons weder uit. Zie eens daar komt Cassio en myn Man.



ZEVENTIENDE TOONEEL.

JAGO, CASSIO. De voorigen.

JAGO.
    ’Er is geen ander middel; zy moet zulks doen. Zie daar, een geluk; gaa en bid haar op ’t sterkste daarom.
DESDEMONA.
    Hoe gaat het waarde Cassio? hoe staat het met uw zaaken?
CASSIO.
    Mevrouw, ik heb nog myn voorig verzoek aan U te doen. maak doch door uwe goede voorspraak, dat ik op nieuw weder leve, en de Vriendschap van uw Gemaal weder verkryge, welke ik met alle myne toegenegenheid vereere. Ik wenschte niet gaarn nog langer te wagten. is myn vergryp zo strafbaar, dat noch myne voorige diensten, noch myn tegenwoordig berouw, noch de belofte om my voortaan geschikt te zullen gedraagen, my zyne Vriendschap weder kunnen doen verwerven, zo zal het ten minste een weldaad voor my zyn, wan-

stemd hadt. My echter schynt dit geen gevolg te zyn, en te minder, daar alle overige omstandigheden daar tegen zyn. EMILIA zegt alleen een algemeenen Stelregel, en, dat de tyd, zedert DESDEMONA, OTHELLO kent, nog te kort is om hem geheel te kennen.        ESCHENBURG.

[p. 106]
neer ik weet dat het zo is. dan kan ik my met eene gedwongene tevreedenheid vleyën; en ergens eene bekrompener levenswyze aangrypen, en my met de Almoesen des geluks vergenoegen.
DESDEMONA.
    Ach! myn goede, lieve Cassio; myne voorspraak is thans zeer onvermoogend; myn Gemaal is myn Gemaal thans niet; ik zou hem niet meer kennen, wanneer zyne gestalte zich even als zyne denkwyze veranderd hadt. Iedere goeden Engel staa my zo by, gelyk ik myn best voor U gedaan heb. ik heb my de dreigingen, zyner gramschap over myne vrymoedige redenen, prys gegeeven. gy moet nog een weinig geduld hebben. ik wil doen wat ik kan; ik wil meer doen als ik hart heb om voor myzelve te doen. wees daar mede te vreeden.
JAGO.
    Is de Generaal boos?
EMILIA.
    Hy ging zo even hier van daan, en zekerlyk zeer onrustig en misnoegt.
JAGO.
    Kan hy toornig werden? — ik was by hem, toen de Kanonnen, de Geleederen zynes Heirs in de Lucht strooide, en zo wild als den Duivel zyn eigen Broeder dicht aan zyn arm weg namen. kan hy toornig worden? zo moet hy gewigtige oorzaaken hebben. ik wil heen gaan en hem opzoeken, dit heeft wat te beduiden, indien hy toornig is.
DESDEMONA.
    Ik bid U doet dat.



[p. 107]

AGTTIENDE TOONEEL.

DESDEMONA, EMILIA, CASSIO.

DESDEMONA.
    ’Er moet zekerlyk ergens eene gelegenheid van Staat, mogelyk van Venetiën; of wel eene ontdekte Verraadery hier in Cyprus, die even in ’t licht gekomen is, zynen, zo heeten geest verduisterd hebben; want in diergelyke gevallen pleeg men zyne onvernoegdheid wel aan geringe dingen uit te laaten; wanneer ’er groote zaaken zyn waar onderwerp zyn. Zo zal het zyn. wanneer ons een Vinger pyn veroorzaakt, dan verbreid zich die smertelyke ondervinding zelfs door onze gezonde leden uit. men moet aanmerken dat de Mannen geene Goden zyn, en niet altoos zo veel tederheid van hun verwagten als zy ons voor het Trouwfeest betuigen. ik had groot ongelyk Emilia; en ik was reeds, tegen alle billykheid van begrip, zyne onvriendelykheid in myne Ziele den Oorlog te verklaaren; maar nu zie ik wel, ik heb de getuigen. omgekogt, en hy word valschlyk aangeklaagd.
EMILIA.
    De Hemel geeft, dat het Staatszaaken mogen zyn, zo als gy U verbeeld, en geene minnenydige grillen die hy uwentwegen maakt.
DESDEMONA.
    Dat verhoede de Hemel! ik heb hem daar nooit gelegenheid toe gegeeven.
EMILIA.
    Maar minnenydige Zielen berusten daar niet in; zy zyn niet alleen minnenydig wanneer men haar daar gelegenheid toe geeft, maar in ’t bizonder zyn zy minnenydig, om dat zy minnenydig zyn. De Jaloersheid is een onkruit, door zich zelfs geplant, en van zich zelfs gebooren.
[p. 108]
DESDEMONA.
    De Hemel bewaare het herte van Othello voor zulk onkruit.
EMILIA.
    Daar zeg ik Amen op, Mevrouw.
DESDEMONA.
    Ik wil zien, waar hy is. — Cassio verwydert U niet te verr’. vind ik hem beter gehumeurd; zo wil ik U verzoek weder vervolgen, en myn uiterste best doen om het door te zetten.
CASSIO.
    Ik dank U op het nederigste, Mevrouw.



NEGENTIENDE TOONEEL.

CASSIO, BIANCA.

BIANCA.
    Goeden dag, Vriend Cassio.
CASSIO.
    Hoe komt gy toch hier? hoe gaat het U, myn schoone Bianca? waarlyk myn waarde, ik wilde zo naar U toegaan.
BIANCA.
    En ik naar U, Cassio. hoe gaat dat, een gantsche week weg te blyven? zeven dagen en nachten! Agt en tagtig uuren! en de uuren der afweezenheid van een beminde zyn tagtig maal langer, als de Uurwyzer! ô, wat een verdrietige Rekening!
CASSIO.
    Vergeef my Bianca, ik ben al dezen tyd, door gedachten, zo zwaar als lood ter Aarde gedrukt, maar ik zal eens te eeniger tyd, die meer myn eigen is, deze lange Rekening van afweezenheid [p. 109] vergoeden en uitwisschen. Lieve Bianca, maak my doch dit Borduursel eens na.
        (Hy geeft haar de Neusdoek van Desdemona.)
BIANCA.
    ô Cassio, van wie hebt gy dat? — dat is zekerlyk een geschenk van een nieuwe Vriendin: nu ondervind ik de oorzaak van Uwe, my zo smertelyke, afweezenheid! — staan wy zo met elkander? goed, goed.
CASSIO.
    Ga Meisje, en werp uwen haatelyken argwaan den Duivel in de kaaken, die U dezelve ingeeft. beeld gy U dan in, dat dit een gedachtenis zy van een andere Beminde? neen, dat is het waarlyk niet, Bianca.
BIANCA.
    Wel, aan wie behoord het dan?
CASSIO.
    Dat weet ik zelfs niet. ik vond het op myn Kamer. het Borduurwerk bevalt my; en eer men het my weder afvordert, dat denkelyk geschieden zal, wilde ik daar gaarne een Model van hebben. neem het weg Kind, teken het na; en laat my nu alleen.
BIANCA.
    U alleen laaten! waarom dat?
CASSIO.
    Ik wagt hier op den Generaal; en geloof niet dat hy gaarne ziet, dat ik met een Vrouwspersoon in gesprek ben.
BIANCA.
    Waarom dan niet?
CASSIO.
    Niet om dat ik U niet bemin.
BIANCA.
    Zekerlyk bemint gy my nu niet. kom, vergezel my een weinig, en zeg my, of ik U dezen avond nog zien zal?
[p. 110]
CASSIO.
    Ik kan U niet ver vergezellen, want ik wagt hier, maar ik kom ras by U.
BIANCA.
    Nu, ik moet het dan daar op laaten aankomen.
Einde van het Derde Bedryf.
Continue
[
p. 111]

VIERDE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

Het Tooneel verbeeld een Kamer op het Slot.

OTHELLO, JAGO.

JAGO.
Gelooft gy dat?
OTHELLO.
    Of ik dat geloof, Jago?
JAGO.
    Hoe, elkander heimelyk te kusschen?
OTHELLO.
    Een ongeoorloofde kus!
JAGO.
    Of naakend met haare Vrienden één of twee uuren in ’t bed te leggen, zonder iets kwaads in ’t zin te hebben? zou dat niet mogelyk zyn?
OTHELLO.
    Naakend in ’t Bed, Jago, zonder eenig kwaad in ’t zin te hebben? dat zou een Huichelary zyn om den Duivel gek te maaken! Lieden die met deugdelyke oogmerken, zulke gevaarlyke Zaaken waagen, dier deugd verzoekt den Duivel; en zy verzoeken den Hemel.
JAGO.
    Wanneer zy niets doen, zo is het doch eene verzoekende Zonde, maar wanneer ik myn Vrouw een Neusdoek geef......
OTHELLO.
    Wat dan?
[p. 112]
JAGO.
    Wat? wel dan behoord hy aan haar, Myn Heer: en wanneer het aan haar behoord, denk ik dat zy het aan ieder kan geeven.
OTHELLO.
    Zy is ook bezitster van haar Eer, kan zy die ook weggeeven?
JAGO.
    Haare Eer is iets onzichtbaars. dikmaals vertrouwd men ze aan de geen’ die ze niet hebben. maar haar Neusdoek.....
OTHELLO.
    By den Hemel, ik had dat zo gaarne vergeeten! — gy zegt — ô! hy zweeft over myne gedachtenisse heen, gelyk de Raaf over een huis, daar eene Ziekte in heerscht, die alle die daar in zyn, den dood aankondigt — gy zegt hy heeft myn Neusdoek?
JAGO.
    Nu Ja, — wat is dat toch?
OTHELLO.
    Dat is nu zo onverschillig niet.
JAGO.
    Hoe? wanneer ik U nu zeide; dat ik gezien had dat hy U beleedigde; of dat ik hem had hooren zeggen — want ’er zyn waarlyk zulke schurken, die iets van de Vrouwen, door haar onstuimige beden; of door vrywillige giften van de Vrouwen zelfs, gedwongen en gerooft hebben, en dan doorgaans zich niet kannen inhouden, om het rond te vertellen.
OTHELLO.
    Heeft hy dan wat gezegt?
JAGO.
    Dat heeft hy zekerlyk, Myn Heer; maar geloof my, hy zou het thans weder loogchenen, en verzweeren.
[p. 113]
OTHELLO.
    Wat heeft hy dan gezegt?
JAGO.
    Wel, hy had by haar — ik weet niet wat — gedaan.
OTHELLO.
    Wat dan?
JAGO.
    Geleegen. —
OTHELLO.
    By haar?
JAGO.
    By haar; op haar; zo gy wilt.
OTHELLO.
    By haar! op haar! by haar geleegen! dat is alles wat men zeggen kan! — dat is afschuwelyk! — Neusdoek! — bekentenis — Neusdoek — bekennen zal hy, en voor zyn moeite gehangen worden — eerst gehangen worden — en dan — bekennen. — ik zidder daar voor — de natuur kan by my zulke krimpende aandoeningen niet zonder een geheim voorgevoel ontdekken. — het zyn geen bloote woorden die my zo doen trillen — ha! — neuzen, ooren en lippen..... Is ’t mogelyk? — bekennen — Neusdoek! — ô Duivel! —
(Hy valt in onmacht.)
JAGO.
    Werk nu, myn Geneesmiddel: werk! — zo moet men ligt geloovige Gekken vangen. menige waardige en onschuldige Vrouwspersoonen komen even op deze wyze om haar goeden naam. — he! myn Heer! — Generaal! — Othello! — Zie daar Cassio!



[p. 114]

TWEEDE TOONEEL.

CASSIO. De voorigen.

BIANCA.
CASSIO.
    Hoe gaat het hier.
JAGO.
    De Generaal heeft de vallende Ziekte gekreegen; het is de tweeden aanval; hy had ’er gisteren reeds een.
CASSIO.
    Vryf hem de slaapen van ’t hoofd.
JAGO.
    Neen, laat hem maar begaan; men moet de onmacht haar gerusten loop laaten: zomtyds komt hem het schuim voor den Mond, en hy word dan geheel raazend en woedend. Zie, hy komt by. verwyder U nu een weinig; hy zal zich terstond weder herhaalen. wanneer hy weg is, wil ik gaarn over een gewigtige Zaak met U spreeken.



DERDE TOONEEL.

JAGO, OTHELLO.

JAGO.
    Hoe gaat het, Myn Heer? — hebt gy uw hoofd niet gestooten?
OTHELLO.
    Spot gy met my?
JAGO.
    Ik met U spotten! — neen, waarachtig niet. Ik wenschte dat gy uw noodlot als een Man verdroeg.
[p. 115]
OTHELLO.
    Een gehoornd Man is een Monster; is een Beest.
JAGO.
    Nu, dan zyn ’er veele Beesten, in een volkryke Stad; en veele tamme en wellevende Monsters.
OTHELLO.
    Gaat het daar zo?
JAGO.
    Waarde Generaal, wees toch een Man; bedenk toch, dat ieder baardig Mensch, die in ’t echtjuk gespannen is, mogelyk met U aan eene streng trekt. daar leven thans Millioenen Mannen, die alle nacht in een bed leggen dat zy met andere deelen; en die echter daar op zouden zweeren, dat het hen alleen behoord. Zy zyn daar toch beter aan. ô! de Helle heeft haar grootste vreugde daar over, en de Duivel heeft daar zyn grootste vermaak in, wanneer hy een Overspeelster op een verzekerd Echtbedde liggen, en haar voor onschuldig kan uitgeeven. Neen, liever wil ik het weeten; en wanneer ik weet wat ik ben, dan weet ik ook wat zy worden zal.
OTHELLO.
    ô! Gy hebt veel verstand, dat is zeker.
JAGO.
    Gaat nu eens een oogenblik op zyde; verberg U, en hoor oplettend toe. geduurende de tyd dat gy hier, door uwe zorg — een hartstocht die zulk een Man zeker niet betaamd — overweldigt lag, kwam Cassio hier. ik bedacht terstond eene goede ontschuldiging voor uwe onmacht, en maakte dat hy weg kwam; heette hem echter terstond weder te komen, wyl ik met hem te spreeken had. Hy beloofde dit. Verberg U dus hier omtrend, en geef acht op den hoon, het spottende lagchen, en de blykbaare verachting, die in alle zyn gezichtstrekken doorstraald. want hy zal [p. 116] zyn verhaal weder van vooren af aanvangen, hoe, door wie, waar zo, zedert hoe lang, en wanneer hy met uw Vrouw is betrouwd geworden; en wanneer hy haar weder bezoeken zal. Geef dan op zyne gebaarden acht! — ô Wees toch gerust; of ik zou waarlyk moeten gelooven, dat gy van onderen tot boven alleen galle zyt; en niets het geringste van een Man bezit.
OTHELLO.
    Hoor, Jago; ik zal U bewyzen, dat ik myn geduld reeds in myn geweld hebbe; maar hier na zal het ook des te bloediger voortgaan.
JAGO.
    Dat kan niet schaaden; maar alles te regter tyd — wilt gy nu ter zyden gaan? — (Othello verwydert zich.) Nu zal ik Cassio naar zyn Bianca vraagen. een goed Huiswyf dat haare lusten verkoopt, en zich brood en klederen daar voor bezorgt. die Zottin is ontzachlyk op Cassio verliefd; en het is gemeenlyk de straf van zulke Hoertjes dat zy ’er veele bedriegen en van den een of ander ook bedroogen worden. Wanneer hy van haar hoord spreeken kan hy zich niet onthouden om overluid te lagchen — daar komt hy — hoe meer hy zal lagchen, des te meer zal Othello raazen. en zyne gekke minnenyd, uit het lagchen, de gebaarden, en zorgelooze houding van den armen Cassio, geheel verkeerd uitleggen.



VIERDE TOONEEL.

JAGO, CASSIO, OTHELLO, (ter zyde.)

JAGO.
    Hoe gaat het, waarde Luitenant?
CASSIO.
    Veel slimmer, om dat gy my een naam geeft, wiens berooving my het leven haatelyk maakt.
[p. 117]
JAGO.
    Houd U maar ter deegen vast aan Desdemona, zo kan het U niet ontgaan. (zagter.) ô! Als de verkryging uwer bede aan Bianca stond, hoe ras zoud gy dezelve zien vervullen.
CASSIO.
    Ha! ha, die arme Zottin.
OTHELLO.
    ,, Ziet eens, hoe hy reeds lagcht.”
JAGO.
    Ik heb noch geen Vrouwspersoon op iemant zo verliefd gezien.
CASSIO.
    Die arme Gekkin! ik geloof waarlyk, dat zy op my verliefd is.
OTHELLO.
    ,, Hy ontkend het zo koeltjes; en rechtvaardigt het met lagchen.
JAGO.
    Hoor eens Cassio.
OTHELLO.
    Nu gaat hy op hem af, om hem te verhooren. — zeer goed; nu verder — nu verder. —
JAGO.
    Zy verspreid dat gy haar wilt trouwen.
CASSIO.
    Ha! ha! ha!
OTHELLO.
    Triumpheert gy Romein? (bb) Triumpheert gy?
CASSIO.
    Ik haar trouwen! — een barmhertige Zuster? — ô hebt doch meer liefde voor myn ver-

    (bb) OTHELLO. noemt hem in een’ verkeerden Zin, een Romein. de Triumph die eene Romeinsche feestlykheid was, bragt hem tot die gedachten.            JOHNSON.

[p. 118]
stand! acht het niet zo geheel bedorven. ha! ha! ha!
OTHELLO.
    ,, Zo! zo! zo! hy die wint heeft goed lagchen.”
JAGO.
    Waarlyk de spraak gaat, dat Gy haar zult trouwen!
CASSIO.
    Zeg eens, is dat waar?
JAGO.
    Ik wil een Schelm zyn, zo ’t niet waar is.
OTHELLO.
,, Hebt gy reeds op myn dood gerekend? — goed.”
CASSIO.
    Die Aapin heeft dat zelfs uitgebragt. Zy heeft zich in ’t hoofd gesteld dat ik haar zou huwen; alleen, om dat zy zulks wenscht, en zich daar mede vleid; en niet om dat ik haar zulks belooft heb.
OTHELLO.
    ,, Jago wenkt my; nu zal de Historie beginnen.”
CASSIO.
    Zy was daar even hier, en vervolgt my overal. ik was flus aan den Oever, en sprak met eenige Venetiaanen, daar komt die Gekkin, en valt my so om den hals......
OTHELLO.
    ,, En riep: myn allerliefste Cassio! of zo iets. dit zeggen zyn gebaarden.”
CASSIO.
    Hangt aan my, en leund zich weenende tegen my; en streeld en drukt my — ha! ha! ha!
OTHELLO.
    ,,Thans verteld hy, hoe zy hem in myn Slaapkamer gestreeld heeft. ô! Ik zie uw neus wel voor my, maar den hond noch niet, die ik hem wil voorwerpen!”
[p. 119]
CASSIO.
    Nu, ik moest my van haar losrukken.
JAGO.
    Op myn Eer, daar komt zy zelf.
CASSIO.
    Welk een Meerkat is dat toch! — die daarenboven nog zo naar Bisam ruikt. —



VYFDE TOONEEL.

JAGO, CASSIO, BIANCA, OTHELLO, (ter zyden.)

CASSIO.
    Wat zal dat dan beduiden, dat gy my overal naarloopt?
BIANCA.
    De Duivel en zyn Grootmoeder mag U naarloopen! wat zal dan die Neusdoek beduiden, die gy my voorheen gaaft? ik was wel een groote Zottin, dat ik hem aannam. Ik zou dat Monster namaaken! Het is ook zeer geloofbaar, dat gy zulk een schoone doek in uw Kamer gevonden hebt, en niet weet wie hem daar liet liggen! Het is zekerlyk eene gedachtenis van een Byzit hier of daar; en ik zou dat werk nazien. daar — geef het aan uw Steekpaard. Waar gy dat ook moogt hebben, ik wil het Monster daar niet van neemen: dat wil ik niet.
CASSIO.
    Nu, myn schoone Bianca; wat is ’t? wat is ’t?
OTHELLO.
    ,, Dat zal waarachtig myn Neusdoek zyn!”
BIANCA.
    Zo gy dezen Avond by my eeten wilt; gy kunt; [p. 120] en zo gy niet wilt, zo komt, als gy ’er de volgende reis lust toe hebt.
(Zy vertrekt.)
JAGO.
    Loop haar na, loop haar na......
CASSIO.
    Dat moet ik doen, eer zy op de Straat geweld maakt.
JAGO.
    Wilt gy dezen Avond by haar eeten?
CASSIO.
    Ja, dat ben ik voorneemens.
JAGO.
    Goed. mogelyk zie ik U daar; want ik wil gaarne met U spreeken.
CASSIO.
    ô, Komt daar als gy lust hebt. zult gy?
JAGO.
    Ga maar, ik zal vast komen.



ZESDE TOONEEL.

OTHELLO, JAGO.

OTHELLO.
    Hoe zal ik hem pynigen, Jago?
JAGO.
    Hebt gy gezien hoe lustig by zich over zyne Echtbreekery gedroeg?
OTHELLO.
    ô! Jago! —
JAGO.
    En zag gy de Neusdoek?
OTHELLO.
    Was het de myne.
JAGO.
    Het was den uwen, op myn Eer! nu hebt gy [p. 121] eens gezien hoe veel werk hy van die Gekkin, uw Gemalin maakt — zy gaf denzelven aan hem; en hy gaf dien aan zyn Byzit.
OTHELLO.
    Dat ik toch negen Jaaren lang aan hem moorden kon! — een schoon Wyf! een knap Wyf! een zoet Wyf!
JAGO.
    Neen, denk daar liever niet aan.
OTHELLO.
    ô! Zy mag deze nacht nog vervuilen, verdorren, en ter Helle vaaren; leven zal zy niet: neen, myn hert is in Steen veranderd; ik slaa ’er tegen, en myn hand voeld ’er pyn van. — ô! de geheele Waereld had geen beminlyker Schepsel! Zy had aan de zyde van eenen Keizer kunnen liggen: hy zou haar Slaaf geweest zyn.
JAGO.
    Maar, daar moet gy thans niet aan denken.
OTHELLO.
    Verwenscht is zy! ik zeg maar wat zy is — zulk eene fyne Borduurster met de naalde! — zulk een kenster der Muziek! — ô! Zy kan de wildheid uit eenen Beer, door haar gezang, rukken! — zo beleeft! zo wys! zo vol verstand!
JAGO.
    Zo veel te slimmer zo zy dat alles is.
OTHELLO.
    Ja, zekerlyk: duizend, duizendmaal slimmer! — en dan nog van zulk een bevallig gedrag!
JAGO.
    Zekerlyk, veel te bevallig!
OTHELLO.
    Altoos. maar het is doch schaade Jago. — ô Jago! het is schaade..... Jago!
[p. 122]
JAGO.
    Wanneer zy nog zo lief in haare boosaartigheid is; zo geef haar liever een Vrybrief om te Zondigen. maar wanneer gy daar onverschillig by zyt, zo bekommerd het niemand.
OTHELLO.
    Ik wil haar in kleine stukken houwen! — my hoornen opzetten!
JAGO.
    ô! Dat is een laagheid van haar!
OTHELLO.
    Met mynen Luitenant!
JAGO.
    Dat is nog laager.
OTHELLO.
    Bezorg my een weinig vergift dezen nacht, Jago; ik wil geen Woordenwisseling met haar aanvangen, op dat haare Beeldtenis en Schoonheid myn besluit niet weder doet wankelen! — deze nacht Jago.
JAGO.
    Doet zulks niet door vergift: verworg haar in haar bed; haar bed dat zy ontëerd heeft.
OTHELLO.
    Goed, goed, de rechtvaardigheid dezer straffe bevalt my! — zeer goed.
JAGO.
En laat my voor Cassio zorgen, om middernacht zult gy meer verneemen.
(Men hoord een Trompet.)
OTHELLO.
    Nu, zeer goed. — wat is dat voor een Trompet?
JAGO.
    Zekerlyk een tyding uit Venetiën. het is Lodovico, door den Hertog hier gezonden. Ziet gy, hy komt daar met uw Gemalin.



[p. 123]

ZEVENDE TOONEEL.

LODOVICO, DESDEMONA, GEVOLG.
De voorigen. LODOVICO.

    Ik ben uw Dienaar, Heer Generaal!
OTHELLO.
    Ik den uwen, van gantscher herte.
LODOVICO.
    De Hertog en de Senatoren, doen U vriendelyk groeten.
(Hy geeft hem een Brief.)
OTHELLO.
    Ik eerbiedig de tekenen van haare bevelen.
DESDEMONA.
    Wat brengt gy nieuws, lieve Neef, Lodovico?
JAGO.
    Ik verheug my zeer, door U te zien, Myn Heer. welkom in Cyprus.
LODOVICO.
    Ik bedank U. hoe maakt het den Luitenant Cassio?
JAGO.
    Hy is nog in leven.
DESDEMONA.
    Neef, myn Gemaal ligt met hem in onmin, maar hy zal alles weder goed maaken.
OTHELLO.
    Weet gy dat zo zeker?
DESDEMONA.
    Wat! Myn Gemaal?
OTHELLO, (lezende.)
    ,, Vergeet niet dit te volbrengen, zo lief Uw...”
LODOVICO, (tegen Desdemona.)
    Hy sprak niet met U; hy is met den Brief beezig. — is ’er dan een misverstand tusschen den Generaal en Cassio?
[p. 124]
DESDEMONA.
    Een zeer ongelukkig misverstand. ik zou gaarne alles doen, om haar weder te verzoenen, zo lief is my Cassio.
OTHELLO.
    Vuur en Zwavel!
DESDEMONA.
    Myn Gemaal!
OTHELLO.
    Zyt gy by uw Verstand?
DESDEMONA.
    Hoe! is hy boos?
LODOVICO.
    Mogelyk baard hem de Brief eenige moeilykheid; want ik vermoede dat men hem te rug roept, en hem beveeld om het Stadhouderschap aan Cassio over te geeven.
DESDEMONA.
    Op myn Eer, dat verheugd my.
OTHELLO.
    Waarlyk!
DESDEMONA.
    Myn Gemaal!
OTHELLO, (ter zyde.)
    Ik verheug my, U dol te zien.
DESDEMONA.
    Wat, myn Liefste Othello?
OTHELLO, (haar slaande.)
    Duivel!
DESDEMONA.
    Dat heb ik niet verdiend.
LODOVICO.
    Heer Generaal; in Venetiën zou niemant zulks gelooven, al wilde ik zelfs zweeren dat ik het gezien hadt. dat gaat te ver. maakt het weder goed. — zy weend.
OTHELLO.
    ô Duivel! Duivel! indien de Aarde van Wyven traanen kon baaren, zo zou iedere droppel
[p. 125]
die zy vallen laat, een Krokodil worden. — voort, uit myne oogen.
DESDEMONA.
    Ik wil niet blyven, om U nog meer te ergeren.
(Zy vertrekt.)
LODOVICO.
    Waarlyk een onderdaanige Vrouw. — ik bid U, Myn Heer, roep haar toch te rug.
OTHELLO.
    Mevrouw! —
DESDEMONA, (te rug komende.)
    Myn Gemaal!
OTHELLO.
    Wat wilt gy, Myn Heer?
LODOVICO.
    Wie? ik? Myn Heer?
OTHELLO.
    Ja; gy wenschte dat zy mogt te rug keeren. Heer, zy kan zich omkeeren, en doch voorwaards gaan, en weder keeren; en zy kan weenen, Myn Heer; weenen. en zy is gehoorzaam, zo gy zegt. .... gehoorzaam.... zeer gehoorzaam.... weent nu altoos voort!... In deze Stukken, Myn Heer —..... ô! die hartstochten speeld zy voortreffelyk! men roept my naar Venetiën te rug — gaa nu maar voort; ik zal U terstond laaten haalen — Myn Heer ik zal het bevel gehoorzaamen, en zal naar Venetiën te rug keeren — aanstonds voort! — mars! (Desdemona vertrekt) Cassio zal myn plaats hebben; en.... Myn Heer, ik verzoek U dezen Avond met my te Eeten — gy zyt my in Cyprus welkom! (ter zyde.) Die Geiten en Aapen in Venetiën!.....



[p. 126]

AGTSTE TOONEEL.

LODOVICO, JAGO.

LODOVICO.
    Is dat de Edlen Moor, die onzen gantschen Senaat zyn alles in allen noemt? is dit die Ziele, die geen hartstocht beweegen kon? Wiens gestrenge deugd, noch door den Pyl des Noodlots, noch door den Speer des geluks getroffen, noch gewond kon worden?
JAGO.
    Hy heeft zich sterk verandert.
LODOVICO.
    Is hy by zyn verstand? heeft hy mogelyk niet een zwak hoofd?
JAGO.
    Hy is ’t geen hy is; ik mag niet zeggen wat ik denk. ik wenschte dat hy ’t was; dat ligt zyn kon, wanneer hy niet waarlyk reeds zo is.
LODOVICO.
    Wat? zyn Vrouw te slaan?
JAGO.
    Dat was zekerlyk niet braaf van hem. en evenwel wenschte ik te weeten, dat dezen slag het ergste geweest was!
LODOVICO.
    Is hy dat gewoon? of werkte de Brief zo sterk op zyn bloed, dat hy zich zo in de eerste hitte verging?
JAGO.
    ô Hemel! ik zou niet eerlyk handelen, wanneer ik alles wilde zeggen wat ik gezien en ondervonden heb. gy zult hem toch zelfs leeren kennen; en zyn eigen gedrag zal hem reeds zo wel aftekenen, dat ik niets meerder zeggen durf. ga hem maar na, en ziet verder toe, hoe by zich in ’t vervolg houden zal.
[p. 127]
LODOVICO.
    Het doet my leed, dat ik my aan hem gestoord heb.



NEGENDE TOONEEL. (*)

Het Tooneel verbeeld eene andere Kamer op het Slot.

OTHELLO, EMILIA.

OTHELLO.
    Gy hebt dan niets gezien?
EMILIA.
    Ook niets van zulke zaaken gehoord, of iets vermoedt.
OTHELLO.
    Gy hebt toch Cassio en haar by elkander gezien.
EMILIA.
    Ja, maar daar zag ik niets kwaads; en ik hoorde iedere Syllabe die zy met elkander spraaken.
OTHELLO.
    Fluisterden zy niet eens saamen?
EMILIA.
    In ’t geheel niet, Myn Heer.
OTHELLO.
    En stuurden zy U niet eens weg?
EMILIA.
    Geenzins.
OTHELLO.
    Niet eens, om haar waaijer, haare handschoenen, haar Masker of iets diergelyks te haalen?
EMILIA.
    Om niets, Myn Heer.
OTHELLO.
    Dat is bizonder!
EMILIA.
    Ik wil myn Ziel daar op verwedden, Myn [p. 128] Heer, dat zy eerlyk is. En zo gy anders denkt, zo verband deze gedachten; zy bedriegen uw hart. de Hemel vergeld het de Elendelingen die U zulks in ’t hoofd gebracht hebben, met den vloek der Slange: want wanneer zy niet deugdzaam, zedig en trouw is, zo is ’er geen gelukkig Man op de Waereld; zo is de onschuldigste onder de Vrouwen zo strafbaar als het Overspel.
OTHELLO.
    Laat zy by my komen — ga! — (Emilia vertrekt.) Zy zegt genoeg — maar het zou wel eene onnozele Koppelaarster zyn, die niet even zo veel zou kunnen zeggen. — dit is een slimme Hoer; het Slot en de Sleutel voor het boeven Kabinet! en echter ligt zy op de kniën, en bid: dat heb ik zelfs gezien.



TIENDE TOONEEL.

OTHELLO, EMILIA, DESDEMONA.

DESDEMONA.
    Wat beveeld gy, Myn Gemaal?
OTHELLO.
    kom nader myn Duifje: ik verzoek het U.
DESDEMONA.
    Wat beveeld gy?
OTHELLO.
    Laat my uwe oogen zien. Zie my in ’t aangezicht.
DESDEMONA.
    Wat is dat voor een schrikkelyke inval?
OTHELLO, (tegen Emilia.)
    Volvoer uw ampt, Vrouw Koppelaarster; laat de twee Boelen alleen, en sluit de deur toe: hoest of roept; hem! wanneer ’er iemant komt! — uw kunst! uw kunst! — nu, ga voort.



[p. 129]

ELFDE TOONEEL.

OTHELLO, DESDEMONA.

DESDEMONA.
    Ik bid U op myne kniën, wat wilt gy eigentlyk zeggen? ik verstaa de gramschap uwer woorden; maar de woorden zelf niet.
OTHELLO.
    Ha! wie zyt gy?
DESDEMONA.
    Uw Vrouw, Othello. Uw trouwe en redelyke Vrouw.
OTHELLO.
    Kom, zweer, verdoem U zelf; anders mochten de Duivels schuuw zyn om de hand aan U te leggen, wyl gy zo veel overeenkomst met een hemelsch wezen hebt. daarom zyt gy dubbeld verdoemd. zweer, dat gy eerlyk zyt.
DESDEMONA.
    Dat weet de Hemel!
OTHELLO.
    De Hemel weet dat gy zo valsch, als de Hel, zyt.
DESDEMONA.
    Tegen wie, myn Gemaal? wanneer? wie bestaan ik valsch?
OTHELLO.
    ô Desdemona! voort! voort! voort!
DESDEMONA.
    ô Ongelukkige dag! — waarom weent gy? — ben ik de oorzaak dezer traanen, myn Gemaal? denkt gy mogelyk, dat myn Vader aan uwe terugroeping schuld heeft, zo laat my dat niet ontgelden. wanneer gy zyne Vriendschap verlooren hebt, toen heb ik dezelve ook verlooren.
[p. 130]
OTHELLO.
    Had het den Hemel bevallen my door boeijen te beproeven, had hy alle wyzen van smaadheden, en krenkingen op myn ontblood hoofd nedergeregend; my tot aan de lippen in armoede gedompeld; my en alle myne hoope aan de gevankenisse overgegeeven; dan zou ik toen nog ergens een hoek myner Ziele, een dropje geduld gevonden hebben. maar ach! dat hy my een vastgestooken Uurwyzer voor de tyd des hoons geeft, waar op deze geduurig met zynen langzaamen en onbeweegbren (cc) Vinger wyst. — ach! ach! — en echter dit kon ik nog verdraagen; zeer goed verdraagen. maar daar, waar ik den schat mynes herte verwagtte; waar ik herleven, of niet verder leven moest: een Bron waar uit den Stroom myner gelukzaligheid moest vlieten, of zich gantsch verdroogen. — dat ik daar van verdreeven ben; of dezelve als een Poel daar haatelyke Padden in broeijen, moet behouden! — ô, daar veranderd uw kleur by. geduld! gy Jonge, rozenwangige Cherub! ziet daar zo duister by uit als de Helle!
DESDEMONA.
    Ik hoop dat myn Edle Gemaal my voor onschuldig houdt.
OTHELLO.
    Ja, Ja. zo als Zomervliegen in Slagthuizen, die reeds hoereeren als zy het leven ontvangen, ô! Gy onkruit! gy ziet ’er zo schoon uit, en ruikt zo lieflyk, dat men ’er hoofdpyn van krygt. — waart gy toch nooit gebooren!

    (cc) Het voornaam woord, onbeweegbren (unmoving) is zeer beduidend en drukt OTHELLO’S ongeduld uit. Hy die het verloop van één Uur met verlangen verwagt, schynt de Uurwyzer zekerlyk weinig voor te vorderen.
            STEEVENS.

[p. 131]
DESDEMONA.
    Myn God! welke Zonden heb ik dan buiten myn weeten begaan?
OTHELLO.
    Was dit schoon Papier, dit net Boek gemaakt, om daar Hoer op te schryven? — wat gy begaan hebt? — begaan! — ô! gy gemeene Overspeelster! ik zou myne Wangen tot Vuurovens maaken, daar de zedigheid verbranden moet! — wat gy begaan hebt? — de Hemel mag het niet ruiken; de Maan niet zien; de overspeelige Wind, die alles kust wat hem voorkomt, is in de holle diepte der Aarde stom geworden, en wil het niet hooren. — wat gy begaan hebt? — onbeschaamde Echtbreekster!
DESDEMONA.
    Waarlyk gy doet my onrecht.
OTHELLO.
    Zyt gy geen Echtbreekster?
DESDEMONA.
    Neen, zo waar ik een Christen ben! — wanneer een Vrouw, die haare Eer alleen voor haar Gemaal, en van iedere vreemde, onkuische, onge oorloofde neiging rein bewaard heeft, geen Echtbreekster is, zo ben ik ’er geen.
OTHELLO.
    Wat, geen Hoer?
DESDEMONA.
    Neen, zo waar ik Zaalig hoop te worden!
OTHELLO.
    Is dat mogelyk?
DESDEMONA.
    ô Hemel! wees ons genadig!
OTHELLO.
    Zo bid ik U om vergeeving. ik zag U voor eene geraffineerde Hoer van Venetiën aan; die met Othello huwdde. — (Emilia komt.) En gy Vrouwmensch! dat met Sint Pieter een tegenovergesteld [p. 132] Ampt hebt, en de deur der Helle hoedet! — gy! gy! Ja, gy! — wy zyn vaardig met elkander; daar hebt gy geld voor uwe moeite; maak nu op, en verraad ons niet.



TWAALFDE TOONEEL.

DESDEMONA, EMILIA.

EMILIA.
    Hemel! welke invallen heeft dezen Man? — hoe gaat het Mevrouw? — hoe bevind gy U?
DESDEMONA.
    Als in een Droom.
EMILIA.
    Zeg my toch, wat scheeld myn Heer?
DESDEMONA.
    Wie?
EMILIA.
    Uw Gemaal, Mevrouw.
DESDEMONA.
    Ik heb geen Gemaal: vraag my niets Emilia, ik kan niet weenen; en echter niet anders dan met traanen antwoorden. leg dezen Avond doch het Laaken van myn Bruidsnacht op myn Bed. vergeet het niet; en roept uw Man hier.
EMILIA, (heen gaande.)
    Welk een verandering!
DESDEMONA.
    Het is billyk dat men my zo behandeld; zeer billyk! hoe heb ik my dan gedraagen, dat hy het geringste vermoeden, van de grootste ongerechtigheid op my werpen kan?



[p. 133]

DERTIENDE TOONEEL.

DESDEMONA, JAGO, EMILIA.

JAGO.
    Wat belieft U, Mevrouw? hoe vaart gy?
DESDEMONA, (voor zich.)
    Ik weet niet wat dat zeggen wil. wanneer men jonge Kinderen onderricht, zo doet men het met vriendlykheid; en moedigt hun aan. op zulk eene wyze had hy my ook kunnen onderhouden, want waarlyk, ik ben als een Kind wanneer men my bestraft.
JAGO.
    Waar spreekt gy van Mevrouw
EMILIA.
    Ach! Jago, Myn Heer heeft haar voor een Hoer gescholden, en haar zulke verachtelyke Schimpnaamen gegeeven, die een eerlyk gemoed niet verdraagen kan.
DESDEMONA.
    Verdien ik die naamen, Jago?
JAGO.
    Welke naamen, Mevrouw?
DESDEMONA.
De naamen die my, zo ze zegt, Myn Man gegeeven heeft?
EMILIA.
    Hy noemde haar Hoer. een dronken Bedelaar kan zyn Byzit niet slimmer schelden.
JAGO.
    Waarom deed hy dat?
DESDEMONA.
    Dat weet ik niet; maar zeker weet ik, dat ik het niet ben.
[p. 134]
JAGO.
    Ween toch niet; ween toch niet — dat God zich ontferme!
EMILIA.
    Heeft zy zo veele voornaame partyen afgeslaagen, haar Vader, haar Vaderland, en haare Vrienden verlaaten, om voor Hoer uitgescholden te worden? Zou men daar over niet weenen?
DESDEMONA.
    Dat is nu myn rampzaalig noodlot.
JAGO.
    Die booze Man! hoe komt hy doch aan dergelyke invallen?
DESDEMONA.
    Ja, dat weet de Hemel!
EMILIA.
    Ik laat my hangen, indien niet ergens een helsche Booswigt, een ontaarte en valschspreekende Schurk, een Praatzuchtige, bedriegende Boef deze misdryven bedacht heeft, om een bediening van hem te verkrygen. Ik wil my hangen laaten indien dat zo niet is.
JAGO.
    ô! Foei! zulk een Mensch is ’er in de Waereld niet; dat is niet mogelyk.
DESDEMONA.
    Is ’er zo een, dan vergeeve den Hemel hem zulks.
EMILIA.
    Een Strop vergeef hem! en de Hel knaage zyn gebeente! waarom moest hy haar Hoer heeten? wie gaat met haar om? waar? wanneer? hoe? waar blykt eenige waarschynlykheid daar van? de Moor is bedroogen — door eenen onwaardigen Schurk; een schandelyken Boef; of verworpen Booswicht — ô Hemel! dat gy toch zulke Zonden aan ’t licht bragt, en aan iedere rechtschaapene hand een Geesselroede wilde geeven, om dien Booswicht [p. 135] naakend door de Waereld te dryven; van het Oosten tot het Westen.
JAGO.
    Schreeuw doch zo niet; dat men het op de Straat hooren kan.
EMILIA.
    ô! Foei! zulke Schurken! — zulk een Kaerel was het zekerlyk ook, die U ook eens kwaade gedachten in ’t hoofd bragt; om my en den Moor verdacht te maaken.
JAGO.
    Gy zyt niet wys; gaa heen.
DESDEMONA.
    Ach! Jago, wat zal ik doen, om myn Gemaal weder te winnen? gaat hem tegen myn goede Vriend, want zo waarachtig als deze Zon aan den Hemel schynt, ik weet niet hoe ik zyn hert verlooren heb! (Zy knield.) Hier kniele ik, hebbe ik in myn wille, of reden, of gedachten, of werken zich aan zyne liefde verzondigt; of hadden myne oogen, myne ooren, of eenige myner zinnen zich aan een ander onderwerp vergreepen; of bemin ik hem niet nog; heb ik hem niet altoos bemind, en zal ik hem niet altoos hertelyk beminnen; en zelf wanneer hy my als een Bedelaarster verstootte, zo komt ’er nooit rust in myne Ziele! — onvriendelykheid vermag veel; en zyne onvriendlykheid kan my om ’t leven brengen, maar echter myne liefde nooit verminderen. Ik kan het woord, Hoer, niet zonder schrikking uitspreeken; maar iets te doen waar door ik deze naam zou verdienen, daar toe zouden alle de Schatten der Waereld my niet kunnen beweegen.
JAGO.
    Ik bid U wees gerust; het is alleen eene grilligheid van hem. De Staatszaaken gaan niet zo als hy wel wenschte, en nu scheld by op U.
DESDEMONA.
    Indien het niets anders waar......
[p. 136]
JAGO.
    Het is alleen dat; daar blyf ik Borg voor, (Men hoord Trompetten.) Hoord gy, men blaast voor het Avondmaal, en de Afgezanten van Venetiën wagten reeds. Gaat toch heen, en ween niet; het zal nog alles goed worden.



VEERTIENDE TOONEEL.

JAGO, RODERIGO.

JAGO.
    Zie daar, Roderigo!
RODERIGO.
    Ik zie niet dat gy redelyk met my handeld.
JAGO.
Waarom dan niet.
RODERIGO.
    Alle dagen draait gy my een rad voor de oogen, Jago; en verwydert my, wanneer my iets voorkomt, veelmeer van alle goede gelegenheden, als dat gy my de geringste wenschelykste voordeelige gelegenheid aan de hand zoud geeven. Waaragtig ik wil het niet langer dulden. ook ben ik niet van zints alles gerust op te kroppen wat ik op deze wyze tot nu toe geleden heb.
JAGO.
    Wilt gy my niet hooren spreeken, Roderigo?
RODERIGO.
    Waarachtig, ik heb reeds zo veel gehoord; maar uwe woorden en uwe daaden hebben niets met elkander gemeen.
JAGO.
    Gy beschuldigt my zeer onrechtvaardig.
RODERIGO.
    Ik geef U geen schuld, als daar de waarheid zelfs spreekt. Ik heb myn geheel vermogen doorge- [p. 137] bracht. de Juweelen die gy van my ontvangen hebt om dezelve aan Desdemona te vereeren, hadden een Vestaalsche Nonne kunnen vervoeren. Gy hebt my gezegt, dat zy dezelve heeft aangenoomen, en gaf my daar voor de troostlykste verzekeringen, dat ik spoedig met haar nader zou bekend worden; maar dat geschied niet.
JAGO.
    Goed. nu verder; zeer goed.
RODERIGO.
Zeer goed! nu verder! — Ik kan niet verder Jago, en het is ook niet zeer goed. neen, my dunkt dat het Boevenwerk is; en ik begin te merken dat men met my spot.
JAGO.
    Zeer goed.
RODERIGO.
    Ik zeg U, het is niet zeer goed. ik wil my aan Desdemona zelfs ontdekken; wil zy my myne Juweelen wedergeeven dan stap ik van myn oogmerk af; en betreur myn ongeoorlooft vertrouwen: zo niet, wees dan verzekert, dat ik van U vergoeding zal wagten.
JAGO.
    Is dat alles?
RODERIGO.
    Ja, en wat ik gezegt heb, wil ik waaragtig ook uitvoeren.
JAGO.
    Ha! nu zie ik evenwel dat gy vuur hebt; en van dit oogenblik af bekom ik een beeter denkbeeld van U, als tot nu toe. geef my de hand Roderigo. gy hebt my zeer gegronde voorwerpen gemaakt, doch ik zwoer U reeds, dat ik my in die zaak altoos oprecht gedragen heb.
RODERIGO.
    Dat heb ik evenwel niet gemerkt.
[p. 138]
JAGO.
    Dat stem ik vrywillig toe, dat gy het niet gemerkt hebt; en uwe argwaan is niet zonder verstand en overlegging. Maar Roderigo, indien gy werkelyk bezit, wat ik U thans meer dan ooit toevertrouwe — ik meen vast besluit, moed, en manhaftigheid — zo toon het deze nacht. zo gy de toekomende nacht Desdemona niet geniet, zo helpt my op eene verradersche wyze uit de Waereld; en overleg vry, om my in ’t geheim te vermoorden.
RODERIGO.
    Nu, wat is het dan? laat het ons met verstand en kloekheid onderneemen.
JAGO.
    ’Er is een uitdrukkelyk bevel van Venetiën gekomen, dat Cassio de plaats van Othello vervullen moet.
RODERIGO.
    Is dat waar? — nu, dan gaan Othello en Desdemona weder naar Venetiën te rug.
JAGO.
    Neen, zeker niet; hy gaat naar Mauritaniën, en neemt de schoone Desdemona met zich; indien niet ergens zyne burgerlyke huishouding door eenig toeval verlengt word. en dat kan nooit beter geschieden, als wanneer Cassio van kant gemaakt word.
RODERIGO.
    Wat zegt gy, hem van kant maaken?
JAGO.
    Wel Ja; hem tot de plaats van Othello onbekwaam maaken; hem den Hals breeken.
RODERIGO.
    En dat zal ik doen?.
JAGO.
    Ja, indien gy hart hebt om U zelf voordeel en recht te verschaffen. Hy spyst dezen Avond [p. 139] met een Byzit; en ik zal hem daar gezelschap houden. Hy weet nog niets van het geluk en de eer die voor hem bestemd zyn. wanneer gy nu wilt oppassen, als hy daar van daan gaat — en ik wil wel maaken dat zulks tusschen twaalf en één uur geschieden zal. — zo kunt gy hem met alle bekwaamheid overvallen. ik zal naby zyn om uwen aanval te ondersteunen; en hy zal tusschen ons beiden vallen. nu, staat zo verstomd niet, gaa maar met my. Ik zal u bewyzen hoe noodzaakelyk zyn dood is, en dan zult gy U verbonden vinden, denzelven te bevorderen. het is reeds hoog tyd voor ’t Avond-Eeten; en de nacht neemt de overhand. wy moeten gaan.
RODERIGO.
    Gy moet my daar eerst meer bewys van geeven.
JAGO.
    Gy zult voldaan worden.



VYFTIENDE TOONEEL. (*)

Het Tooneel verbeeld een Zaal op het Slot.

OTHELLO, LODOVICO, DESDEMONA, EMILIA, GEVOLG.

LODOVICO.
    Ik bid U, Myn Heer, vermoeid U niet verder.
OTHELLO.
    Geloof my, het zal my goed doen een weinig te gaan.
LODOVICO.
    Goede nacht, Mevrouw; ik ben U ten hoogsten dankbaar.
[p. 140]
DESDEMONA.
    Uw bezoek is my zeer aangenaam geweest.
OTHELLO.
    Willen wy een weinig gaan, Myn Heer? — Ach! Desdemona.
DESDEMONA.
    Myn Gemaal?
OTHELLO.
    Gaa op het oogenblik te bed. ik zal terstond weder te rug komen. Laat uw Kamerjuffrouw heen gaan. doet wat ik U zeg.
DESDEMONA.
    Ik zal, myn Gemaal.



ZESTIENDE TOONEEL.

DESDEMONA, EMILIA.

EMILIA.
    Hoe gaat het nu? hy ziet ’er vriendlyker uit, als voorheen.
DESDEMONA.
    Hy zegt, hy zal terstond weder hier zyn, heeft my bevoolen te bed te gaan, en U weg te zenden.
EMILIA.
    My weg te zenden?
DESDEMONA.
    Dat heeft hy my belast. dus myn waarde Emilia, geef my myn nachtgoed, en gaat heen. wy moeten hem thans niet tegenstreeven.
EMILIA.
    Ik wenschte dat gy hem nooit gezien hadt.
DESDEMONA.
    Dat wensch ik niet; myn liefde is zo wel met hem te vreeden; dat zelfs zyn haat, zyne verwy- [p. 141] tingen en toornigen opslag my aangenaam en schoon schynen. — kom, steek my die spelden eens af.
EMILIA.
    Ik heb het Laaken opgelegt, dat gy bevoolen hebt.
DESDEMONA.
    Het is alles een. — lieve Hemel! wat zyn wy toch arme Schepsels — indien ik voor U sterf, zo wend my toch geheel in dit Laken.
EMILIA.
    Ach! Hemel! — wat gy zegt!
DESDEMONA.
    Myn Moeder had een Meisje dat Barbara heette; zy was verlieft; en haar beminde wierd trouwloos, en liet haar zitten. Zy had een lied van den Wilgenboom; het was een oud ding, maar het was toepasselyk op haare omstandigheid en ongeluk, en zy zong het nog toen zy stierf. Dat Liedje kan ik dezen Avond niet uit myne hersens krygen. ik kan my kwalyk inhouden, om het hoofd niet geheel op zyde te houden en het te zingen, zo als de arme Barbara. ik bid U haast U wat.
EMILIA.
    Zal ik hier uw Nachtjak haalen?
DESDEMONA.
    Neen, maak de spelden maar eens los. — die Lodovico is toch een aartig Man.
EMILIA.
    Een net Man.
DESDEMONA.
    Hy spreekt goed.
EMILIA.
    Ik ken eene Dame in Venetiën. die voor eene aanroering zyner lippen, bloots voets naar ’t Beloofde Land zou gaan.
[p. 142]

DESDEMONA, (zingende.) (dd)
        Dat arme Kind! zy zat en zong
        By eenen groenen Boom.
        Heur hand lag op haar tedre borst.
        En ’t hoofd op haare kniën.
        Een Beek stroomt haar voorby, en stemd
        Met haare zugtjes in;
        Terwyl een heeten traanenvloed
        De Steenen zelfs doorweekt.
    Kom, leg dat weg — spoed U, hy zal ras komen.
        Zing vry, een groenen Wilgentak
        Die moet myn Kransje zyn.
        ô! Spreekt zyn harde hart niet meer,
        Myn hart zal afstand doen.
    Neen, dat volgt nog niet. — hoor, wie klopt dan daar?
EMILIA.
    Het is de wind.
DESDEMONA, (zingende.)
        Ik noemdde myne liefste valsch,
        Wat Antwoord hy daar op?

    (dd) Men vindt dit Lied ook in PERCY’s Reliques, D. I. pag. 192. de wederhaaling van het woord Willow, Willow, Willow, (Weide) heb ik even als ESCHENBURG. weg gelaaten, daar het zelve by ons ook geene fraaiheid in klank heeft: en de overdragt van den Lof eener Weide op de droefheid, niet naauwkeurig is.            VERTAALER.

[p. 143]
        Ik ben by andre Vrouwen reeds,
        En gy by andre Mans.

    Zo; ga nu heen. goede nacht. myn oogen jeuken my; beduid dat weenen?
EMILIA.
    Dat willen wy niet hoopen.
DESDEMONA.
    Ik heb het zo hooren zeggen. — ô de Mannen! de Mannen! zeg my toch, Emilia; gelooft gy in ernst, dat ’er Vrouwen zyn die haar Mans op zulk eene groove wyze bedriegen?
EMILIA.
    Zekerlyk zyn ’er zulke, dat is geen vraagens waard.
DESDEMONA.
    Zoud gy wel iets diergelyks om de gantsche Waereld doen?
EMILIA.
    Wel, deed gy het dan niet?
DESDEMONA.
    Neen, by dit hemelsche licht niet!
EMILIA.
    Ik by dit Hemelsche licht ook niet; ik zou het even zo goed in donker doen.
DESDEMONA.
    Zoud gy zo iets wel om de gantsche Waereld doen?
EMILIA.
    De Waereld is een geweldig groot ding; een groot Loon voor een kleine Zonde.
DESDEMONA.
    Waarlyk, ik denk dat gy het niet doen zoudt.
EMILIA.
    Waarlyk, ik denk dat ik het zou doen; en het ongedaan maaken wanneer ik het gedaan hadt. [p. 144] waarachtig ik deed zulks niet voor een Vingerring, noch voor een paar Ellen Kamerdoek, noch voor een nieuw Kleed, een Rok, een Muts, een mooi Kantje, of zo iets gerings; maar voor de gantsche Waereld! ho! welke Vrouw zou haar Man niet tot een Hoorendraager willen maaken, wanneer zy daar door Meestresse van de gantsche Waereld kon worden? Daar zou ik het Vagevuur nog wel voor afwagten.
DESDEMONA.
    Ik zou eerder sterven, eer ik zulk eene onrechtvaardigheid voor de gantsche Waereld begaan zou!
EMILIA.
    Wel nu, dat onrecht is immers maar een onrecht in de Waereld; en daar gy de gantsche Waereld tot loon van uwe moeite zoud verkrygen, zo zou dit onrecht in uw eigen Waereld zyn, en gy kond het dan spoedig verhelpen.
DESDEMONA.
    Ik geloof toch niet dat ’er zulke Vrouwen zyn.
EMILIA.
    ô! Een gantsch duizend! en noch zo veel daar boven, dat men de gantsche Waereld, om welke men zou speelen, daar mede bevolken kan. Maar my dunkt dat de schuld aan de Mans ligt als de Vrouwen ten val komen. Gesteld, zy vergeeten haare pligten wegens ons, en verspillen aan anderen wat ons toebehoord; of zy breeken in eene wonderlyke minnenyd uit, en houden ons hart; of slaan ons; of brengen ons aangebragt vermogen door; waarachtig, dan hebben wy ook galle; en hoe zagt wy zyn, wy mogen ons toch gaarne wreeken. De Mans moeten weeten dat haare Vrouwen zo wel gevoel hebben als zy; zy zien en ruiken, en kunnen met haar gehemelte [p. 145] zuur en zoet even zo wel onderscheiden als haare Mans. Wat doen zy, wanneer zy ons tegens anderen verruilen? is het tydverdryf? ik wil het gelooven. Geschied het uit toegeevenheid? ik geloof*, Ja. is het eene Menschelyke zwakheid? ook dat is het. maar hebben wy ook geene hartstochten? Liefde tot tydverdryf en zwakheden als de Mannen? Zy moeten ons dus goed bejeegenen; of weeten, dat haare Zonden ons tot die Zonden verleiden, die wy begaan.
DESDEMONA.
    Goede nacht. de Hemel geef my genade, om geen kwaad van ’t kwaad te leeren, zonder door het kwaade beter te worden.

Einde van het Vierde Bedryf.
Continue
[
p. 146]

VYFDE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

Het Tooneel verbeeld een Straat.

JAGO, RODERIGO.

JAGO.
Stel U aan deze plaats. hy zal terstond komen. neemt uwen Helden-degen in de hand, en stoot hem in zyn hert; moedig, moedig! vrees niet; ik zal aanstonds naast U staan. ons geluk zal hier door gemaakt of verlooren worden; bedenk dit, en laat uw besluit niet wankelen.
RODERIGO.
    Wees dan toch spoedig by de hand; het mogt my mislukken.
JAGO.
    Ik zal aanstonds hier staan. vat nu moed, en neemt uwen stand.
RODERIGO, (terwyl hy ter zyde treedt.)
    Ik besluit zeer ongaarne tot deze daad; maar hy heeft my voldoende gronden gezegt. — ’Er is slegts een Man minder door in de Waereld! — wel aan, myn Zwaart! hy zal sterven!

JAGO, (ter zyde.)

    Ik heb deze arme Gek gekrapt tot het hem zeer deed, (ee) thans word hy hittig. nu mag hy Cas-

    (ee) Dat is: Ik heb Roderigo zo veel valsche Voorstellingen over Cassio’s vermoording gedaan, dat hy nu volkomen beslooten heeft, het werktuig daar toe te zyn.        ESCHENBURG.

[p. 147]
sio vermoorden, of Cassio hem; of den een den ander, ik vind er altoos myne rekening by. blyft Roderigo in ’t leven zo zal hy my lastig vallen, om hem de menigte Goud en Juweelen weder te bezorgen, die ik hem als geschenken voor Desdemona afgelokt heb — dat moet niet zyn! — blyft Cassio levendig, zo heeft zyn leven alle dagen eene schoonheid die my haatelyk is; en bovendien kon my de Moor by hem verraaden; daar liep ik gevaar by! — neen, hy moet sterven! — beslooten! — Ik hoor hem komen.
TWEEDE TOONEEL.

CASSIO. De Voorigen.
RODERIGO.
    Ik ken zynen gang; dat is hy. (Hy loopt op Cassio toe en verwondt hem.) Booswicht! sterf.
CASSIO.
    Die stoot was my zekerlyk kwalyk bekomen, indien myn Kleed niet sterker was als gy dacht. ik wil eens zien hoe sterk het uwe is.
        (Zy Vegten, Jago steekt Cassio onder in zyn been, en vertrekt.)
RODERIGO.
    ô! Ik ben een Man des doods!
CASSIO.
    Ik ben voor eeuwig kreupel! — he, help! Moord! Moord!
OTHELLO, (boven aan ’t Venster.)
    Cassioos stem! — Jago houd zyn woord.
RODERIGO.
    Ach! ik Booswicht!
OTHELLO.
    Ja, zo is ’t.
[p. 148]
CASSIO.
    ô! Help! — help! — licht! — een Chirurgyn! —
OTHELLO.
    Hy is ’t. ô! die wakkere, redelyke en getrouwe Jago, die het onrecht dat zynen Vriend trof, zo edel straft. — gy leerd my — Katje, uw lieveling legt daar dood; en uw uur nadert reeds — ik kom, ô Echtbreekster! — weg, uit myn hert, met uw schoonheid! — uwe oogen uitgedelgt; uw bed van ontucht bevlekt, zal nu met het bloed der ontucht geverwt worden.
(Hy vertrekt van ’t Venster.)



DERDE TOONEEL.

LODOVICO, GRATIANO, en eenige anderen in ’t Verschiet. De voorigen.

CASSIO.
    Hola! — geen wagt! — gaat hier niemant voorby? — Moord! Moord!
GRATIANO.
    Hier is een ongeluk geschied, die stem klinkt zeer akelig.
CASSIO.
    Ach! help!
LODOVICO.
    Hoor!
RODERIGO.
    ô Rampzaalge Booswicht!
LODOVICO.
    Men kermde daar twee of driemaal. het is pikdonker. mogelyk is het een opgesteld werk. het is niet zeker nader te gaan; wy zyn te weinig.
[p. 149]
RODERIGO.
Komt ’er dan niemant, dan zal ik my dood bloeden.
VIERDE TOONEEL.

JAGO, met Licht. De voorigen.
LODOVICO.
    Hoor!
GRATIANO.
    Daar komt er een in ’t hemd, met licht, en geweer.
JAGO.
    Wie is dat? wie heeft Moord geroepen?
LODOVICO.
    Dat weeten wy niet.
JAGO.
    Hoorde gy geen gerucht?
CASSIO.
Hier! — hier! — om ’s Hemels wille, helpt my!
JAGO.
    Wat is dat?
GRATIANO.
    Ik geloof, dat het Othello’s Vaendrich is.
LODOVICO.
    Gewis: een zeer wellevend Man.
JAGO.
    Wie zyt gy, die hier zo beklaaglyk schreidt?
CASSIO.
Jago? — ach! ik ben van Booswichten overvallen, en tot een kreupelaar gemaakt — kom my te hulp!
JAGO.
    Hemel! Luitenant — wat voor Booswichten hebben dat gedaan?
[p. 150]
CASSIO.
    Ik geloof, dat een van hen hier omtrend ligt, en zich niet weg kan maaken.
JAGO, (tegens Lodovico en Gratiano.)
    Gy Moorddaadige Schurken! — wie zyt gy toch? — komt nader en helpt.
RODERIGO.
    Ach! helpt my hier!
CASSIO.
    Dat is ’er een van.
JAGO, (terwyl hy Roderigo versmoord.)
    Gy Moordaadige Boef! Booswicht!
RODERIGO.
    ô! Verdoemde Jago! — onmenschelyke hond! ach! ach! ach!....
JAGO.
    Lieden in het donker te vermoorden? — waar zyn die bloedgierige Dieven? — hoe stil het in de Stad is!.... ho! Moord! — wie zyt gy toch? — zyt gy goede of kwaade Lieden?
LODOVICO.
    Noemt ons zo als gy ons bevindt.
JAGO.
    Signor Lodovico? —
LODOVICO.
    Ja, Myn Heer.
JAGO.
    Ik bid U om vergeeving — hier ligt Cassio, van Moordenaars gewond.
GRATIANO.
    Cassio!
JAGO.
    Hoe gaat het, lieve Broeder.
CASSIO.
    Ik ben door het been gestooken.
[p. 151]
JAGO.
Dat verhoede den Hemel — licht eens, Myne Heeren; ik zal hem met myn hemd verbinden.
VYFDE TOONEEL.

BIANCA. De voorigen.
BIANCA.
    Wat is hier te doen? wie was dat, die daar zo schreeuwde?
JAGO.
    Wie het was, die zo schreeuwde?
BIANCA.
    ô! Myn waarde Cassio! myn lieve Cassio! ach! Cassio! Cassio! Cassio!
JAGO.
    Gy vertwyffelde Hoer! — Cassio, kunt gy niet vermoeden, wie het geweest zyn; die U zo toegesteld hebben?
CASSIO.
    Neen.
GRATIANO.
    Het doet my leed U dus te vinden, ik zal haar eens opzoeken.
JAGO.
    Geef my toch een koussenband. zo. — ô! wanneer, wy nu een rosbaar hadden, om hem bekwaamer weg te draagen.
BIANCA.
    Hemel hy werd onmachtig! — ô! Cassio! Cassio! Cassio!
JAGO.
    Myn Heeren! ik vermoede dat deze onwaardige deel aan dit Schelmstuk heeft —
[p. 152]
een weinig* geduld, waarde Cassio, kom, geeft my een licht.— kennen wy dat gezicht, of niet? — ô Hemel! Myn Vriend! myn liefste Landsman Roderigo? — Neen — Ja — waarlyk — Ja, het is Roderigo.
GRATIANO.
    Wie? Roderigo van Venetiën?
JAGO.
    Denzelven, Myn Heer. kent gy hem?
GRATIANO.
    Of ik hem ken? — zeer wel.
JAGO.
    Ha! Signor Gratiano? — ik bid U zeer om vergeeving. de verwarring by zulk een bloedig Tooneel zal myne onwellevenheid ontschuldigen; dat ik U niet eerder zag.
GRATIANO.
    Ik verheug my U te zien.
JAGO.
    Hoe gaat het U Cassio? — ô een Rosbaar! een Rosbaar!
GRATIANO.
    Roderigo!
JAGO.
    Ja, Ja, hy is het. — ha! zeer goed! een Rosbaar. — kom, goedhertige Vrienden breng hem van deze Plaats; ik zal intusschen des Generaals Heelmeester haalen. (tegen Bianca.) Gy, Mademoisel, kunt uwe moeite vry spaaren. — Cassio! de Man die hier gewond ligt, was een myner beste Vrienden! welke twist had gy toch met elkander?
CASSIO.
    In ’t geheel geen. ik kan hem zelfs niet.
JAGO, (tegen Bianca.)
    Hoe? gy ziet ’er bleek uit? — ô draag hem toch in de vryë lucht! — Blyf hier, waarde Heeren. — gy ziet bleek, Mademoiselle. —
[p. 153]
ziet eens Myne Heeren, hoe verstoord haare oogen staan! — Ha, die opslag beduid wat; wy zullen het ’er wel uitkrygen. Ziet haar eens recht aan; ik bid U Myn Heeren; ziet haar eens aan! — ziet gy wel? — een kwaad geweeten zal altoos nog spreeken, al waaren alle spraaken uitgestorven.
ZESDE TOONEEL.

EMILIA. De voorigen.
EMILIA.
    Om ’s Hemels wille! wat is hier te doen? — wat is hier te doen, Man?
JAGO.
    Cassio is hier in den donker van Roderigo aangevallen, en van eenige anderen die weggeloopen zyn. Hy is half ontzield, en Roderigo is dood.
EMILIA.
    Ach! die braave Man; die lieve Cassio.
JAGO.
    Dat zyn de gevolgen* der Losbandigheid! — Ik bid U, Emilia, ga heen, en vraag Cassio waar hy dezen Avond gegeeten heeft. — (tegens Bianca.) hoe! siddert gy voor deze Vraag?
BIANCA.
    Hy at by my in huis; maar ik zidder daar niet over.
JAGO.
    Ha deed hy? ik beveel U met my te gaan.
EMILIA.
    ô Foei toch, gy Overspeelster!
BIANCA.
    Ik ben geen Overspeelster, ik ben even zulk eene eerlyke Vrouw als gy, die my zo mishandelt.
[p. 154]
EMILIA.
    Als ik! — foei! foei gy!
JAGO.
    Myn waarde Heeren? wy zullen den armen Cassio laaten verbinden — kom Mammesel, wy zullen U de tong wel los maaken. — Emilia loopt op ’t Slot, en zeg den Generaal en zyne Gemalin wat hier voorgevallen is. — wilt gy voorgaan. (ter zyde) dit is de nacht die my voor eeuwig gelukkig of ongelukkig moet maaken.
ZEVENDE TOONEEL.(*)
Het Tooneel verbeeld een Slaapkamer, daar een licht brand.
OTHELLO, DESDEMONA, slaapende.
OTHELLO.
    De beleediging is te groot, te groot myne Ziele! — laat zy my niet voor U noemen, gy kuische Sterren! zy is te groot — en evenwel wil ik haar bloed niet vergieten; noch dit haar vel vernielen, dat witter is als Sneeuw, en zo glad, als Albaster van een Grafnaald! — (Hy legt zyn degen neder.) Maar, neen, zy moet sterven, zy mogt anders nog meer Mannen bedriegen. — het licht uitgebluscht; en dan..... het licht uitgebluscht! — (ff) — wanneer ik U uitblussche,

    (ff) Het eerste woord. ,, het licht uitgebluscht.” brengt hem de gevolgen van de uitblussching van het Levenslicht in gedachten: hy breekt dus af, en denkt daar verder over na.             WARBURTON.


[p. 155]
gy dienstbaare vlamme! en het berouwd my, zo kan ik U uw vorig licht wedergeeven; maar wanneer uw licht eens volkomen uitgebluscht is, gy volkomen monster der voortreffelyke natuur, zo weet ik niet waar ’er Promethische (gg) vonken te vinden zyn, welke uw licht weder kunnen ontsteeken — wanneer ik deze Roos geplukt heb*, zo kan ik haar geen levendige waschdom wedergeeven; zy moet daar aan verwelken — ik wil haar aan stokken lugten! — ô! Balzamieke adem! gy zoud de gerechtigheid beweegen, haar Zwaard te verbreeken! — nog eens! — nog eens! — wees zo, wanneer gy dood zyt, dan wil ik U eens dooden, en daarna beminnen. — nog eene kusch! en dat zal de laatste zyn. — nooit was ’er zo veel liefde en strafbaarheid vereenigt! — Ik moet weenen; maar het zyn gramschaps traanen! — deze kommer is plicht! — men dood wie men bemind. — Zy ontwaakt!
DESDEMONA.
    Wie is daar? — Othello?
OTHELLO.
    Ja, Desdemona.
DESDEMONA.
    Wilt gy te bed gaan, myn Gemaal?
OTHELLO.
    Hebt gy dezen Avond gebeden, Desdemona?
DESDEMONA.
    Ja, myn Gemaal.
OTHELLO.
    Vind gy ergens nog eene Zonde in U, waar voor

    (gg) Volgens de bekende Fabel, roofde PROMETHEUS het Vuur van den Hemel, om de, door hem geschaapene Menschen, te doen leven.            VERTAALER.

[p. 156]
gy den Hemel nog geene vergeeving afgesmeekt hebt, zo bid thans daar voor.
DESDEMONA.
    ô God! wat wilt gy daar mede zeggen?
OTHELLO.
    Nu, doet het, en maak het kort.— ik zal ter zyde gaan.— ik zou U niet gaarne onvoorbereid doen sterven. — neen! — de Hemel behoede my; ik zou niet gaarne uw Ziel Moorden!
DESDEMONA.
    Spreekt gy van Moorden?
OTHELLO.
    Ja, dat doe ik.
DESDEMONA.
    Zo ontferme zich de Hemel over my?
OTHELLO.
    Amen, van gantscher harte!
DESDEMONA.
    Wanneer gy dit zegt, zo hoop ik, dat gy my toch niet wilt dooden.
OTHELLO.
    Hum!
DESDEMONA.
    En echter vrees ik U; gy zyt gevaarlyk wanneer uwe oogen zo vallen. waarom ik vreezen zou, weet ik niet; want ik ben my geene overtreeding bewust; echter voel ik, dat ik vreeze.
OTHELLO.
    Denk aan uwe Zonden!
DESDEMONA.
    Ik ken ’er geenen, als myne groote liefde voor U.
OTHELLO.
    Ja, en daar voor moet gy sterven.
DESDEMONA.
    Dat is onnatuurlyk, liefde met de dood te straffen! — ô God! waarom byt gy zo op uw onderlip? — een bloedig voorgevoelen, doet uw
[p. 7157]
gantsche ligchaam schudden.— dat zyn voorbeduidingen; echter hoop ik — ik hoop, dat zy my niet en gelden.
OTHELLO.
    Zwyg, en wees stil.
DESDEMONA.
    Nu goed; wat begeerd gy dan?
OTHELLO.
    De Neusdoek, die my zo waard was, en welken ik U gaf, gaaft gy aan Cassio.
DESDEMONA.
    Neen, waarlyk, by myne Ziele niet; laat hem roepen, en vraagt het hem.
OTHELLO.
    Verharde Ziel! hoed U, hoed U voor valsche Eeden; gy zyt op uw doodbedde.
DESDEMONA.
    Ja, echter niet om nu al te sterven.
OTHELLO.
    Ja, terstond. dus beken uwe Zonden oprecht; want wanneer gy elke enkle euveldaad zelf met eenen Eed loogchenen wilt; zo kan my dat de sterke overtuiging nog niet beneemen, of verstrikken onder het geene ik gevoel. gy moet sterven.
DESDEMONA.
    ô Hemel! ontferm U myner!
OTHELLO.
    Ik zeg Amen.
DESDEMONA.
    En ontferm U ook! — ik heb U nooit beleedigt; heb nooit Cassio bemind dan met eene algemeene liefde, welke de Hemel zelfs billykt en vordert. nooit gaf ik hem eene gedachtenis.
OTHELLO.
    By den Hemel! ik zag myn Neusdoek in zyn hand! — ô Myneedig Wyf; gy versteend uw hert. (bb) en maakt dat ik dat, het geen ik thans

    (bb) Naar* eene oude Leezing die JOHNSON. voor

[p. 158]
doen wil, een Moord noemen moet, dat ik voor een Offer hield. Ik zag de Neusdoek.
DESDEMONA.
    Dan heeft by hem gevonden; ik gaf hem dezelve nooit — laat hem hier komen, en de waarheid bekennen.
OTHELLO.
    Hy heeft reeds bekend.
DESDEMONA.
    Wat? myn Gemaal.
OTHELLO.
    Dat hy — met U te doen heeft gehad.
DESDEMONA.
    Hoe? — op eene ongeöorloofde wyze?
OTHELLO.
    Ja.
DESDEMONA.
    Dat kan hy niet zeggen.
OTHELLO.
    Neen, zyn mond is gestopt, de Eerlyke Jago heeft daar voor gezorgt.
DESDEMONA.
    Myne vreeze verklaard my alles — hoe? is hy dood?
OTHELLO.
    Indien ’er aan ieder haair van hem een leven geweest was, zo had mynen wraakzuchtigen honger naauw genoeg aan allen gehad.
DESDEMONA.
    ô God! hy is verraaden; en ik ben verlooren!
OTHELLO.
    Vervloekte Echtbreekster! beweend gy hem voor myne oogen?

de echte houd. de Zin is: ,, gy dwingt my, U als een vermoordde zonder voorbereiding uit de Waereld te helpen, daar ik uw straf alleen tot een Zoenoffer voor uwe overtreedingen bestemd had.”

[p. 159]
DESDEMONA.
    ô Verban my, Othello! dood my niet.
OTHELLO.
    Weg, weg, met die Echtbreekster.
DESDEMONA.
    Dood my morgen, laat my dezen nacht nog leven.
OTHELLO.
    Neen, zo gy U daar tegen verzet....
DESDEMONA.
    Slegts nog een half uur.
OTHELLO.
    Wanneer ’t gedaan is, gebruik ik geene bedenklykheid meer.
DESDEMONA.
    Nu, een gebed laat my dan toch doen.
OTHELLO.
    Het is te laat! —         (Hy verstikt haar.)
EMILIA, (buiten aan de Deur.)
    Myn Heer! Myn Heer! — hola! Wel-Edlen Heer!
OTHELLO.
    Wat is dat voor een geschreeuw? — noch niet dood? noch niet volkomen dood? — ik ben by alle myne wreedheid toch nog barmhertig! — ik wil U niet gaarn lang lyden laaten. — Zo, zo! —
EMILIA, (buiten aan de Deur.)
    Hola, Wel-Edlen Heer! Wel-Edlen Heer!
OTHELLO.
    Wie is daar?
EMILIA, (buiten aan de Deur.)
    ô! Myn Heer! ik zou gaarne een woord met U spreeken.
OTHELLO.
    Ja! — het is Emilia — aanstonds, op ’t oogenblik — zy is dood. — zy zal my denkelyk de tyding van Cassio’s dood brengen. —
[p. 160]
het gerucht was groot — ha! gy verroerd U niet meer. — stil, als het Graf. — Zal ik haar hier inlaaten? — zou dat gaan? — my dunkt zy roerd zich weder. — neen — wat is het beste? — Zo zy ’er inkomt, zal zy zeker met myn Vrouw willen spreeken. — myn Vrouw! — myn Vrouw! — wat voor een Vrouw? ik heb geen Vrouw! — ô onverdraaglyk! ô schrikkelyk Uur! — thans dunkt my eene groote duisternis aan Zon en Maan te zyn, die de verschrikte Aardkloot af zoekt te wenden!
EMILIA, (buiten aan de Deur.)
    Ik bid U, maar een paar woorden! ô Myn waarden Heer!
OTHELLO.
    Ik had U vergeeten; kom in Emilia — wagt — op ’t oogenblik — ik moet eerst de Gordynen toedoen. — waar zyt gy? — wat wilt gy hebben?
(Hy ontsluit de Deur.)

AGTSTE TOONEEL.

EMILIA. De voorigen.

EMILIA.
    Ach! Myn Heer, daar is een ysselyke Moord begaan.
OTHELLO.
    Hoe! thans?
EMILIA.
    Zo even, Myn Heer!
OTHELLO.
    Dan heeft de Maan de schuld. zy komt de Aardkloot nader als zy voormaals plagt; en maakt de Menschen verrukt.
[p. 161]
EMILIA.
    Cassio, Myn Heer, heeft eenen Jongen Venetiaaner, Roderigo, vermoord.
OTHELLO.
    Roderigo vermoord? en Cassio vermoord?
EMILIA.
    Nee, Cassio is niet vermoord.
    Cassio is niet vermoord? — dan is de Moord uit de klank gekomen, en de zoetklinkende wraak klinkt ruw!
DESDEMONA. (ii)
    ô! Onschuldig, onschuldig vermoordt.
EMILIA.
    Hemel wat is dat voor een klaagstem?
OTHELLO.
    Dat? — wat?
EMILIA.
    Hemel! het is de stem van Mevrouw! — help! help! — help! help! — ha, Mevrouw, spreek toch nog eens. tedre Desdemona! liefste Desdemona! spreek toch!

    (ii) Wanneer OTHELLO, die DESDEMONA alleen verstiktte, en de Bed-deken waar mede zulks geschiedde, weder van haar weggenomen werd, eer haare Adem volkomen onderdrukt was, zo kon zy weder spreeken, zo als zy hier doet, en zich daar na weder volkomen herhaalen: zy zegt maar, dat zy vermoord is. het* is daar door vermoedelyk, dat eenige woorden tot aanwyzing voor de Tooneelspelers, naar de bovenstaande plaatze: ,, ik wil U niet gaarne lang lyden laaten. — Zo, zo,” verlooren zyn gegaan. Hy moet haar daar by verstikken, en by de wederhaaling der laatste woorden den stoot weder herhaalen. Zie VIRGIL. — — Sic, sic, juvat ire sub umbras. —
            STEEVENS

[p. 162]
DESDEMONA.
    Ik sterf onschuldig!
EMILIA.
    Ach! wie heeft deze daad verricht?
DESDEMONA.
    Niemant. — ik zelf. — vaar wel. — beveel my myne goede Gemaal! — ach! vaar wel!
(Zy sterft.)
OTHELLO.
    Nu, hoe moet zy dan vermoord zyn?
EMILIA.
    ô God! wie weet dat?
OTHELLO.
    Gy hoord haar zelf zeggen, dat ik het niet gedaan heb.
EMILIA.
    Dat zegt zy zekerlyk? ik moet zeggen wat waar is.
OTHELLO.
    Zy is als een loogenaarster ter Helle gevaaren; ik was het die haar doodde!
EMILIA.
    ô, Zo veel te meer is zy een Engel; en gy zo veel te zwarter Duivel.
OTHELLO.
    Zy liet zich tot onkuisheid verleiden, en was een Hoer.
EMILIA.
    Gy beliegt haar, en zyt een Duivel.
OTHELLO.
    Zy was zo valsch als water (kk)
EMILIA.
    En gy zyt zo wild als vuur, wanneer gy zegt

    (kk) Als water, ’t welk geen gewigt draagt; en geene indrukselen aanneemt.            JOHNSON.

[p. 163]
dat zy valsch is geweest. — ô! zy bezat eene hemelsche trouwheid!
OTHELLO.
    Cassio bedreef ontucht met haar; vraagt dit maar aan uw Man. ô! Ik was dieper verdoemd als den afgrond der Helle, indien ik zonder de dringendste oorzaaken, zo ver gegaan was. Uw Man weet alles.
EMILIA.
    Myn Man?
OTHELLO.
    Uw Man,
EMILIA.
    Dat zy haar Echtbedde ontroouw was.
OTHELLO.
    Ja, met Cassio. was zy getrouw geweest. — ô! geloof my, al wilde de Hemel ook zulk eene groote Waereld als deze, uit eene geheele en volkomen reine Chrysolith maaken; ik had haar daar niet voor verkogt!
EMILIA.
    Myn Man?
OTHELLO.
    Zekerlyk, hy was de geen die my het eerst daar van berichtte. hy is een eerlyk Man, en haat zulke schandelyke en booze handelingen.
EMILIA.
    Myn Man?
OTHELLO.
    Wat nut geeven deze herhaalingen, Wyf? ik zeg uw Man.
EMILIA.
    ô! Desdemona, arglistige boosheid heeft de liefde verbeeld! — myn Man zei dat zy ongetrouw was?
OTHELLO.
    Ja, Wyf Ja; ik zeg U Man; verstaat gy dat
[p. 164]
woord? — myn Vriend uw Man, de redelyke en braave Jago?
EMILIA.
    Indien hy dat zegt, zo vervuild zyne verroeste Ziel daaglyks voor een half grein! hy liegt het door zyn hert heen. Zy was op de uiterlyke onwaardige verkiezing, die zy getroffen hadt, zelf tot gekwordens toe verlieft.
OTHELLO.
    Ha! —
EMILIA.
    Doet het slimste op de Aarde. deze daad is den Hemel zo min waardig, als gy haar waardig waart.
OTHELLO.
    Het beste zou zyn dat gy zweeg.
EMILIA.
    Gy hebt de helft van de sterkte niet om my te beleedigen, die ik heb om dezelve te verdraagen. ô! Gek! ô! Domoor! zo dom als modder! gy hebt een daad verrigt....... ik geef niets om uwen degen; ik wil U overal bekend maaken, al moest ik ook twintig levens daar om verliezen — help! help! ho! help! de Moor heeft Mevrouw zyn Gemalin gedoodt. Moord! Moord!
NEGENDE TOONEEL.

MONTANO, GRATIANO, JAGO, en anderen. De voorigen.
MONTANO.
    Wat is hier te doen? — Wat is het, Heer Generaal?
EMILIA.
    ô, Zyt gy daar ook Jago? — gy hebt het ver gebragt, dat de Lieden haare Moorderyën op uwen hals mogen schuiven.
[p. 165]
GRATIANO.
    Wat is dan hier te doen?
EMILIA.
    Wederleg zulks, Booswicht! indien gy een Man zyt! — hy zegt, dat gy gezegt hebt, dat zyn Vrouw hem ontrouw was. ik weet, dat gy het niet gezegt hebt; gy zyt zulk een Schurk niet. Spreek, want myn hert is vol.
JAGO.
    Ik zei hem, wat ik dacht; en zei niets meer, dan hy zelf geloofwaardig en waar bevond.
EMILIA.
    Dan hebt gy hem een loogen verhaald, een afschuwelyke, verdoemde loogen. — by myne Ziele! een loogen, een vervloekte loogen! zy trouwloos met Cassio, zegt gy? — met Cassio?
JAGO.
    Met Cassio, Vrouw! — gaa toch, en snoer uw tong.
EMILIA.
    Ik wil myn tong niet snoeren; ik moet rond uit spreeken. — Mevrouw ligt hier in haar bed vermoordt.
ALLE.
    Dat wil de Hemel niet!
EMILIA.
    En uwe oorblaazingen hebben aanleiding tot dezen Moord gegeven.
OTHELLO.
    Neen, Myne Heeren! ziet zo verschrikt niet. — het is waar; het is werkelyk zo.
GRATIANO.
    Dat is eene verwenschte waarheid.
[p. 166]
MONTANO.
    Een afschuwelyke daad!
EMILIA.
    Boevery! boevery! — ik denk deze zaak eens na. — ik merk haar. — ô! Schelmery! — ik dacht terstond! — ô, ik zou my van kwaadheid dooden! — ô Schelmery! Schelmery!
JAGO.
    Wat! zyt gy dol? ik zeg U, gaat naar huis.
EMILIA.
    Vergun my Myne Heeren, dat ik spreeken mag. ik ben hem dikmaals gehoorzaamheid schuldig, maar nu niet — mogelyk, Jago, ga ik nooit weder naar huis.
OTHELLO, (terwyl hy het doode
ligchaam aanziet.
)       
    Ach! Ach! Ach!
EMILIA.
    Ja, legt U daar nu by neder, en brult! want gy hebt de lievenswaardigste onschuld gedood, die ooit een oog opgeslaagen heeft.
OTHELLO.
    ô! Gy waard lasterend! — ik erkenne U thans eerst, Oomen! — hier ligt uwe Nicht, wier Adem zekerlyk door deze handen zo even eerst is opgehouden. ik weet het, deze daad, heeft een duister en schrikkelyk aanzien.
GRATIANO.
    Arme Desdemona! ik ben verheugd dat uw Vader dood is; uw huwlyk was zyn dood, en loutere gramschap verkorte zyn oud leven. indien hy thans nog leefde, zo zou hem dit gezicht in vertwyffeling storten; zyn goeden Engel zou van zyne zyde wegvlieden, en in eenen verdoemelyken toestand geraaken.
OTHELLO.
    Het is beklaagenswaard; maar Jago weet, dat zy haare schandelyke lusten met Cassio wel dui- [p. 167] zendmaal gebluscht heeft. — Cassio heeft het bekend. en zy vergold hem de werken zyner liefde met het eerste geschenk der trouw dat ik aan haar gegeeven hadt. ik zag het in zyn hand. het was een Neusdoek, eene oude gedachtenis die myn Vader aan myne Moeder gaf. (ll)
EMILIA.
    ô! Hemel! ô Gy magten des Hemels!
JAGO.
    Zwyg zeg ik U.
EMILIA.
    Het moet ’er uit; het moet ’er uit...... ik zwygen? — neen, nooit! ik wil zo vry spreeken als de Noordenwind. laat Hemel en Aarde en Duivel: laaten zy alle, alle, alle my gebieden om te zwygen; ik wil toch spreeken.
JAGO.
    Wees geschikt, en gaat naar huis.
EMILIA.
    Dat wil ik niet.
(Jago maakt beweegingen om haar te doorsteeken.)
GRATIANO.
    Foei! uw deegen tegen een Vrouw?
EMILIA.
    ô, Verblinde Moor! de Neusdoek daar gy van spreekt, vond ik onlangs, en gaf hem mynen Man. want hy had my dikmaals op ’t sterkste, en ernsti-

    (ll) Dit schynt het voorgaande verhaal van OTHELLO, (Derde Bedryf, Vyftiende Tooneel,) van dezen Neusdoek te wederspreeken; alleen zal het eerste, naar alle gedachten verdicht en grootspraakery zyn, om DESDEMONA daar door te ongeruster te maaken. in dit opzicht is hem de bloote waarheid genoeg.
            STEEVENS

[p. 168]
ger als zulk eene kleinigheid waardig was, gebeeden, denzelven te steelen.
JAGO.
    Vervloekte Hoer!
EMILIA.
    Had zy hem aan Castio gegeeven? — Hemel! ik vond hem, en gaf hem mynen Man.
JAGO.
    Onwaardige: gy liegt.
EMILIA.
    By den Hemel! ik lieg niet! ik lieg niet, Myne Heeren. ô! gy onschuldmoordende domoor! — wat deed zulk een Gek met zulk een voortreffelyke Vrouw?
        (Jago doorsteekt zyn Vrouw en loopt weg.)
OTHELLO.
    Zyn ’er ook geen andere Steenen in den Hemel, dan die tot den donder noodig zyn? (mm) — Vervloekte Booswicht!
GRATIANO.
    Zy valt; hy heeft zyn Vrouw vermoord.
EMILIA.
    Ja, Ja! ô legt my naast Desdemona.
GRATIANO.
    Zyn Vrouw is vermoord, en hy is weg geloopen.
MONTANO.
    Dat is een ontzagchelyke Booswicht! — neemt den deegen in bewaaring die ik hier den Moor ontnoomen heb — bezet de deur buiten; laat

    (mm) STEEVENS verklaard deze woorden dus: zyn ’er geen mindre graden van Straffen voor de Stervelingen, die op het hoofd van zulk eenen Booswicht als Jago, vallen kunnen; gelyk de Almacht haaren donder te rug houdt als een te edel werktuig tot straffing van zulke overtreedingen.

[p. 169]
hem niet hier uit; doodt hem eerder — ik wil den Schelm naar; hy is een verdoemde Schurk.
        (Montano en Gratiano vertrekken.)
OTHELLO.
    Ik ben toch niets meer dapper; ieder behendige Knaap neemt my myn deegen weg! — maar, waarom zou de Eer de Deugd overleeven? laat alles nu maar heen vaaren!
EMILIA.
    Welke een onheil volgde op uw gezang, Desdemona? — verneem van my, indien gy my nog hooren kunt! — ik wil gelyk de Zwaan zingend sterven. — ,, Wilgen! Wilgen! Wilgen!” — Moor! zy was onschuldig; zy beminde U gruuwelyke Moor! — ik wil de Zaaligheid niet zien, indien ik geen waarheid spreek! — ik spreek, gelyk ik denk, en sterf! — sterf!.....
OTHELLO.
    Ik heb nog een andere deegen in deze Kamer. — Een Spaansche kling, met yswater verstaald (nn) — ô hier is hy. — Oom, ik moet ’er uit.
GRATIANO, (buiten aan de deur.)
    Het zal U duur te staan komen, indien gy het verzoekt. gy hebt geen deegen en moet U dus onderwerpen.
OTHELLO.
    Zo kom, dan hier in, en spreek met my, of

    (nn) POPE gelooft dat men voor ice brooks temper: Ebro’s temper lezen moet, om dat het water uit den Ebro, tot verstaaling der klingen zeer geschikt is; evenwel vindt de oude lezing ook zeer wel plaats, wyl het Staal hard word, wanneer men het, gloeijend zynde, in zeer koud water steekt.            JOHNSON.

[p. 170]
ik vergryp my aan U, zo ongewaapend als ik ben.
GRATIANO, (komt te rug.)
    Wat is het dan?
OTHELLO.
    Zie, ik heb eenen deegen; een beeter hing nooit aan de heup van eenen Krygsman. ik weet de tyd nog dat ik met deze kleinen arm, en dezen goeden deegen, my door meer als twintig zulke hindernissen, als uwe tegenweer is, den weg baande! — maar, ô! ydle Grootspraakery! wie kan zyn noodlot bedwingen? — is het niet zo? — vrees niets, indien gy my terstond gewaapend ziet. hier is het einde myner vaart; hier is myn Ziel; het uiterste Zeeteken dat myn Zeil beryken kan — treed gy verbaast te rug? — uwe vreeze is om niet! gy durft thans een helm op Othello’s borst zoeken, en gy wykt te rug! — waar zal Othello heen gaan? — nu (hy ziet naar Desdemona) hoe ziet gy ’er thans uit, gy tot ongeluk geboorene Vrouw? — bleek, als uw hemd! — wanneer wy met elkander voor onzen Richter verschynen, dan zal dezen uwen opslag, myne Ziele van den Hemel af sleuren, en Duivelen zullen haar opvangen. — koud! koud, goed Maagdje? — koud, gelyk uwe kuischheid! — ô vervloekte, verdoemde Booswicht! Scheid my, gy Duivel, van de genieting van dit hemelsche weezen af! — verstrooit my in den wind; roostet my in zwaavel! wascht my in bodemlooze Meiren van vloeijend Vuur! — ô Desdemona! Desdemona dood! dood. — Ach! Ach! Ach!
[p. 171]

TIENDE TOONEEL.

LODOVICO, CASSIO die men aanbrengt, MONTANO,*met JAGO als Gevangen, een OFFICIER. De voorigen.

LODOVICO.
    Waar is de dappre en ongelukkige Man?
OTHELLO.
    Dat is de geweezene Othello; hier ben ik.
LODOVICO.
    Waar is dan uw oorblaazer? — breng den Booswicht hier by.
OTHELLO.
    Ik zie hem op de Voeten, (oo) maar dat is een Fabel — Indien gy den Duivel zyt, zo kan ik U niet dooden.
(Hy verwondt Jago.)
LODOVICO.
    Ruk hem de deegen uit de hand.
JAGO.
Ik bloed sterk; maar ik leef nog.
OTHELLO.
    Dat is my ook geen leed; ik wilde dat gy nog leven zoud; want, naar myn gevoel is het gelukzaaligheid te sterven.
LODOVICO.
    ô Gy, Othello! zulk een waardig Man, nu in de valstrikken eens verwenschten Slaafs gevallen? wat zal men U zeggen?
OTHELLO.
    Wat men wil; dat ik een Moordenaar met eeren

    (oo) Om te zien, of hy, volgens ’t gemeene vooroordeel, klaauwen heeft.            JOHNSON.

[p. 172]
ben, indien gy wilt; want het geen ik deed, deed ik niet uit haat, maar in ’t bizonder om myn eers willen.
LODOVICO.
    Deze Elendeling heeft zyne boevenstukken gedeeltelyk bekend. (tegen Othello) hebt gy met hem de dood van Cassio afgesprooken?
OTHELLO.
    Ja.
CASSIO.
    Myn waarde Generaal; daar heb ik U nooit oorzaak toe gegeeven.
OTHELLO.
    Ik geloof het, en bid U om vergeeving. Vraagt doch, ik bid het U, dezen halven Duivel, waarom by myn Lyf en myne Ziele zo verstrikt heeft.
JAGO.
    Vraagt my niets; wat gy weet, dat weet gy. van nu aan wil ik geen woord meer spreeken.
LODOVICO.
    De Pynbank zal U de mond wel openen.
OTHELLO.
    Goed, doet uw best daar aan.
LODOVICO.
    Gy zult ondervinden, Othello, wat voorgevallen is; want ik geloof dat gy daar nog niets van weet. Hier is een Brief, die men in den zak van den vermoorden Roderigo gevonden heeft; en hier nog een. een van dezelve behelst de opdracht aan Roderigo om Cassio te vermoorden.
OTHELLO.
    ô! Booswicht!
CASSIO.
    Boven maate Onchristelyk, Godd’loos!
[p. 173]
LODOVICO.
    Hier is nu nog een Brief, die men ook in zyn Zak gevonden heeft. Vermoedelyk had Roderigo dezen aan den verdoemden Booswicht, als een Antwoord willen zenden, indien Jago niet intusschen gekomen was, en hem zynen twyffel benomen had.
OTHELLO.
    ô, Gy verderfelyke Schelm. — hoe kwaamt gy aan den Neusdoek, Cassio, die myn Vrouw toebehoorde?
CASSIO.
    Ik vond hem in myn Kamer; en hy bekende zo even zelf, dat hy hem daar met oogmerk heeft laaten vallen, om dat verwenschte opzet daar door te bereiken.
OTHELLO.
    Ach, ik dwaas, ik dwaas, ik dwaas!
CASSIO.
    Daar staat ook nog in Roderigo’s Brief, het voorwerp dat Jago hem daar in voorsteld, om my op de wacht te tergen; het geene aanleiding tot myne afdanking gaf. en zo even na hy een langen tyd na zyne onmacht zich weder herhaalde, zeide hy; Jago, had hem beleedigt; Jago had hem opgehitst,
LODOVICO, (tegen Othello.)
    Gy moet deze Kamer verlaaten, en met ons gaan. uwe Macht en uw Stadhouderschap is uw afgenoomen; en Cassio is thans bevelhebber in Cyprus. — voor dezen Booswicht moet men de gruwelykste pynen uitdenken, die hem op ’t pynlykste kwellen, en hem lang martelen. — dus Othello, moet gy zo lang in eene gestrenge bewaaring blyven, tot den aart van uwen Misslag der Regeering van Venetiën bekend gemaakt is — komt, voert hen voort.
[p. 174]
OTHELLO.
    Zagt, nog een paar woorden, eer gy gaat. ik heb den Staat eenige diensten gedaan; men kan dezelve. dus niet meer daar van — indien gy in uwe Brieven deze ongelukkige geschiedenis verhaald, zo spreekt van my, zo als ik ben. verkleind niets; maar zet ook niets uit een boos oogmerk ’er by. beschryft my als een Man, die niet verstandig, maar te sterk beminde; als een Man, die niet ligt argdenkend wierd, maar, wanneer hy zulks eenmaal wierd, tot het uitterste in zyne gramschap ging: als een Man, wiens hand, gelyk de verworpen Jood (pp) eene paerel wegwierp die

    (pp) De gewoonlyke leezing is: like the base JUDEAN; en THEOBALD en WARBURTON verstaan hier HERODES by, die zyne Gemalin, MARIAMNE uit Minnenyd doodde, en wiens geschiedenis de Inhoud van een toenmaal reeds bekend Treurspel was. STEEVENS maakt tegen deze verklaaring verscheide Aannerkingen, en gelooft dat het eene Zinspeeling is, op eene, by des Dichters tyden zeer bekende Vertelling. Veelligt is het de volgende, die dezelve Kunstrichter in een oud Engelsch boek volgens zyne verzekering gevonden heeft. Een Jood had, na eene lankduurige omreize in vreemde Landen, eene menigte Paerlen met zich naar Venetiën gebracht, en dezelve naar wensch verkogt, behalven een, die zeer groot was, en op welke hy eenen onmaatigen prys gesteld had, waar van by niets wilde laaten afdingen. Toen by dezelve daar voor aan niemant verkoopen kon, liet by eindelyk alle de Kooplieden der Stad op de Rialto te saamen koomen, bood hen de Paerel noch eenmaal aan; maar om niet; prees wydloopig haare groote Schoonheid en Kostbaarheid, en wierp haar plotseling voor hunne ogen in Zee.        ESCHENBURG.

[p. 175]
ryker was als zyn gantsche Stam: als een Man wiens bedwongene oogen het smelten zekerlyk niet gewoon, thans zo veele traanen laat afdruipen; als de Boomen in Arabiën balzamieke harsen. Schryft dat, en zet daar by, dat ik eens in Aleppo, daar een boosaartige Turk een Venetiaan sloeg, en op de Regeering schimpte; den besneedenen Hond by den gorgel vatten, en hem dus nederstiet.
(Hy doorsteekt zich.)
LODOVICO.
    ô! Een bloedig Einde.
GRATIANO.
    Nu zyn alle onze redenen om niet.
OTHELLO, (terwyl hy op Desdemona valt.)
    Ik kuschte U, eer ik U doodde — niets blyft my over daar ik my zelf doodde, dan met eenen kusch te sterven.
(Hy sterft.)
CASSIO.
    Dat heb ik gevreest, maar ik geloofde dat hy geen deegen had, want hy had een Edelmoedig hert.
LODOVICO, (tegen Jago.)
Gy Spartaanschen Hond! (qq) verderfelyker als

    Dr. DODD, is van het zelve gevoelen van THEOBALD en WARBURTON, en noemt het Spel uitdrukkelyk MARIAM, the fair Queen of Jewry, door Lady ELISABETH CAREW, Ao. 1613. in ’t licht gegeeven. — Men zou deze Paerl, ook overdrachtelyk kunnen neemen, voor een zuivre Vrouw (a fine woman.)            VERTAALER.
    (qq) De Honden van Spartanischen aart, worden onder de moedigste en wildste gerekend.
                HANMER.

[p. 176]
de Pest, honger, of het vernielende Meir! Slaa uw oog op die ongelukkige tekens die dat bed draagt; dat is uw werk: de aanschouwing vergiftigt het gezicht — bezorg hem. — Gratiano blyf hier in huis, en neemt het vermogen der goederen in bezit, want gy zyt zyn Erfgenaam. — (tegen Cassio.) U, Heer Stadhouder laaten wy de bestraffing van dezen helschen Booswicht, de tyd, plaats, en de wyze der pyniging bevoolen. — ô Scherp zyne straffe zo veel mogelyk is! — ik zelf spoede my naar ’t Schip, om met een treurig hart deze treurgeschiedenisse der Regeering te melden.

Einde van het Vyfde en laatste Bedryf.
Continue
[
p. 177]

ONDERZOEK EN AANMERKINGEN

OVER HET

TREURSPEL

OTHELLO.

De Fabel van dit Treurspel is uit de Nouvellen van GIRALDI CITHIO ontleend (rr) van welke ’er verscheiden door PAINTER en anderen in het Engelsch overgezet wierden. de tegenwoordige heeft men tot nu toe noch niet in deze Spraake gevonden; denkelyk was het eene enkelgedrukte Broschure, die ligt verlooren is gegaan; en waarschynlyk was dezelve met soortgelyke vertellingen, uit eene Fransche Overzetting van CINTHIO genoomen, alzo een diergelyke reeds in ’t Jaar 1584, van GABRIEL CHAPPUYS voor handen was. daar dezelve aan veelen reeds bekend is, en zelfs in de Duitsche Mercurius (B. III. St. 1. Bl. 63.) te vinden is, zal ik hier op eene geheel korte wyze de wezenlyke omstandigheden van dezelve aanvoeren.
,, In Venetiën leefde een zeer dapperen Moor, die zich by de Republiek zeer verdienstelyk had gemaakt. de roem zyner daaden en zyner dapperheid, verwierf hem de Liefde eener jonge Venetiaane, die zeer schoon was en DESDEMONA

    (rr) HECATOMICI Deca III. Nouv. 7.

[p. 178]
heette. de Moor was terstond van haare ongemeene Schoonheid getroffen, en zy huwden met elkander, hoe sterk ook Desdemonaas Vader en haar overige Vrienden daar tegen waaren. Kort daar na, moest de Moor op bevel van de Republiek naar Cyprus gaan, om het Bevel over de Bezetting aldaar over te neemen, en DESDEMONA ging met hem in ’t Schip. De Moor had twee vertrouwde Vrienden, de een was een Vaendrich en ten uiterste boos en laaghartig, maar slim en valsch genoeg om zyne boosheid te verbergen: de ander was een jongen Hoofdman, van eene goede en rechtaarte denkwyze. OTHELLO had hem zeer lief, en DESDEMONA was uit die oorzaake zeer gemeenzaam en vriendelyk tegens hem. de Vaendrich was met een Jonge Italiaansche Vrouw getrouwd, die zyne liefde waardig was; maar hy dacht aanhoudend hoe hy zynen Generaal onteeren en zyn Vrouw vervoeren mogt: Tot dat oogmerk lag hy de deugd van DESDEMONA veel geheime laagen. Echter zag by zich telkens in zyn hoop bedroogen en schoof de schuld daar van op den Hoofdman, die hy voor zynen gelukkigen Medevryer hieldt. deze Inbeelding vervulde hem met haat en wraakgierigheid; hy nam zich voor, OTHELLO minnenydig en zyne Gemalin by hem verdacht te maaken. dit oogmerk gelukte hem, en het geval kwam hem daar by te staade. de Moor werd door een tweeduidend aanschyn in zyne vermoeding gesterkt, en begon op den dood des vermeenden Echtbreekers te denken: de Vaendrich was by zyne laaghartigheid zo laf om de uitvoering van deze Moord op zich te neemen, doch liet zich door die besteeking stouter maaken. Eens op een Avond, wanneer dat wellevend Jong Mensch naar huis ging, viel de Vaendrich hem in de duisternisse aan, en bragt hem van ter zyden een stoot in het been toe, waar door hy ter Aarde viel. Het geschreeuw van den gewonden maakte de buurt [p. 179] in opstand; de Vaendrich zag dat de Lieden daar naar toe liepen, kwam weder, mengde zich onder den hoop, en stelde zich gantsch verbaast en bedroeft over dit voorval aan, dat den Hoofdman bejegent was, schoon hy in den grond hoopte dat zyne Wonden hem doodelyk zouden zyn. Voorts dacht de Moor om zyn Vrouw op een goede wyze uit de Waereld te helpen, en beraadslaagde zich met den Vaendrich daar over. Zyn argwaan was door eenige verdachte omstandigheden, bizonder door een Neusdoek van DESDEMONA, van welke hy zeker geloofden, dat zy denzelven aan den Hoofdman geschonken hadt, steeds heftiger geworden. de Vaendrich zogt DESDEMONA’S dood te bevorderen, en sloeg daar om het middel voor, om haar met een Zak vol Zand zo lang te slaan tot zy dood was, en daar na een gedeelte van het Dak van de Kamer op haar te doen nederstorten, om dus te kunnen voorgeven, dat zy van deze instorting gestorven was. de Moor liet zich dezen aanslag wel bevallen. de Vaendrich moest zich eens des nachts nevens haar Slaapkamer verschuilen, en een geraas maaken. de Moor heette haar op te staan, om te zien wat het was; en terstond vloog de Vaendrich uit zyne schuilplaatse ten voorschyn, en gaf haar zulk eenen heftigen slag, dat zy dood ter Aarde viel. hy en den Moor bragten haar daar op in ’t bed, versloegen haar het hoofd, en lieten daar na het Dak van de Kamer op haar nederstorten; de Moor riep daar op om hulp, wyl zyn Huis inviel; en toen de buuren by kwaamen, vond men DESDEMONA onder het puin begraaven. Intusschen duurde het niet lang hier na, of het knaagende berouw en onrust onstond in het gemoed des Moors; het was hem onmoogelyk het gezicht van den Vaendrich, die de schuld van alles had, langer te verdraagen, en ontnam hem zyne plaatse. Deze was daar over zeer verbitterd, en spandde [p. 180] met den Hoofdman, die van zyne Wonden geneezen was, te saamen, om zich aan den Moor te wreeken. beide gingen naar Venetiën en verklaagden hem daar by de Regeering. Deze liet den Moor in bewaaring neemen, hem naar Venetiën brengen, en zogt hier de bekentenisse der gantsche zaak door pyniging uit te hooren. hy beleed niets, maar wierd toch gebannen; en daarna van DESDEMONA’S Bloedverwanten omgebragt. de Vaendrich stierf hier na ook een gewelddigen dood.”
    Men ziet ras, wanneer men deze Vertelling met het Treurspel van SHAKESPEAR vergelykt, dat beide in de hoofdzaake overeenstemmen, en slegts in verscheide bygaande omstandigheden van elkander verschillen. Daar men echter, zo als ik reeds aangemerkt heb, de Engelsche Vertelling noch niet gevonden heeft; daar den Dichter onmiddelbaar uitputte, zo laat zich ook noch niet bestemmen, hoe veel van de bygaande omstandigheden zyne eigen vinding, of opstelling des Fransschen, of Engelschen Nouvellist is. Zelfs Juffr. LENOC moet voor ’t overige toestemmen, dat het onderwerp door deze veranderingen in ’t algemeen veel gewonnen heeft. (ss) by Voorbeeld: by CINTHIO word den Moor in ’t geheel geen voornaamen rang gegeeven; SHAKESPEAR laat hem van Koninglyk bloed stammen; daar door werd zyn Persoon aanzienlyker, en de waarde die hem de Regeering van Venetiën toedeeld, begrypelyker. In het Treurspel word CASSIO, op wien de Moor minnenydig is, als een Jong en beminlyk Officier voorgesteld, die dus DESDEMONA ligt zou kunnen bevallen; in de Vertelling daar en tegen, worden alle deze eigenschappen den Booswicht toe-

    (ss) SHAKESPEAR Illustr, Vol. II, pag. 125.


[p. 181]
gedeeld; welke hem tot de vermoording zyner Vrouw ophitst; en de gemeende Echtbreeker is maar een geheel gewoonlyk Mensch.
    Daartegen vindt voorn. Kunstrichtster EMILIA’S Caracter dat in de Nouvelle goed, en in het Treurspel zo goed, en zo weder kwaad is, in het laatste te twyffelachtig. alleen de Dichter schynt met vlyt dit Caracter de Vrouwelyke wankelmoedigheid medegedeeld te hebben, dat zich naar de voorkomende gevallen terstond tot Deugd, en terstond tot Laster schikt. EMILIA werd moogelyk door wangunst, of ook alleen door eene overhelling om Liefdehandel te bekuipen, daar toe bewoogen, dat zy zelf aanleiding geeft haaren Heer in vermoeding te brengen; maar daar na, wanneer dit vermoeden DESDEMONA’S ongeluk, en zelfs haar dood veroorzaakt, is haar liefde tot haar Meestresse sterk genoeg om door haar noodlot tot medelyden en tot innige deelneeming bewoogen te worden.
    Nog eenen voorrang heeft het Treurspel boven de Vertelling; door de omstandigheid, dat JAGO, EMILIA met den Moor verdacht houd. daar door werd zyne wraakzucht tegens OTHELLO begrypelyker. en zyne wreedheid tegens DESDEMONA, schynt zich uit deze wraakzucht te laaten verklaaren en te rechtvaardigen.
    Het Meesterlykste van allen is den Dichter OTHELLO’S Caracter gelukt, wiens aanleg geheel van hem schynt te zyn. in de Vertelling is hy een gruwlyk Monster; in het Treurspel een Man van eenen goeden, maar onbeschaafden gemoeds-aart. Zyne hartstochten zyn wild en ruw; gelyk het Land waar hy gebooren is. Zyne liefde is byna krankhoofdigheid; zyn vriendschap openhartigheid; zyne gerechtigheid gruwzaamheid; en zyn berouw Zelfsmoord. Maar zyne innerlyke natuurlyke goedheid maakt, dat wy hier even die handelingen van hem met medelyden aanzien, die [p. 182] wy in de Vertelling met afgryzen in hem beschouwen.
    Doch, de Schoonheden van dit Treurspel drukken, zo als Dr JOHNSON met recht zegt, den Leezer van zelfs zo diep in, dat de kritieke opheldering haaren indruk niet versterken kan ,, de vuurige openhartigheid van OTHELLO, die grootmoedig, zonder kunst, en ligtgeloovig, onbegrenst in zyn vertrouwen, gloeijend in zyne neiging, onbuigzaam in zyne besluiten, hartnekkig in zyne wraakzucht is; de koude boosheid van JAGO, die geheim by zyne onwilligheid, slim in zyne oogmerken, en even zo wel op zyn voordeel als wraake is afgerecht; de zagte toegeevenheid van DESDEMONA, die vol vertrouwen op haar goede zaak, en van haare onschuld bewust is; haare ongedwongene begeerte by haar verzoek, en haare langzaamheid in het kwaaddenken, dat men van haar kwaaddenken kan; deeze allen zyn zuivre bewyzen van SHAKESPEAR’S groote kennisse van het Menschelyke hart, wiens gelyken men denkelyk, by veele andere nieuwe Schryvers te vergeefs zoeken zal. de trapswyze voortgang die JAGO maakt, tot hy den Moor overreed heeft, en de omstandigheden die hy gebruikt, om hem in vuur te zetten, zyn op zulk eene kunstige wyze natuurlyk, dat men mogelyk dat van hem nooit zeggen zou, wat hy van zich zelve zegt, dat hy niet ligt minnenydig te maaken is; maar dat wy hem doch noodzaakelyk betreuren moeten, wanneer wy hem eindelyk ten uiterste zien gebracht.
    Het is altoos te vreezen, dat boosheid met geestbekwaamheden vereenigt zich achting kan doen verkrygen, indien zy maar geen byvalling verwerft; naar JAGO’S Caracter is zo geschildert, dat men hem van het Eerste Tooneel af aan haaten en verachten moet.
    Zelfs de mindere Caracters van dit Treurspel [p. 183] kunnen tegens andere Stukken, niet alleen wegens haare inrichting, maar bizonder wegens haare sterkte, ongemeen uitsteeken. CASSIO is dapper, goedhertig en welleevend, de missing van hartnekkigheid alleen, om eene arglistige Wyndrinking te wederstaan, maakt hem ongelukkig. RODERIGO argdenkende ligtgeloovigheid, en het ongeduld waar door hy zich al het bedrog gevallen laat, dat men hem in ’t openbaar speelt, en hem by de andere speelen laat, geeft eene sterke Schildering van een Zwak gemoed, dat door ongeöorloofde begeerte van eenen valschen Vriend Verraaden word. en EMILIA’S deugd is van een aart zo wy ’er veele vinden; zich nalaatig te gedraagen, maar niet geheel zonder deugd; ligt tot kleine misvattingen verleidt, maar door schreeuwende Schelmstukken in onrust gebracht en verheeven.
    De Tooneelen zyn van ’t begin tot het einde onderhoudend, door gelukkige toevallen afgewisselt, en brengen de Handeling, gantsch regelmaatig, telkens verder voort; en schoon het Verhaal aan het einde ons zegt, wat wy zekerlyk reeds weeten, is het zelve toch noodzaakelyk om OTHELLO’S dood te bewerken.
    Was het Tooneel terstond in Cyprus geöpend, en de voorgaande gevallen verhaald, zo zou ’er aan de naauwkeurigste en strengste regelmaatigheid van dit Treurspel weinig ontbreeken. (tt)
Dr. YOUNG heeft in zyn Treurspel DE WRAAK (uu) OTHELLO zonder twyffel voor

    (tt) Men zie ook over dit Treurspel, de Dramatic Censor, Deel I. pag. 131. en het Aanhangsel* des Eersten Deels, der nieuwe Franssche Vertaaling van SHAKESPEAR’S Tooneelspelen, welke OTHELLO onder anderen inhoudt.

[p. 184]
oogen gehad. eenen der Scherpzinnigste Hoogduitsche Kunstrichters heeft beide met elkander vergeleeken, en ieders eigen verdienste in dezen met veel nadruk bestemd. (vv)
    En zelfs VOLTAIRE, hoe hoonend hy onzen Dichter ook zoekt te verachten, zo moedwillig hy ook dikmaals zelfs over plaatsen van dit Treurspel gespot, en van deszelfs voortrefflykheden gezweegen heeft, is hy openbaar het ontwerp zyner ZAIRE, en zelfs een gedeelte der uitvoering, niemant anders dan SHAKESPEAR schuldig. ,, OTHELLO is gewis het voorbeeld van OROSMAN geweest. CIBBER zegt ,, VOLTAIRE heeft zich den brand bemachtigt, door den Treurigen Houtstaapel van SHAKESPEAR in gloed gezet. ik had liever gezegt een brand uit dezen Vlammende Houtsstaapel, en daar nog een by gesteld, die meer damp als licht en warmte geeft. Wy hooren in OROSMAN, eenen minnenydigen spreeken; wy zien hem de spoedige daad van eenen minnenydigen begaan; maar van de minnenyd zelf leeren wy niets meerder en niets minder als wy van te vooren wisten. OTHELLO daar tegen is het Volstaanbaare Leerboek over deze treurige razerny; daar kunnen wy alles leeren; wat haar aangaat; haar verwekt en doet vermeiden.” (ww) —

    (uu) THE REVENGE a Tragedie. Zie Dr. YOUNG’S Works, Deel II.
    (vv) Brieven over de Merkwaardigheden der Litteratuur, Bladz. 224.
    (ww) Hamburgsche Dramaturgie, B. I. Bladz. 116.

EINDE.
Continue

Tekstkritiek:

fol. *2v DERDE er staat: TWEEDE
p. 37 waaren, er staat: waaren.
p. 38 vervulle er staat: vevulle
ibid. tyding er staat: yding
p. 66 ongeschikt er staat: ongegeschikt
p. 67 vergenoegen en er staat: vergenoegenen
p. 69n Musikant er staat: Musiciant
p. 82n potrebe lees: potrebbe — di pui lees: di tanto più — e degnolees: è degno — Quanto pui lees: Quanto più [zie William Richardson:
Cursory remarks on tragedy, p. 53-54]
p. 84 voorby er staat: vooorby
p. 86 zeggen er staat: zegggen
p. 97 het er staat: h
p. 98 Luitenant er staat: Luitetenant
p. 145 geloof er staat: ge loof
p. 151-52 een weinig er staat: een een weinig
p. 153 gevolgen er staat: gevol en
p. 155 heb er staat: hebt
p. 157 naar er staat: naor
p. 161 is. het er staat: is het
p. 171 MONTANO, er staat: MONTAGO,
p. 183 Aanhangsel er staat: Aanhansel