In 1716 verscheen David van Hoogstratens editie van
de vertaling van de 21 Heroides van Ovidius:

Publius Ovidius Nasoos Heldinnebrieven.
Vertaelt door J. van den Vondel.

[Vignet: Tiliae sub tegmine tutus]

T’Amsterdam, By Gerard onder de Linden. 1716.

In hetzelfde boek volgt hierachter, met doorlopende signatuur en paginering
(R- en S-katern) David van Hoogstratens vertaling van de Sabinus-brieven:

DRIE BRIEVEN VAN A. SABINUS.
ANTWOORDENDE OP DRIE BRIEVEN VAN OVIDIUS.

Gebruikte exemplaren: KBH 759 E 7 : 3; UBGent BL 5800 : 37; en UBL 2143 B 6.
Bovendien is in de meeste exemplaren bijgevoegd,
met afzonderlijke signatuur en paginering:

BRIEF VAN FEDRE AEN HIPPOLYTUS,
EN HIPPOLYTUS ANTWOORD AEN FEDRE,
Uit het Latyn van Ovidius en Sidronius Hosschius vertaelt door
J. DE HAES.

Gebruikt exemplaar: KBH 759 E 7 : 3; UBGent BL 5800 : 38.
Uitgegeven door dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Enkele zetfouten in de eerste editie van 1716 (Bibliographie Unger 389)
zijn verbeterd, meestal naar de tweede druk van hetzelfde jaar
(Bibliographie Unger 390, ex. KBH. 863 E 56 : 3) en gemarkeerd met een asterisk.
Hieronder zijn de Latijnse teksten van Aulus Sabinus (Venetië 1591), Ovidius (Leiden 1629) en Sidronius Hosschius (Antwerpen 1656) steeds onmiddellijk na de vertaling afgedrukt; deze teksten staan dus niet in de oorspronkelijke edities van 1716! De tekst van Sabinus is naar de uitgave: Heroidum epistolae P. Ovidii Nasonis, et Auli Sabini responsiones, cum Guidonis Morilloni argumentis, ac scholiis. [Vignet: Virtute duci, comite Fortuna] Venetiis, apud Ioannem Gryphium. MDXCI.

Hier dus drie brieven van David van Hoogstraten: en twee brieven van Joan de Haes: Zie ook de volledige tekst van Ovidius en Sabinus naar de uitgave Parijs 1580.
Continue
[p. 147]

DRIE

BRIEVEN

VAN

A. SABINUS,

ANTWOORDENDE OP

DRIE BRIEVEN VAN OVIDIUS.

[p. 148: blanco]
[p. 149]

DRIE BRIEVEN

VAN

A. SABINUS.
____________________

I. BRIEF.

ULYSSES aen PENELOPE.

HET lot heeft eindelyck, o Penelope, uwen eerbaren brief my in handen gebracht. Ick wert de lieve hant en het getrouwe zegel kennende, en voelde daer door verquicking in myne langdurige rampen. Gy maeckt my uit voor traegh: ’t ware misschien beter zoo te wezen, dan u te verhalen wat ick uitgestaen heb, en nogh uitsta. Griecken zeeker verweet my dit niet, wanneer myn geveinsde uitzinnigheit my wederhiel van met de vloot af te steken: maer dat ick uw byzyn niet wilde noch konde missen: en om u alleen hielt ick my berooft van zinnen. Gy had gaerne dat ick u niet antwoordde, maer my haestte om by u te komen. Maer terwyl ick my des bevlytig, valt my de wint tegen. Troje hout my niet zoo gehaet by de Griexe vrouwen, Troje dat nu een puinhoop, en beschreielycke streek lants is. Oock leggen Deiphobus, Asius, en Hektor gevelt, en wie u verder vrees veroirzaeckte. Ick ontging ook het gevaer, dat my te wachten stondt, zoo de Traciers my opquamen, toen ick hunne Veltheer Rhesus had afgemaeckt, en keerde met zyne paerden behouden in ’t leger. ook haelde ick het beelt van Pallas uit het midden van ’t Trojaensche slot, en bemagtigde het pant, daer ’t noodlot van Troje aen hing. Oock beving my geen angst toen ick my in ’t paert had laten sluiten: schoon de yverige [p. 150] waerzeggerin vergeefsch riep, Trojanen steeckt het vier in ’t paert: steeckt ’er ’t vier in. binnen dit bedriegelyck hout schuilen Griecken, die gereedt zyn om ons in den uitersten noodt te brengen. Achilles had de leste eere der grafstede moeten missen, had ick hem niet op myn schouders geladen, en zyne moeder Thetis in handen gelevert. Oock weigerden de Griecken my geenen lof voor zoo groot een arbeit, maer beschoncken my met de wapenen van den man, wiens lyck ik wechgehaelt had. Wat heb ick ’er aen gehad? de zee heeftze verslonden. ick ben vloot, en spitsbroeders quyt: de zee heeft het alles verovert. Alleen is de liefde, die alleen my in zoo veele rampen gehart heeft, my bygebleven, en staet alle zwarigheden door. Zy is niet bezweken noch door Scille met hare honden bezet, noch door Charibdis met haren draeikolck: noch door den wreeden Antiphates, noch door de meerminnen, die my door hare vriendelyckheden behaegden. Even weinigh vattens vond Circe aen my door hare tooverkruiden, even weinig Calypso, die my ten huwelyck begeerde. Beide beloofden zy my onsterffelyck te zullen maecken, en van de doot te bevryden. Evenwel die belooningen in de wint slaende streefde ick naer u toe, en verachtte zoo veele zwarigheden, als my te lant en te water stonden op te komen. Maer gy hoorende hier van vrouwen spreken zult niet gerust de rest van mynen brief lezen. En een onbekende angst jaegt u reeds denckende vast wat Circe, wat Calypso my door list mogen ophouden. Ick zeker toen ick de namen las van Antinous, Polybus, en Medon, wert bleeck van schrick. Blyft gy onder zoo veele jongelingen, ongebonden door den wyn (och onder wat waerborgh zal ik het gelooven?) altyd kuisch? En zyn uw wangen nat van tranen, waerom kunnenze iemant behagen? En schreit gy zoo veel, hoe blyft gy dan zoo schoon? oock zyt gy reedts verlooft, zoo niet het opgezette webbe hen ophout, en gy [p. 151] het geweefde listigh weder ontweeft. Een eerbare vond maer die niet langer staet te gelucken, dan gy hun oogen door dit webbe bedriegen kunt. Hoe veel beter ware het voor my in Polyphemus hol verslonden te zyn geweest, dan het leven voor zoo groote zwarigheden gereckt te hebben! Beter ware ick neêrgemaeckt door de Traciers, wanneer ick te Ismarus na lang doolen met myne schepen havende. Beter had ick de vratigheit van den wreeden Pluto verzadigt, wanneer ick behouden uit den afgront wederkeerde. Daer zag ick (het geen uw brief my vruchteloos verbergt) myn moeder, die ick op myn vertreck gezond t’huis liet. Zy vertelde my de zelve rampen van myn huis: en ontvlood my, als ick hierover klaegde, zich driemael uit myn armen ontslaende. Daer zag ick Protesilaus, die het voorspellen des orakels in den wint slaende de eerste was, die de Trojanen bevocht. O geluckige met zyn prysselycke vrou! zy vermeit zich onder de dappre schimmen in gezelschap van haren man vol vreugde in de Elizeesche velden. En Lachesis had de jaren, haer toegezegt, nogh niet gevult: des niet tegenstaende lustte ’t haer dus voor haren tydt te sterven. Ick zag oock met tranen in de oogen Agamemnon daer, helaes versch om hals gebragt. Hy was onbeschadigt van Troje gekeert: hy was ’t gevaer van den vergramden Nauplius, en de klippen van Eubea ontkomen. Waet baette ’t hem? hy quam aen zyn doot door duizent wonden, betalende zyn beloften aen Jupiter, die hem behouden t’huis gelevert had. Dit quaedt had Helena hem gebrouwen voor hare echtbreuck, snoode als zy was, die zich aen vremde mannen overgaf. Och wat helpt my (daer ick onder de gevange vrouwen Hektors vrou en zuster voor myn deel kon krygen) liever de afgeleefde Hecuba voor myn deel te nemen, opdat gy geen argwaen zout opvatten dat ick myn zinnen op een byzit gezet had? Zy gaf de eerste een quaet voorteken aen myne [p. 152] schepen, toen men ze buiten haer gestalte vond, hebbende hare droeve klagten door gebas geeindigt: dewyl ze hier op in een dollen hond veranderde. Door zulck een voorteken wert my de zee ontstelt, en de winden vyandigh op ’t gebod van Eolus. Sedert raeck ick aen ’t dwalen door alle streken, en volg daer zee en wint my roepen. Maer zoo Tiresias my goedt en quaedt met even veel waerheit voorspelt heeft, zoo ben ick myn rampen, die ick te water en te lant had uit te staen, te boven, en zwerf nu met beter lot. Oock verzelt my nu Pallas op ick weet niet wat strant, en sleept my door plaetsen, voor vremdelingen veiligh. ’T is d’eerste mael dat ick haer zie sedert den ondergang van Troje: te voren was zy op my verbolgen. De misdaet van Oileus zoon wreeckte zy op alle, en hiel alle Grieken voor schuldigh. Oock zonderde zy Diomedes, op wiens zyde zy pas geweest was, niet uit, en liet hem zoo wel de werrelt door doolen als my. Even zoo weinigh Teucer zoon van Telamon en eener gevange Trojanin: en hem, voor wien duizent schepen streden. o Menelaus, wat waert gy geluckig met uwe gemalin! wat geval u oock trof, het viel u niet bits. Het zy de winden of zee u ophielden; uw liefde leed geen hinder door eenige schade. Noch zee noch winden zeker hebben uwe kusjes wederhouden: en uw armen waren altydt gereedt om elkander te omhelzen. Och mogt ick zoo zwerven! gy zout, myn lief, de zee verzachten: niets viel my droevigh, als ick u maer by my had. Nu oock verstaende dat gy met Telemachus nogh welvarende zyt, vind ick alle myne rampen lichter. Die my evenwel moeit dat met gevaer weder over zee treckt, dan naer Sparte, dan naer Pylos. De kinderliefde, vermengt met zoo veele gevaren, gevalt my niet. Men moest hem op zee niet betrout hebben. Maer het suckelen loopt ten einde. de wichelaer heeft my zyne ontmoeting op strant gespelt. gy zult my ontmoeten, o zoon, om my te om- [p. 153] helzen. Ick zal komen kenbaer voor u alleen. maer verberg voorzichtigh uw vreugt, en hou uw blyschap in. Men zal geen gewelt hoeven te gebruicken, noch in openbaer oorlogh treden. Dus zegt hy dat zyn orakelkoor voorspelt heeft. Misschien zullen de pylen van den Godt om wraeck te nemen te pas komen voor den disch, en onder den wyn: en yder zich schielyck verwonderen over Ulysses, dien men even te voren veracht had. Hoe wensch ick naer het ryzen van dien dagh! die ons het oude verbont van ons huwlyxbedt magh venieuwen, en waer op gy eindelyck, myn lief, aen ’t genot van uwen gemael moogt geraken.



Latijnse tekst van Aulus Sabinus:

AULI SABINI
POETAE,
EPISTOLAE TRES
AD OVIDIANAS EPISTOLAS
RESPONSORIAE.

IN I. EPISTULAM ARGUMENTUM.

    Aulus Sabinus imperante Octavio, atque Ovidii temporibus claruit, ad Trisenam amicam elegiarum librum dedit. Fastorum inchoatos reliquit. Scripsit etiam epistolas quibus Ulisses Penelope: Hippolytus Phaedrae: Aeneas Didoni: Demophoon Phyllidi: Iason Hipsipyle: Phaon Saphoni respondent. Quae omnes praeter has tres, quas nunc prae manibus habemus: saeculorum ignavia perierunt. Ulysses lecta Penelopes epistola respondet occurrens ad omnia quae illa oblectaverat. Narrat insuper varios labores quos omnes mira fortitudine toleraverat. Demum a Tiresia vate & Pallade de futuris certificatus: Ithacam patriam sub mendici habitu se brevi venturam praedicat. Quod cum fecisset, in propria domo incognitus a procis amatoribus Penelopes ignominiosa quaedam perpessus est. Verum a Telemacho filio & duobus subulcis adiutus gravi pugna eos omnes interemit. Tandem a Telegono filio: quem ex Circe genuerat: immisso in eum letifero telo occisus est.

    ULYSSIS AD PENELOPEN
        RESCRIPTIO.

PErtulit ad miserum tandem sua casus Ulyssem
    Penelope chartis verba notata piis.
Agnovi charamque manum, gemmasque fideles:
    Solamen longis illa fuere malis.
(5) Arguis ut lentum: mallem quoque forsitan esse,
    Quam tibi quaeque tuli dicere, quaeque feram.
Non hoc obiecit mihi Graecia, cum mea fictus
    Detinuit patrio littore vela furor:
Sed thalamis nec velle tuis, nec posse carere,
    (10) Causaque fingendae tu mihi mentis eras.
Nil tibi rescribam, curas, properemque, venire,
    Dum propero adversi vela tulere Noti.
Non me Troia tenet Graiis odiosa puellis
    Iam cinis, & tantum flebile Troia solum.
(15) Deiphobusque iacet, iacet Asius, & iacet Hector,
    Et quicunque cui causa timoris erant.
Evasi & Thracum caeso duce proelia Rhaeso,
    In mea captivis castra revectus equis.
Tutus & è media Phrygiae Tritonidos arce
    (20) Fatalis palmae pignora capta tuli.
Nec timui commissus equo: male sedula quamvis
    Clamabat vates: urite Troës equum,
Urite, mendaci celantur robore Achivi,
    Et Phrygias miseros ultima bella ferunt.
(25) Pendiderat tumuli supremum munus Achilles,
    Sed Thetidi est humeris redditus ille meis.
Nec laudem Danai tanto renuere labori:
    Erepti precium corporis arma tuli.
Quid refert? pelago sunt obruta: non mihi classes,
    (30) Non socii superant, omnia pontus habet.
Solus adhuc mecum, qui me tot casibus unus
    Duravit, patiens ad mala perstat amor.
Illum non avidis canibus Nereia virgo.
    Fregit, non tumidis torta Charybdis aquis.
(35) Non ferus Antiphates, nec in uno corpore discors
    Parthenope blandis insidiosa modis.
Non quod Colchiacas artes tentaverat herbis,
    Non quod solennes altera diva toros.
Utraque se nobis mortalia demere fila
    (40) Spondebat, Stygias utraque posse vias.
Te tamen hac etiam spreta mercede petivi,
    Passurus terra tot mala totque mari.
Sed femineo nunc forsan nomine tacta,
    Non secura leges caetera verba mea.
(45) Quaeque mihi Circe, quae sit mihi causa Calypso,
    Iamdudum ignoto sollicitare metu.
Certe ego cum Antinoum, Polybum, Medontaque legi,
    Heu toto sanguinis corpore nullus erat,
Tot iuvenes inter tot vina liquentia semper,
    (50) Hei mihi quid credam? pignora casta manes.
Curve placent ulli, si sunt in flectibus ora?
    Deperit & lacrymis non decor iste tibi.
Pacta quoque ex thalamo, nisi mendax tela moretur
    Et coeptum revocas pallida semper opus.
(55) Ars pia, sed quoties oculos frustrabere lana,
    Successum toties ars dabit ista tibi.
Ah melius Polypheme tuo superatus in antro,
    Finissem ingratos ad mala tanta dies.
Thraeicio melius cecidissem milite victus,
    (60) Ismaron errantes cum tenuere rates.
Crudelemve illo satiassem tempore Ditem,
    Quo redii Stigiis fata moratus aquis.
Vidi ubi nequicquam, quod me tua littera celat,
    Sospes digresso quae mihi mater erat.
(65) Retulit illa domus eadem mala, meque querentem,
    Fugit ab amplexu ter resoluta meo.
Phylacidem vidi: contemptis sortibus, ille
    Primus in Hectoreas intulit arma domus.
Felix laudata cum coniuge, laeta per umbras
    (70) Illa suum forte sit comitata virum.
Nec dum illi Lachesis dictos numeraverat annos,
    Sed iuvat ante suum sic cecidisse diem.
Vidi, nec lacrymas oculi tenuere cadentes,
    Deformem Atriden, (hei mihi) caede nova.
(75) Illum Troia virum non laeserat, ille furentem
    Nauplion, Euboicos transieratque sinus.
Quid refert? animam per vulnera mille profudit
    Iam reduci solvens debita nota Iovi.
Tyndaris has illi laetas pro faedere poenas
    (80) Struxerat, externos ipsa secuta viros.
Ah mihi quid prodest, captivas Teucridas inter
    Cum staret coniux Hectoris atque soror.
Defectis Hecubam potui legisse sub annis,
    Ne tibi suspectas pellicis esset amor.
(85) Prima meis omen metuendam puppibus illa
    Fecit, non membris ipsa reperta suis.
Latratu miseras finivit moesta querelas,
    Et stetit in rapidam protinus acta canem.
Prodigio tali placidum Thetis abstulit aequor,
    (90) Aeolus infusis incubuitque Notis.
Pervagus hinc toto non felix differor orbe,
    Et quacumque vocat fluctus & aura, feror.
Sed si Tiresias tam laeti providus augur,
    Quam veras vates in mala nostra fuit.
(95) Et terra, & pelago, quicquid mihi triste canebat,
    Emensas, fato iam meliore vagor.
Iam mihi nescio quo comitem se in littore iungit
    Pallas, hospitibus per loca tuta trahit.
Nunc primum Pallas versae post funera Troiae
    (100) Visa mihi medium temporis ira tulit:
Quicquid & Oenoides commiserat, omnibus unus
    Peccavi, Danais omnibus ira nocens.
Nec te Tetidae, cuius modo noverat arma,
    Eximit, errata tu quoque ab orbe venis.
(105) Non Telamone satum capta de coniuge Teucrum,
    Non ipsum pro quo mille fuere rates.
Felix Plistenides quacunque in sorte fuisti,
    Coniuge cum chara, non gravis illa fuit.
Seu venti fecere moras, sive aequora vobis,
    (110) Ad nulla est vester damna retentus amor.
Oscula nec venti certe tenuere, nec undae,
    Promptaque in amplexus brachia semper erant.
Sic utinam errarem, faceres tu mollia coniux
    Aequora, te socia nil mihi triste foret.
(115) Nunc quoque Telemacho tecum mihi sospite tecto
    Omnia sunt animo iam leviora mala.
Quem tamen infestas rursus queror ire per undas
    Herculeam Spartem, Nestoreamque Pylon.
Ingrata est pietas cui tanta pericula subsunt,
    (120) Nam male commissus fluctibus ipse fuit.
Sed labor in fine est, occursum in littore vates
    Dixit, in amplexus chare ferere tuos.
Noscendus soli veniam tibi, tu preme solers
    Laetitiam, & tacito gaudia conde sinu.
(125) Non vi certandum, nec aperta in bella ruendum,
    Sic cecinit Laurus ille manere suas.
Forsitan ante dapes, interque vacantia vina
    Ultoris pharetris utile tempus erit.
Et modo despectum subito mirentur Ulyssem,
    (130) Heu precor, ut properet ille venire dies.
Antiqui renovet qui laetus faedera lecti,
    En tandem incipias coniuge chara frui.


II. BRIEF.
DEMOPHOON aen PHYLLIS.

O Phyllis, Demophoon zendt u dezen brief uit zyn vaderlyke stadt, wel gedachtigh, dat hy u het genot daer van te danken heeft. Oock bezet hem geen andere min, of gemalin; was hy maer zoo geluckkig, als hy van u bekent was. Theseus (op welcken schoonvader gy vergeefs uwen roem draegt; en misschien heeft hy uw vier gestoockt) is, dat ons niet te lyden staet, van eenen snooden gast uit zyn ryck gedreven. Dit moest hy in zynen hoogen ouderdom bezuren: daer hy pas de schiltdragende Amazonen met de wapenen verwonnen had, niet minder dan Herkules, zyn groote medegezel: en Minos van zynen doodelycken vyant tot zyn schoonvader wist te maken, wanneer die vorst verbaest stondt da zyn stiergedrocht verwonnen was. Ick word beschuldigt oirzaeck geweest te zyn (wie zou ’t gelooven?) van de ballingschap: en myn broeder lydt niet dat ick die beschuldiging zwygende voorbyga. Ter- [p. 154] wyl gy, zegt hy, dringt op het huwelyck van uw beminde Phyllis, en uw uitheemsche min u ophout; is de tydt middlerwylen schichtigh doorgegaen, en een beklaeglyck uur is uw dralen voorgekomen. Misschien kond gy het vervallen der zaken voorgekomen hebben, of ze evenwel nogh redden. Waerom was het Ryck van Tracie u liever, en waerom stelde gy de beminde maegt boven alle Rycken? Hier op buldert Acamas: en het zelve verwyt my terstont Ethra de oude en bykans afgeleefde vrou. En zy wyt myn dralen gedurigh dat hare handen de oogen van haren zoon niet mogen luicken. Ick wil ’er niet tegenstryden, beide hebben z’ ’er woorden genoegh over gemaeckt, wanneer ick met myn schip op de Tracische reede lagh. De wint, Demophoon (wat vertoeft gy?) roept u in de zee: onverzettelycke, zie om naer uwe Vaderlycke Goden. Ziet ’er naer om, en neem uw lieve Phyllis tot een voorbeelt, die haere liefde zoo bestiert, datze uit haer lant niet scheiden wil. Zy bid u dat gy wederkeert, en niet dat zy u op de reis magh vergezellen, stellende haer barbaersche ryck boven het uwe. Evenwel gedenckt my dat ick onder dit kyven en bestraffen stil beloften deed aen de winden, als zy myn reis wilden tegenhouden: en dat ick om afscheit te nemen myn armen om uwen hals slaende blyde was over de verbolgenheit der zee. Oock zou ick my niet ontzien dit voor mynen Vader te bekennen, en te zeggen, dat ick niet zonde beweging was, toen ick u verliet, noch my spoeide om wech te komen. Ick heb geschreit, en door u, die schreide, te troosten, myne reis gestaeckt, als de tydt nu vast gestelt was om te vertrecken. Eindelyck ick ben gekomen met een Tracisch schip. Zy kon ’t my niet geven, maer vertraegde zoo veel zy kon myn vertreck. Hou my dit belyden, o vader, ten beste: u heugt zelf van Ariadne, en de oude liefde is u nogh niet ontschoten. En zoo meenigmael gy de starren aen den hemel beschout, zegt gy: Die star, die daer aen den hemel [p. 155] blinckt, was eertyts onze beminde. Bacchus geboodt hem zyn beminde vrou voor hem af te staen: dus is hy schuldigh aen ’t verlaten der maegt. Gy beschuldigt my, o onbarmhartige Phyllis, van niet getrouwer te zyn dan myn vader was, en onderzoeckt de reden niet van myn dralen. En gy meent dat ick wederkeerende geen bewys genoeg geef van myn trou, als ick toon dat ick niemant buiten u bemin. Hebt gy door ’t gerucht niets gehoort van de beroerte in vaders huis ontstaen, en de droevige rampen ons overgekomen? Hebt gy niet gehoort dat ick rou draeg over de lagen mynen beminden vader gelegt? En och grooter reden, Phyllis, heb ick dan van over lagen te klagen. Hebt gy niets gehoort van broeder Hippolytus, en zyn droevigh omkomen door het hollen zyner paerden, die hem achter zynen wagen door zee sleepten? Ick wil echter myn trage wederkomst niet verschoonen, al hoopt het noodlot van alle kanten redenen van vertoeven op een; alleen eisch ick eenen korten tyd. wy zullen (dit rest ’er nogh) vader Theseus eerst begraven, en met uw verlof de leste eere bewyzen. Ick bid om een korten stondt: ick blyf niet wech uit trouloosheit: en geen lant hou ick voor my veiliger dan het uwe. Al wat my gemackelyck gevallen heeft sedert Trojes ondergang, wat ophouden my gebeurt is of door den oorlog, of door de zee, dat vond ick in Tracie alleen. In myn eigen vaderlant ontbeer ick rust. Gy alleen kunt my redden uit myne ongevallen. Indien gy maer dezelve genegenheit behouden hebt, heb ick daer geen wezen van dat ick nu een ryck hof bezit, niet minder dan dat van Athenen: noch ick stoor my aen de rampen myns vaders, noch aen de misdryven myner moeder: noch aen myn eigen ongeluck. Hoe? wat zou ’t zyn zoo ick naer Troje, Febus stadt, toog, en volgde daer den krygh tien jaren lang? Gy hoort hoe Penelope door de gansche werrelt geroemt wort, zynde geen kleen voorbeelt geworden van een [p. 156] getrouwe vrou. Het gerucht gaet, dat zy uit eerbaerheit een webbe opzette, en het heimelyck by nacht weder ontspon, om door dezen treck de lastigheit harer minnaren te leur te stellen. Maer vreest gy, Phyllis, dat de Traciers een afkeer mogen hebben van met u te trouwen: en zout gy, wreede, met iemant kunnen trouwen? en neemt gy in uw gedachten met iemant een huwlyck aen te gaen? en is die vrees uw trouloosheit niet in den wegh? och hoe zult gy u schamen over uw bestaen! och, wat hartzeer zult gy ’er af hebben, als gy myn schip van verre ziet aenkomen? Dan zult gy uw lichtvaerdige klagten te laet verfoejen, en zeggen, Myn Demophoon bleef my trou. Demophoon is wedergekeert: en wie weet wat hy door wint en weder over zee heeft uitgestaen? Och hoe haestig ben ick geweest met hem te beschuldigen! Ick heb de trou gebroken, over wiens breuck ik geklaegt heb. Maer och myn Phyllis volhart echter liever zoo, dan dat ick verder smart over u voelen zou. Van wat stroppen spreeckt gy helaes? en wat doot wilt gy u zelve aendoen? Dat volck heeft al te stoute Goden. Spaer u zelve toch, en bezwaer myn huis behipt met trouloosheit niet door een dubbele lastervleck. Ariadne, is zy by avontuur nogh in ’t leven, magh mynen vader beschuldigen; ick verdien niet schuldigh verklaert te worden. Nu mogen de winden myne woorden overbrengen, gelyzcke myn schip hebben voortgedreven. Myn opzet is weder te keeren: maer een godtvruchtige reden hout my op.



Latijnse tekst van Aulus Sabinus:

    IN II. EPISTULAM ARGUMENTUM.

    Hac epistola Demophoon suam perfidiam purgare nititur, & reditum, quem longe ultra promissum retardaverat, excusare, varias causas afferendo. Interdum enim dicit se a suis arceri, & ob moram, quam in Thracia cum Phyllide fecerat, redargui. Nonnunquam a navigandi importunitate se defendit. Se autem brevi, etiam contra omnem maris tempestatem ad Phyllida navigaturum promittit. Quod quidem adimplevit: sed tamen Phyllis amoris impatientia laqueo vitam finierat: & deorum miseratione in amygdalum sine foliis conversa: quae Demophoontis amplexu, veluti sponsi sentire adventum, folia emisit. Quod ideò fingitur, quia amygdalus Graece Phylla vocatur, in qua morientis Phyllidis nomen remisit. Quae flante Zephyro, quod occidentalis est ventus, & in Thracas vadens, per Atticam regionem transitum facit, floret: cum Zephyrus dicatur quasi [Grieks-]zôèphóros[-Grieks], i. vitam ferens: quoniam habet plantis & graminibus favere. ut germinent & pullulent, & huic fabulae datus est locus, Phyllida scilicet laetari & florere redente ab Athenis amasio.

    DEMOPHOON PHYLLIDI.

PHyllidi Demophoon patria dimittit ab urbe,
    Et patriam meminit muneris esse tui.
Nec face Demophoon alia, nec coniuge captus,
    Sed tam non felix, quàm tibi notus erat.
(5) Thesea, quo socero nequicquam Phylli timebas,
    Impuleritque ignes forsitan ille tuos.
Turpe pati nobis, regno ferus expulit hospes,
    Hunc illi finem longa senecta dedit.
Qui modo peltiferas fudit Maeotidas armis,
    (10) Alcidae magni non miror esse comes.
Qui socerum Minoa gravi sibi fecit ab hoste,
    Mirantem monstri cornua victa sui.
Arguor exilii, quem credis, causa fuisse,
    Nec tacitum frater, nec sinit esse reum.
(15) Dum thalamo (inquit) dilectae Phyllidos urges,
    Et tuus externo cessat in igne furor?
Fluxere interea pede tempora lapsa fugaci,
    Prevenitque tuas flebilis hora moras.
Forsitan & nondum occurrere rebus,
    (20) At poteras factis utilis esse tamen:
Cum potiora mihi Rodopheia regna fuere,
    Quaeque magis regnis chara puella fuit.
Intonat his Athamas, eadem mox obiicit Aethra
    Infelix functae iam prope sortis anus.
(25) Et quod non condant nati sua lumina palmae,
    Fecisse hic nostris arguit usque moras.
Non equidem inficior, multum clamavit uterque,
    Staret Threiciis quam mihi puppis aquis.
Poscunt, Demophoon, quid cessas? carbasa venti,
    (30) Demophoon, patrios respice iure Deos.
Respice: & exemplum, qua gaudes, Phyllida sume
    Sic amat, ut terra nolit abire sua.
Utque redire velis, non ut comitetur euntem,
    Te rogat, & praefert barbara regna tuis.
(35) Me tamen hic inter tacitum convicia saepe
    Adversis memini vota tulisse notis.
Saepe abitura tuo ponentem brachia collo,
    Gavisum in fluctus aequora mota truces,
Nec metuam hoc ipso coram genitore fateri,
    (40) Libertas meritis est mihi facta tuis.
Dices, Non duro dilectum Phyllida liqui
    Pectore, nec praeceps vela ferenda dedi.
Et flevi, & flentem solando saepe remansi,
    Dum staret cursus iam mihi certa dies.
(45) Denique Threicia veni rate: non dare Phyllis
    Quam potuit, iussit tardius ire ratem.
Ignosce & fasso, memores Minoidos, ipse
    Antiquus nec dum pectore cessit amor.
Et quoties oculis circundat sydera, dixit:
    (50) Quae fulget celo, nostra puella fuit.
Illum dilecta Bacchus sibi cedere iussit
    Coniuge, desertae crimen at ille subit.
Exemplum patris periurus dicor & ipse,
    Ne quaeris causa Sithoni dura morae.
(55) Nec satis ampla putas redituri pignora, si me
    Non amor alterius, non amor ullus habet.
Nulla ne fama tibi turbatos Phylli penates
    Theseos, & miserae retulit acta domus?
Non laqueos audis chari me flere parentis?
    (60) Flebilior laqueis hei mihi causa subest,
Non fratrem Hippolitum cecidit miserabilis ille
    Praeceps attonitis per freta raptus equis.
Non tamen excusso reditus: licet undique fata
    Accumulent causas, tempora parva peto.
(65) Thesea (quod superest) patrem tumulabimus ante:
    Succedat tumulo non sine honore decens:
Da spatium, veniamque peto; non perfidus absum,
    Nec mihi iam terra tutior ulla tua est.
Quicquid mite fuit post diruta Pergama; quicquid
    (70) Aut bella, aut pelagi detinuere morae.
Sola fuit Thrace, patria quoque iactor in illa,
    Auxilium superest casibus una meis.
Si modo mens eadem, nec quod sit iam mihi dives
    Regia Cecropia non miror arce movet.
(75) Nec patris offendunt casus, nec crimina matris,
    Nec iam non felix omine Demophoon.
Quid si Phoebeam peterem te coniuge Troiam?
    Perque annos sequerer bella gerenda decem?
Penelopen audis, toto laudamur in orbe,
    (80) Exemplum fidei non leve facta tori.
Illa piae (sic rumor ait) mendacia tetae
    Struxit, & instantes distulit arte toros:
Cum properata palam revocare stamina noctis,
    Atque iterum in lanas omne rediret opus.
(85) At tua ne fugiant spreti conubia Thrace,
    Phylli times: ulli nubere dura potes?
Estque tibi pectus cuius quam accedere tedas?
    Obstat perfidiae nec metus iste tuae?
O tibi quantus erit facti rubor, ah tibi quantus
    (90) Tum dolor, aspicies cum mea vela procul?
Damnabisque tuos sero temeraria questus,
    Demophoon, dices, hei mihi, fidus erat.
Demophoon, rediit, & saevos forsitan Euros
    Passus, & hybernas dum quoque currit aquas.
(95) Ah cur nescio quam properavimus, hei mihi culpam,
    Rupi, quam raptam sum mihi quaesta fidem,
Sic tamen ah potius sic perstes, quam mihi de te
    Ulterior tangat pectore Phylli dolor.
Quos tibi (me miserum) laqueos, quae fata minaris?
    (100) Et nimis audaces gens habet ista Deos?
Parce precor, flammasque domus mihi crimen habentis
    Perfidiae, gemina ne preme dura nota.
Excuset patrem fatis in parte relicta,
    Gnossis non merui, cur ferat ipse nocens.
(105) Nunc venti mea verba ferant, qui vela tulerunt,
    Est animus reditus; sed pia causa tenet.



[p. 157]

III. BRIEF.
PARIS aen ENONE.

ICK beken, o Nimf, dat ick werck heb om woorden te vinden, die gevoegelyck uw rechtvaerdige klagt mogen beantwoorden. Ick zoeck ’er na, en ze komen my niet te binnen. alleen gevoel ick myn misdaet: maer schoon ick ze gevoel, myn andere min lydt niet dat ick ’er van ontslagen worde. Kan dit uw gramschap verzachten, ick word verwezen door myn eigen vonnis. Wat magh het helpen? schoon uw zaeck goedt is, gy verliestze evenwel. En Kupido treckt my schoon verwezen van u beledigt te hebben te rug onder zyn magt. Zoo strecken wy oock tot buit van een ander. Gy zyt de eerste aen my verlooft geweest: en myn liefde bewees dat ick tot mannelycke jaren gekomen was, toen ick u tot myn bruit nam. Ick was toen nogh zoo groot niet. ben ick trots op mynen vader Priamus, als gy voorgeeft, zoo moest ick, zulck een heer, by u behouden worden. Ick was wel verre van te dencken dat Deiphobus en Hektor myn broeders waren, toen ick in uw gezelschap myn vee weidde. En Hecuba kende ick alleen als Koningin, niet als moeder: en gy verdiende haer schoondochter te blyven. Maer liefde neemt geen overlegh. ga met u zelve te raden, o Nimf, gy zyt beledigt: maer schryft egter dat gy des niet tegenstaende my bemint. En schoon Saters en Veegoden naer uw huwlyck staen, gy kunt uw misluckte liefde nogh niet vergeten. Voeg hier by, dat deze liefde door het noodlot geholpen, en door myn zuster, die zich op de kennis der toekomende dingen verstont, voorzien is. Noit had ick nogh horen spreken [p. 158] van Helena, en zy voorspelde niet, dat daer op het gewelt der Griecken zou volgen. Gy ziet alles vervult. myn wond is alleen overigh: en dat ick u ootmoedigh om bystant moet smeken. Gy hebt myn leven en doot in uw handen: maeck nu dat gy myn leven en myn hart u eigent. Evenwel schreide gy, ’t heugt me nogh op hare voorspellinge: en verre, zeide gy, moet die zwarigheit van my zyn. En het nootlot bestelle niet, schoon het overige zoo bestelt is, dat ick schoon beledigt Paris zou moeten verliezen. Die zelve liefde, die my dwingt zoo veel vrees te boven te komen, noch daer geloof aen te slaen, bedriegt (hou dit zeggen my ten beste) u zoo wel als my. De Minnegod voert gezagh over de Goden: als hy maer wil, verandert hy Jupiter in een stier of vogel. Helena, een vrou helaes geboren om ’t vier in my te ontsteken, zou van zulck een wonderlycke schoonheit op aerde niet geweest zyn, indien Jupiter zich in geen zwaen herschapen had. Op die wyze quam hy te vore als een goude regen Danaë in den schoot vallen: dus quam hy als een vogel vliegen op het pynryck Ide, en stond als een stier onder het horendragend vee van Agenor. wie zou gelooven dat Herkules, die ’t al verwon, ten dienst zyner minnaresse zyn taeck in de hant hiel? ja toch de min dwong hem te spinnen. Men zegt oock dat hy zat in Omphales kleederen, en zy zich omgordde met zyn leeusvel. My heugt, Enone, (ick meld myn eige schult) dat gy voor Apollo vlood, en myn huwelyck zette boven het zyne. Ick was niet beter dan hy, maer Kupido wilde u dus door zyne pylen naer zyn wetten doen leven. Troost u evenwel in uw leet hier mede, dat uw byzit myn min verdient: zy, die wy boven u gestelt hebben, is een dochter van Jupiter. Maer dat zy dat is, daer heb ick het minste wezen van: dat ze de schoonste van alle vrouwen is, dat is de reden, waerom gy lyden moet. En och of ick zulck een keurlyck oor- [p. 159] deelaer van schoonheit niet ware geweest, o Enone, toen ick bestelt was om myn verblyf te houden op ’t gebergte van Ida! Zoo zou my de toorn van Juno, noch Pallas hinderen, vergramt om dat ick Venus voor de schoonste keurde. Zy doet anderen in spoedigen en gelycken gloet branden: naer haer welgevallen beheerscht zy de fackels van haren zoon. En nogh heeft zy in haer eigen hof de schichten niet kunnen ontgaen. Den boogh, dien zy op anderen had doen gebruiken, heeft zy oock wel moeten bezuren. ’T speet haren gemael dat hy haer met Mars in overspel betrapte, en deed in de tegenwoordigheit der Goden hier over zyn beklagh aen Jupiter. Nu klaegt Mars ook zelf, en verlaet van zelf de aerde: omdat zy hopende op ’t genot van Anchises hem boven Mars stelt. Om Anchises wilde zy schoon schynen, en lei de gedaente eener godin af. Wat wonder is het dan dat Paris heeft moeten bucken onder de liefde? tegen wiens vermogen de moeder zelf niet heeft kunnen bestaen? Haer, die Menelaus bemint, schoon hy van haer beledigt is, heb ick bemint, zonder dat zy my beledigt had. Doe hier by, dat zy my niet alleen niet beledigde, maer zelve verzelde. En dus geschaeckt zie ick dat zy my groote beroerten verweckt: en duizent gewapende schepen treckken naer Troje. Ick ben niet bekommert dat de rede van den oorlogh niet goet te maken is: Zy heeft een aengezicht wel waerdigh om de krygshoofden te bekoren. Gelooft gy my niet: zie de gewapende zoonen van Atreus. Die zy op zulck een wyze wederhalen, moet ick op zulck een wyze voor my behouden. Indien gy eenige hope hebt van my van deze gedachten te doen veranderen; waer blyven uw kruiden en toovervaerzen? want niemant kan by u halen in de kunsten van Febus, en u is bekent wat Hekate voorspelt. My heugt dat gy de maen in nevels bedeckt met de starren van den hemel trockt, en den dagh verjoegt. Ick hoedde de osssen, en [p. 160] stont verbaest dat onder het vee oock leeuwen gingen, bezadigt door uwe stem. Wat zal ick verder zeggen hoe Xanthus en Simoïs te rug geroepen hunnen loop gestremt hebben? Uw vader Cebren zelf, niet veiligh tegen de woorden zyner eigen dochter, hoe meenigmael heeft hy stil gestaen, als de toovervaerzen zynen vloed stremden! Nu is het tydt uwe krachten te toonen: doe uw best, en zie dat gy uwen of mynen minnegloet verdryft.



Latijnse tekst van Aulus Sabinus:

    IN III. EPISTULAM ARGUMENTUM.

    Epistola haec responsiva Paridis non multum in rebus difficultatis habet, eo quod argumentum ex Oenones epistola dependet: Paris autem quia coniugii iura violaverat, dum uxore dimissa Helenam duxerat, in principio statim iniuriam Oenone se fecisse fatetur. Deinde cum sui excusatione crimen rejicit in cupididem: cui non facile restititur: sed qui sine ulla ratione in ea quae cupit amantes trahit: & in fatorum seriem, quae sibi Helenam, antequam illam novisset destinaverant. Ferunt autem Oenonem tanto Paridis amore flagrasse: ut cum a Philoctete sagittis Herculeis confossus ad eam ferretur, ipsa cadaver complexa favens vulnera expiraverit & in Cebria Troadis urbe sepultos fuisse.

    PARIS OENONE.

QUae satis apta tibi tam juste, nympha quaerenti
    Rescribam, fateor quaerere verba manum.
Quaerit, nec subeunt: sentit sua crimina tantum:
    Solvere quae sentit, non sinit alter amor.
(5) Si levat hic iras, ipso me iudice damnor,
    Quid refert? causa tu meliore cares.
Damnatumque tibi me sub sua iura Cupido
    Retrabit alterius, sic quoque praeda sumus.
Prima meis tu pacta tori, fassusque iuventam
    (10) Te primum accepta est coniuge noster amor.
Nondum tantus eram, quo me genitore superbum
    Arguis, hoc dominus tunc retinendus eram.
Non ego Deiphobum sperabam, aut Hectora fratrem
    Cum pastos agerem te comitante greges,
(15) Reginamque Hecuben nisi matris nomine noram,
    Et fueras illi digna manere nurus.
Sed non est rationis amor, te consule nympha,
    Laesa es, & laesam scribis amore tamen.
Cumque petant Satyri connubia, cum tua Panes,
    (20) Dejectae memor es tu tamen usque facis.
Adde quod hic satis amor est adiutus, & illum
    Praescia venturi viderat ante soror.
Nondum Tyndaridos nomen mihi sederat aure,
    Nec cecinit Graios illa vocare viros.
(25) Omnia vera vides: superant mea vulnera, tantum
    Utque tuam supplex poscere cogar opem.
Te penes arbitrium nostrae vitaeque, necisque
    Victori iam nunc pectora sume tibi.
Flevisti, memini tamen hac in voce canentis,
    (30) Et mala, dixisti, sint precor ista procul.
Nec sic fata ferant, tulerant sic caetera quamvis,
    Ut possim Oenone perdere laesa Parim.
Tot superare metus qui me nec credere cogit,
    Ignoscas, idem te quoque fallit amor.
(35) Imperat ille Deus: cum vult in cornua tauri,
    Cum vult in pennas destruit ille Iovem.
Non foret in terris tanto miranda decore
    Tyndaris (hei flammis nata puella meis)
Si sua non cygno mutasset Iupiter ora:
    (40) Fluxerat in Danaes aureus ante sinus,
Piniferamque Idem salsus lustraverat ales;
    Inter Agenoreas constiteratque boves.
Victorem Alciden dominae quis pensa tenere
    Crederet? at lanas nere coegit amor.
(45) Dicitur, & Coae sedisse in veste puellae,
    Illa Cleonaeo tecta leone fuit.
Te memini Phoebum Penone (mea crimina dico)
    Fugisse, & nostros praeposuisse toros.
Non ego praestabam Phoebo, sed tela Cupido
    (50) His in te voluit legibus ire sua.
Consolere tamen digna tua pellice damna:
    Quam tibi praetulimus nata puella Iove est.
Sed quod nata Iove est minimum me tangit: in illo
    Quod non est facies pulchrior ulla, nocet
(55) Atque utinam formae iudex incallidus essem,
    Creditis Idaeis Pegasi nympha iugis.
Non mihi Iunonis, nec obesset Pallados ira,
    Laudato est oculis quod Cytherera meis.
Dividet haec aliis flammas, celeresque paresque
    (60) Ut libitum est, nati temperat ipsa faces.
Non tamen evaluit vitare domestica tela,
    Quos aliis arcus, & sibi dura tulit.
Deprensam coniux illam in Mavorte dolebat,
    Testibus hic divis cum Iove questus erat.
(65) Iam dolet, & Mauros, terras ultroque relinquit,
    Praetulit Anchisen hinc habitura suum.
Anchisen propter voluit formosa videri,
    Visaque post latam iacuit ultra Deam.
Quid mirum est potuisse pari succurrere amori,
    (70) Iummunis sub quo non fuit ipse Paris?
Quam laesus Menelaus amat, non laesus amavi,
    Adiice non laeso quod comes ipse fuit.
Et magnos video cogi mihi rapta tumultus,
    Armataque petunt Pergama mille rates,
(75) Non vereor, belli ne non sit causa probanda,
    Est illi facies digna movere duces.
Si mihi nulla fides, armatos respice Atridas,
    Quam sibi sic repetunt, sic metuenda mihi est.
Quod si vertendae spem mentis concipis huius,
    (80) Cur cessant herbae? carmina curve tua?
Cum te nec Phoebi solertior artibus ulla est,
    Phoebeaeque Hecates somnia vera vides.
Tecum syderibus, tecum deducere Lunam,
    Nubibus & memini surripuisse diem.
(85) Pascebam tauros, interque armenta leones
    Obstupui placidos vocibus ire tuis.
Quod retro Xanthum? retro Simoenta vocatum,
    Adjiciam cursus non tenuisse suos?
Ipse pater, ceu rem natae male tutus haberet,
    (90) Cantatas quoties restitit inter aquas?
Nunc locus Oenone est, nunc illas tende: paravit.
    Sive tuos ignes pellere, sive meos.


Continue BRIEF
VAN
FEDRE
AEN
HIPPOLYTUS,
EN
HIPPOLYTUS
ANTWOORD AEN
FEDRE,
Uit het Latyn van Ovidius en Sidronius Hosschius vertaelt door
J. DE HAES.


AEN DEN HEER
DAVID VAN HOOGSTRATEN,
der Medicynen Doktor.

HOOGSTRATEN, die in Nederlant,
De kroon der eedle dichtkunst spant,
En leeft in Roomsche en Duitsche zangen,
Daer elk verslingert aen blyft hangen;
(5) Die my oneindigh houdt verplicht;
’t Mishage u niet, dat myn gedicht
U nadren kome op zwakke voeten,
En aen den Amstelstroom begroeten;
Dat ik den luister van uw’ naem,
(10) Die eeuwigh werk geeft aen de Faem,
En eeuwigh werk zal blyven geven,
Zoo lang rechtschape kenners leven,
Ontleene om eenen nieuwen glans
Te schenken aen myn’ lauwerkrans.
(15) O neen, dit zal u niet mishagen.
Uw vrientschap, my steets toegedragen,
Zal licht door haer gewone gunst
’t Gebrek vervullen van myn kunst.
Ik durf my op die hoop betrouwen,
(20) En op dien gront te vaster bouwen,
Dewyl myn zangnimf op uw raên
Bestondt dit werk eerst aen te slaen,
Om Hosschius en Nazoos schreden
In ’t Neêrduitsch rustigh na te treden:
(25) Daer Fedre hare dolle min
Tot haren stiefzoon, kuisch van zin,
Laet door den mont van Nazo hooren.
Maer d’Amazoner stopt zyne ooren.
Zyn strengheit blyft dien fellen gloet
(30) Weêrstaen, gelyk een rots den vloet,
Die passende op geene onweêrvlagen
Vergeefs van ’t zeenat wordt gelagen.
Hy gaet haer vleiende gebeên
Te keer met pit van wyze reên,
(35) Die Hosschius hem leerde spreken:
Wiens pen met gansche honighbeken
Van wysheit dit papiere velt
Besproeit voor dezen kuischen helt.
De luister van die groote namen,
(40) Die Latium zich noit kon schamen
Te vyzelen in top van lof,
Vergoede ook met ryke stof,
’t Geen my aen maght en kunst mag falen,
Die hun Latyn niet op kan halen.
(45) Indien u echter op dees blaên
Gelieve een gunstigh oog te slaen,
O wellust van de Zanggodinnen,
Die u om uw vernuft beminnen;
Indien myn zang, geleerde vrient,
(50) Den minsten lof by u verdient,
Dan wensche ik om geen grooter voordeel,
Die nimmer gunst by ’t weiflend oordeel
Zocht te bejagen van ’t gemeen,
Dat naer zyn losse zinlykheên
(55) Gewoon is alles te waerderen,
En meest die ’t minst verdient wil eeren.
Dan treedt myn nederigh gedicht
Vrymoedig in het helder licht.
Dan heeft myn zangnimf op het bassen
(60) Van dolle honden niet te passen,
Door ’t schilt van uwen naem bevrydt
Voor ’t woeden van de bitse Nyt.

                    J. DE HAES.



FEDRE
AEN
HIPPOLYTUS,
Het Latyn van Ovidius nagevolgt.

De Kreetsche Fedre wenscht den Amazoonschen helt,
In wien alleen zy al haer heil en welvaert stelt,
Geluk en heil. Doorlees, het geen ik heb geschreven.
Hoe kan het lezen van een’ brief u hinder geven,
(5) Die mooglyk iets behelst, dat u behagen zal?
Het stom papier uit ons gedachten overal,
En voert die door de zeen en afgeleven landen.
Een vyant slaet zelfs ’t ook op ’t schrift van ’s vyants handen.
Ik poogde drywerf u te spreken, en ’t geluit
(10) Werdt drywerf met de spraek in mynen mont gestuit.
Men moet, daer ’t onze maght en voeglykheit gehengen,
Alzins de schaemte met de liefde zamenmengen.
’k Heb op ’t bevel der Min aen dit papier betrout,
Het geen myn tong, door schaemt belet, u niet ontvout.
(15) ’t Heeft veel gevaers in te versmaden die geboden.
Kupido heerscht en heeft zelfs maght op d’Oppergoden.
Hy zeide my, wanneer ik nogh in twyffel hing
Van schryven; Fedre, schryf, gy zult dien jongeling,
Zoo fors van zinnen, wel vermurwen en beheeren.
(20) Hoe wensche ik ook, gelyk zyn vlammen my verteren,
Die hy in ’t ingewant en mer ontsteekt en voedt,
Dat hy uw harte blaek’ met eenen minnegloet!
’k Verbreek geenszins door snoot bedryf de huwlykswetten.
Myn naem, verneem het vry, is zuiver, zonder smetten.
(25) De Min komt wisser, hoe zy langer heeft verbeidt.
My brandt, my blaekt een vuur, door al myn bloet verspreit,
Dat daeglyx aengroeit in myn borst. Gelyk de jukken
Den onbedreven os in ’t ploegen zwaerder drukken,
En ’t jeugdigh ros den toom, of breidel naeulyx lydt:
(30) Zoo wordt een ruw gemoet bezwarelyk gevlyt
En naeulyx onder ’t juk van ’t allereerste minnen.
En deze last valt hardt voor myne teere zinnen,
Het minnejuk valt licht, als onze jongkheit bloeit,
Maer zwaerder valt het, als de jaren zyn gegroeit.
(35) Gy zult het bloempje van myne eer, dat ik wou sparen,
Genieten, en de schult zal u en my bezwaren.
’t Is zeker iet het ooft te plukken, dat het wast
Aen volle takken, die zich buigen voor dien last,
En rozen, die eerst versche ontloken door haer kleuren
(40) Den hof versieren en vervullen door haer geuren.
Dog moest myne eerlykheit dan eenmael zyn bekladt,
Die ik zoo zuiver tot dees’ dagh gehouden had:
Hoe goet is ’t, dat een vuur, zoo waerdigh, my komt blaken!
Geen overspeler zal dees misdaet snooder maken.
(45) Zoo Juno ny haer’ man en broeder overgaf,
Ik stond om Hippolyt haer’ man en broeder af.
Thans kan een andre wys van leven my behagen.
’k Gevoel een sterke drift op ’t wilt gediert te jagen.
Thans is ook Delia myne opperste Godin,
(50) Die praelt met haren boog; zoo volge ik uwen zin.
Nu ga ik in het bosch om ’t hart in myne netten
Te vangen, en den hont op heuvels aen te zetten,
Of met een’ schicht de borst te treffen van een das,
Of moede en afgemat te rusten in het gras.
(55) Het lust my dikwyls door het rookend stof te rennen
En met den breidel zelf het snelle ros te mennen.
’k Word nu vervoert, als een papin, van Bacchus geest
Bezeten, en als op Cybeles* hoog feest
By Idaes steilen top de dolle priesterinnen,
(60) Of die van Boschgoôn zyn bereên en Boomgodinnen.
Dit alles wort my van ’t gezin terstont vertelt,
Wanneer myn zinnen van die dolheit zyn herstelt.
De vlam der liefde blyft myn hart en krachten slyten.
Dees min is ’t nootlot van ’t geslacht misschien te wyten,
(65) En Venus eischt haer recht dus van den ganschen stam.
Europe, daer de stam zyn’ oirsprong eerst uit nam,
Werdt van Jupyn gemint, toen zich die Godt verkeerde
In eenen stier, en dus verkreeg, dat hy begeerde.
Pasifaë bedreef haer schennis met een’ stier,
(70) Die zy aen ’t licht braght met naer vrucht, een heiloos die.
D’ontrouwe Theseus heeft door zusters hulp de paden
Des Labyrints ontvlught langs ’t spoor van hare draden.
Ik ben de laetste nu, die dezen draeiboom sluit,
Op dat men my ook houde en kenn’ voor Minos spruit.
(75) Dit’s ook nootlottigh, dat een huis twee zusters griefde,
D’een treft de zoon in ’t hart, en d’andre ’s vaders liefde,
Die beide zyn verlokt door hunne aenvalligheên.
Saticht zamen nu op ’t huis van Minos twee trofeen.
Hoe wensche ik, dat ik noit myn Krete had verlaten,
(80) Toen ’t feest van Ceres wierdt geviert in Theseus straten!
Toen hebt ge (en ook voorheen) in my de felsten gloet
Ontvont, die sint dien tyt bleef blaken in ’t gemoet.
Uw kleet was wit, en ’t hair getoit met frisse rozen.
Men zag van eerbre schaemte uw blanke wangen blozen,
(85) En ’t wezen, straf en wreet van anderen genoemt,
Scheen Fedre mannelyk voor straf, en waert geroemt.
’k Misprys een’ jongling, die zich siert, als wulpsche vrouwen.
Der mannen schoonheit moet de maet in ’t sieren houwen.
U voegt die strengheit, u die lokken zonder wet,
(90) En ’t aenschyn wordt door ’t stof zelfs luister bygezet.
Het zy ge een paert beschrydt aen ’t hooft van uwen adel,
Gy schynt naturelyk gewassen uit den zadel.
Het zy uw krachtige arm een speer werpe of een’ schicht,
De kracht van uwen arm trekt daetlyk myn gezicht.
(95) ’t Zy ik een’ jachtspriet in de handen u zie dragen.
Al wat Hippolytus bedryft, kan my behagen.
Leg maer de strafheit af in ’t bosch van uwen aert,
Ik ben een voorwerp uw barmhartigheid wel waert.
Wat baet ons ’t jagen en Dianes lastigh leven,
(100) Indien we aen Cythere ook niet het hare geven?
Geen ding is duurzaem, dat zich niet verpoost of rust.
De rust geeft onze lêen weêr nieuwe kracht en lust.
Spant gy den boog te veel, slap wordt hy van al ’t rekken
Dianes wapentuig moet u een voorbeelt strekken.
(105) In ’t bosch was Cefalus vermaert, en van zyn hant
Is meenigh wilt gediert gesneuvelt in het zant.
Hy liet zich echter van de blonde Auroor beminnen,
Om wien zy ’s gryzaerts min verachtte wys van zinnen.
Adoon heeft meenighwerf met Venus aen den stroom
(110) Gelegen in het gras en schaduw van een’ boom.
D’Arkadische
Atalant heeft Eneus zoon ontsteken,
En tot een liefdepant den buit van ’t zwyn gestreken.
Ik wensche ons ook eerlang by dezen hoop getelt.
In ’t bosch is ’t leven boersch, van Venus onverzelt.
(115) Ik zal uw gezellin zelf wezen, en niet schrikken
Voor rots, of everzwyn met blixemende blikken.
Twee plassen schuren met hun vloên langs Isthmos heen.
Men hoort in deze streek ’t geruisch van beide zeen.
Hier zal ik te Trezeen met u myn levensdagen
(120) Verslyten, dat my nu voor Krete kan behagen.
Lang was helt Theseus uit, en keert niet weêr in ’t kort,
Terwyl hy van zyn’ vrient thans opgehouden wordt.
Pirithoüs (ten zy men wilde tegenspreken,
’t Geen klaerder dan de zon aen yder is gebleken)
(125) Legt Theseus boven Fedre en Hippolyt aen ’t hart.
Dit ’s ’t eenigh leet niet, dat ons toegedreven werdt.
Wy zyn beledigt nogh, wy beide in grooter dingen.
Hy quam met zyne knods myn’ broeder ook bespringen
En braght hem om. hy liet myn zuster in gevaer
(130) Den dieren tot een’ roof in bosschen dootsch en naer.
De moedighste heldin der Amazonen baerde
U uit haer’ schoot, waer van de zoon geenszins ontaerdde.
En vraegt gy, waer zy is? zy is door Theseus hant
Verdelgt, niet veiligh zelfs door zulk een dierbaer pant:
(135) En die hy ook niet met zyn trou heeft willen eeren,
Op dat gy ’s vaders ryk, als bastert, zoudt ontbeeren.
Gy kreegt ook broeders uit myn’ echt van ’s vaders bloet,
Die echter niet van my, maer hem, zyn opgevoedt.
O schoonste jongeling, och waren deze kinderen
(140) Gesmoort in ’t baren, om uw kroonrecht niet te hinderen!
Ga heen, en eer dan ’t bedt uws vaders met ontzag,
Wien hy verlaet en niet erkent door zyn gedrag.
Laet ydle namen u geen’ schrik in ’t harte baren,
Om dat een stiefmoêr met haer’ stiefzoon zou vergaren.
(145) Die godtsvrucht is wel in Saturnus tyt betracht,
Toen niemant beter wist: nu is zy zonder kracht.
Jupyn acht alles goet, wat ons vermaek kan geven.
Hy acht in ’t trouwen met zyn zuster niets misdreven.
Hy legt dien bloetbant vast door banden van de min,
(150) Die zelfs geknoopt zyn van d’Idalische Godin.
Men kan ook licht de vlam van onze min verbergen.
Gy hebt die gunst alleen van Venus af te vergen.
Het is geen werk die schult te dekken met het kleet
Van bloetverwanschap. En schoon dit al iemant weet
(155) En onze omhelzing ziet, men zal ons beide roemen
En van myn’ stiefzoon my een trouwe stiefmoêr noemen.
Gy hoeft ter sluik niet in de sluipen by den nacht.
Hier is geen echtgenoot te mompen, noch geen wacht.
Wy zullen wonen in een huis, als nu, te zamen,
(160) En even weinigh hoeft gy ’t kussen u te schamen.
Gy zyt hier zeker en in veiligheit by my.
En schoon men zal u in myn bedt aen myne zy;
Gy zoudt door deze schult zelfs lof en eer behalen.
Wat moogt ge u langer dan bedenken, langer dralen?
(165) Ei sluit, myn Hippolyt, dien langgewenschten bant.
Zoo toon’ de Liefde u gunst, die my nu heftigh brandt.
Ik acht het my geen schande ootmoedigh u te smeken.
Waer legt nu ’t hooge hart en dat hoogmoedigh spreken?
’k Heb reeds* langen tyt getracht dien minnegloet
(170) Te dooven, en van smet te vryen myn gemoet.
Maer al vergeefs. de Min hoort naer geen’ raet of reden.
Ik nadere u, geheel verwonnen, met myn beden.
Ik kniel, schoon een Vorstin, ootmoedigh voor u neêr.
Een minnend hart is blint, en past niet op zyne eer.
(175) Ik heb geen schaemte meer; die is geheel verloren.
Buit uw onbuigzaem hart, en leen my gunstige ooren.
Wat baet my ’s vaders maght en groote heerschappy?
Of dat de Dondergodt myn overgrootvaêr zy?
Of dat myn grootvaêr wordt op zyn’ robynen wagen
(180) Door snelle paerden al den aerdkloot omgedragen?
Het adelyke bloet moet zwichten voor de maght
Der Liefde. uw hart erbarm’ zich over myn geslacht.
En wilt ge tegen my u niet genadigh toonen,
Zoo wil ten minste dan de myne toch verschoonen.
(185) Krete is myn huwlyksgoet, de wieg van ’t hooft der Goôn,
Het gansche ryk passe op myn Hippolyts geboôn.
Laet uwe strafheit myn geluk niet meer beletten.
Myn moeder kon voorheen zelfs eenen stier verzetten.
En blyft gy wreeder, dan een stier, van aert zoo wreet?
(190) ’k Bidde om Venus, die myn zyde altoos bekleedt,
Verleen my eenmael uit medogen toch genade.
Zoo wensche ik, dat gy noit bemint, die u versmade.
Zoo wensche ik, dat Diane u in haer hoede houd’.
Zoo treft gy dagelyx veel dieren in het wout.
(195) Zoo blyft gy in de gunst der Bosch- en Berreggoden.
Zoo moet by ’t wilde zwyn met uwe werpspiets dooden.
Zoo lave een Brongodin uw keel, van dorst versmacht;
Hoe wel men zegt, dat gy den maegdenrei veracht.
’k Voeg hier ook tranen by, die vloeien uit myne oogen,
(200) Door heete min geblaekt, door zucht tot u bewogen.
Lees mynen brief, die strekt een blyk van myn verdriet,
En laet u voorstaen, dat gy myne tranen ziet.



Tekst volgens P. Ovidius Naso: Epistularum Heroidum Liber.
Editie D. Heinsius, Leiden (Elzevier) 1629:
Gebruikt exemplaar: KBH 235 E 16.

IN IV. EPISTOLAM ARGUMENTUM.

Theseus Aegei filius, interempto Minotauro, Ariadnen Minois & Pasiphaës filiam, quam ob opem sibi praestitam, uxorem accepturam promiserat, simul cum Phaedra ejus sorore navi imposita, secum abduxit. Verum Bacchi admonitione in Naxo, sive, ut alii volunt, in Chio insula, Ariadne relicta, Phaedram duxit. quae deinde absente Theseo in Hippolyti privigni, quem ex Hippolyte Amazone acceperat, amorem exarsit. Qui cum coelibem ducens vitam, sese venando exerceret, nec posset uti illius colloquio, hac epistola amorem suum indicavit. in qua illum callidis suasionibus ad sui amorem flectere conatur. Et cum turpe sit, privignum à noverca de stupro interpellari; principium ex insinuatione sumpsit, in hunc modum:

PHAEDRA HIPPOLYTO.

QUa nisi tu dederis, caritura est ipsa, salutem
    Mittit Amazonio Cressa puella viro.
Perlege quodcunque est. quid epistola lecta nocebit?
    Te quoque, in hac aliquid, quod juvet, esse potest.
(5) His arcana notis terra pelagoque feruntur:
    Inspicit acceptas hostis ab hoste notas.
Ter tecum conata loqui. ter inutilis haesit
    Lingua: ter in primo destitit ore sonus.
Qua licet & sequitur, pudor est miscendus amori.
    (10) Dicere quae puduit, scribere jussit amor.
Quidquid amor jussit, non est contemnere tutum;
    Regnat, & in dominos jus habet ille deos.
Ille mihi primo dubitanti scribere, dixit,
    Scribe: dabit victas ferreus ille manus.
(15) Adsit: & ut nostras avido fovet igne medullas,
    Figat sic animos in mea vota tuos.
Non ego nequitia socialia foedera rumpam.
    Fama (velim quaeras) crimine nostra vacat.
Venit amor gravius, quo serius. urimur intus:
    (20) Urimur: & caecum pectora vulnus habent.
Scilicet ut teneros laedunt juga prima iuvencos,
    Fraenaque vix patitur de grege captus equus:
Sic male, vixque subit primos rude pectus amores:
    Sarcinaque haec animo non sedet apta meo.
(25) Ars fit, ubi à teneris crimen condiscitur annis.
    Quae venit exacto tempore, peius amat.
Tu nova servatae carpes libamina famae,
    Et pariter nostrum fiet uterque nocens.
Est aliquid plenis pomaria carpere ramis,
    (30) Et tenui primam deligere ungue rosam.
Sed tamen ille prior, quo me sine crimine gessi,
    Candor ab insolita labe notandus erat.
At bene successit, digno quod adurimur igne:
    Peius adulterio turpis adulter obest.
(35) Si mihi concedat Iuno fratremque virumque,
    Hippolytum videor praepositura Iovi.
Iam quoque (vix credes) ignotas mittor in artes:
    Est mihi per saevas impetus ire feras.
Iam mihi prima dea est arcu praesignis adunco
    (40) Delia. judicium subsequar ipsa tuum.
In nemus ire libet: pressisque in retia cervis
    Hortari celeres per juga summa canes.
Aut tremulum excusso jaculum vibrare lacerto,
    Aut in graminea ponere corpus humo.
(45) Saepe iuvat versare leves in pulvere currus,
    Torquentem fraenis ora fugacis equi.
Nunc feror, ut Bacchi furiis Eleleides actae:
    Quaeque sub Idaeo tympana colle movent.
Aut quas semideae Dryades, Faunique bicornes,
    (50) Numine contactas attonuere suo.
Namque mihi referunt, cum se furor ille remisit,
    Omnia. me tacitam conscius urit amor.
Forsitan hunc fato generis reddamus amorem:
    Et Venus ex tota gente tributa petit.
(55) Iupiter Europam (prima est ea gentis origo)
    Dilexit, tauro dissimulante Deum.
Pasiphaë mater decepto subdita tauro
    Enixa est utero crimen, onusque suuum.
Perfidus Aegides, ducentia fila secutus
    (60) Curva meae fugit tecta sororis ope.
En ego nunc, ne forte parum Minoia credar,
    In socias leges ultima gentis eo.
Hoc quoque fatale est: placuit domus una duabus:
    Me tua forma capit: capta parente soror.
(65) Thesides, Theseusque, duas rapuere sorores.
    Ponite de nostra bina trophaea domo.
Tempore quo nobis inita est Cerealis Eleusis,
    Gnosia me vellem detinuisset humus.
Tunc mihi praecipue (nec non tamen ante placebas)
    (70) Acer in extremis ossibus haesit amor.
Candida vestis erat, praecincti flore capilli:
    Flava verecundus tinxerat ora rubor.
Quemque vocant aliae vultum rigidumque trucemque,
    Pro rigido Phaedra iudice fortis erat.
(75) Sint procul a nobis iuvenes ut femina compti.
    Fine coli modico forma virilis amat.
Te tuus iste rigor positique sine arte capilli,
    Et levis egregio pulvis in ore decet.
Sive ferocis equi luctantia colla retorques;
    (80) Exiguo flexos miror in orbe pedes.
Seu lentum valido torques hastile lacerto;
    Ora ferox in se versa lacertus habet.
Sive tenes lato venabula cornea ferro.
    Denique nostra iuvat lumina, quidquid agas.
(85) Tu modo duritiam silvis depone jugosis:
    Non sum militia digna perire tua.
Quid iuvat incinctae studia exercere Dianae?
    Et Veneri numeros eripuisse suos?
Quod caret alterna requie, durabile non est.
    (90) Haec reparat vires, fessaque membra levat.
Arcus, & arma tuae tibi sunt imitanda Dianae.
    Si numquam cesses tendere, mollis erit.
Clarus erat Cephalus silvis: multaeque per herbas
    Conciderant, illo percutiente, ferae.
(95) Nec tamen Aurorae male se praebebat amandum.
    Ibat ad hunc sapiens a sene diva viro.
Saepe sub ilicibus Venerem, Cinyraque creatum,
    Sustinuit, positos quaelibet herba duos.
Arsit & Oenides in Menalia Atalanta:
    (100) Illa ferae spolium pignus amoris habet.
Nos quoque jam primum turba numeremur in ista.
    Si Venerem tollas, rustica silva tua est.
Ipsa comes veniam: nec me latebrosa movebunt
    Saxa, nec obliquo dente timendus aper.
(105) Aequora bina suis oppugnant fluctibus Isthmon:
    Et tenuis tellus audit utrumque mare.
Hic tecum Troezena colam, Pitthe•a regna.
    (Iam nunc & patria carior illa mea est.)
Tempore abest, aberitque diu Neptunius heros.
    (110) Illum Pirithoi detinet ora sui.
Praeposuit Theseus (nisi si manifesta negamus)
    Pirithoum Phaedrae, Pirithoumque tibi.
Nec sola haec ad nos injuria venit ab illo.
    In magnis laesi rebus uterque sumus.
(115) Ossa mei fratris, clava perfracta trinodi
    Sparsit humi. soror est praeda relicta feris.
Prima securigeras inter virtute puellas
    Te peperit, nati digna vigore parens.
Si quaeras, ubi sit? Theseus latus ense peregit:
    (120) Nec mater tanto pignore tuta fuit.
At nec nupta quidem, taedaque accepta jugali.
    Cur? nisi ne caperes regna paterna nothus?
Addidit & fratres ex me tibi, quos tamen omnes
    Non ego tollendi causa, sed ille fuit.
(125) O utinam nocitura tibi, pulcherrime rerum,
    In medio nixu viscera rupta forent!
I nunc, & meriti lectum reverere parentis:
    Quem fugit, & factis abdicat ille suis.
Nec, quia privigno videar coitura noverca,
    (130) Terruerint animos nomina vana tuos.
Ista vetus pietas, aevo moritura futuro,
    Rustica, Saturno, regna tenente, fuit.
Jupiter esse pium statuit quodcumque juvaret:
    Et fas omne facit fratre marita soror.
(135) Illa coit firma generis junctura catena,
    Inposuit nodos cui Venus ipsa suos.
Nec labor est celare. licet: pete munus ab illa,
    Cognato poterit nomine culpa tegi.
Viderit amplexos aliquis, laudabimur ambo.
    (140) Dicar privigno fida noverca meo.
Non tibi per tenebras duri reseranda mariti
    Ianua, non custos decipiendus erit:
Ut tenuit domus una duos, domus una tenebit.
    Oscula aperta dabas, oscula aperta dabis.
(145) Tutus eris mecum laudemque merebere culpa,
    Tu licet in lecto conspiciare meo.
Tolle moras tantum properataque foedera junge.
    Qui mihi nunc saevit, sic tibi parcat amor.
Non ego dedignor supplex, humilisque precari.
    (150) Heu! ubi nunc fastus, altaque verba jacent?
Et pugnare diu, nec me submittere culpae
    Certa fui. certi si quid haberet amor.
Victa precor, genibusque tuis regalia tendo
    Bracchia. quid deceat, non videt ullus amans.
(155) Depudui, profugusque pudor sua signa reliquit.
    Da veniam fasse, duraque corda doma.
Quod mihi sit genitor, qui possidet aequora, Minos:
    Quod veniant proavi fulmina torta manu:
Quod sit avus radiis frontem vallatus acutis,
    (160) Purpureo tepidum qui movet axe diem:
Nobilitas sub amore iacet: miserere priorum:
    Et mihi si non vis parcere, parce meis.
Est mihi dotalis tellus Iovis insula Crete:
    Serviat Hippolyto regia tota meo.
(165) Flecte feros animos: potuit corrumpere taurum
    Mater. eris tauro saevior ipse truci?
Per Venerem parcas oro, quae plurima mecum est:
    Sic numquam, quae te spernere possit, ames.
Sic tibi secretis agilis dea saltibus adsit,
    (170) Silvaque perdendas praebeat alta feras:
Sic faveant Satyri, montanaque numina Panes:
    Sic cadat adversa cuspide fossus aper.
Sic tibi dent Nymphae (quamvis odisse puellas
    Diceris) arentem quae levet unda sitim.
(175) Addimus his precibus lacrimas quoque: verba precantis
    Perlegis, & lacrimas finge videre meas.


HIPPOLYTUS
      AEN
    FEDRE.

Het Latyn van Sidronius Hosschius nagevolgt.

’k Heb lang gegist, maer ’t viel my duister om te raden,
Hoe gy zoo meenighwerf, met pyn noch smart beladen,
Verzuchtte, en telkens ’t oog gevestigt hieldt op my.
Ik wist geen redenen van die liefkozery,
(5) Die daeglyx uit was om myne ooren te belezen,
Noch van die tekenen, zoo dikwyls in uw wezen
Bespeurt, dat nu verbleekt, en dan weêr root als bloet,
Den staet wou uiten, als gy zweegt, van uw gemoet.
Maer nu is ’t doelwit my bekent van uw verlangen.
(10) Gy spande strikken om myn kuische ziel te vangen.
Die worden nu ontdekt met uwen geilen brant
Door dien vervloekten brief van uw vervloekte hant.
Hoe groot uw liefde ook is, hoe fel zy ook mag blaken,
Nogh kunt gy uwen aert van stiefmoêr niet verzaken.
(15) Gy houdt dien zelven aert, gy houdt dat zelve hart,
Die zelve zucht om my te dompelen in smart.
Laet andre stiefmoêrs gift en spog van draken mengen,
En hare stiefzoons dus om hals en leven brengen;
Gy, dat nogh arger is, beledigt my door min.
(20) Leest gy myn’ brief ten einde? of wordt gy door ’t begin
Getroffen, dat uw hoop, en wat ge u dorst beloven,
Door d’eerste woorden te gelyk u schynt t’ontrooven?
Doorlees hem; maer ik vrees, dat myne pen de maght
Ontbreekt, om, als ’t behoort, den zin en volle kracht
(25) Van myn gedachten in den klaren dagh te zetten.
Ik zou geenszins my met dit antwoort ook verletten,
Maer ’k ben beducht, gelyk, o Fedre, toch uw hooft
Geen harssens heeft en dus van reden is berooft,
Dat gy zoudt zeggen: de verwinning is verkregen,
(30) De zege is ons, hy heeft op mynen brief gezwegen.
Gy vergt my schaemteloos, dat ik aen uw gebeên,
Zoo godtvergeten, myn goetgunstige ooren leen’.
Ik las dit naeuwelyx, of moest my strax beklagen,
Dat dit de Goden en Jupyn zelfs nogh verdragen,
(35) Die zich nu schaemt, indien hy ’t anders is, te zyn
Uw overgrootvaêr. Hoe, dus borst ik uit, Jupyn,
Hoe kunt gy langer en zoo koel uit ’s hemels bogen
De schandvlek aenzien van uw’ stam met lytzame oogen?
Wie zal u eeren, als den Dondergodt, voortaen?
(40) O vader, straf, ei straf dit gruwelyk bestaen.
O hemelvoogt, wat moogt gy met uw’ donder dralen?
Wat spilt uw rechte vuist de felle blixemstralen,
En smyt de kruin in van ’t Ceraunische gebergt
En Athos, dat de lucht in hoogte heeft getergt,
(45) Maer noit uw gramschap, noch de kracht van uwen donder?
Apol, beschout gy dit, en haelt gy ’t hooft niet onder?
Blus uwe fakkel uit en vlied in duisternis,
Gelyk voorhene voor Thyestes gruweldisch.
Wendt gy de paerden niet van uwen gouden wagen,
(50) Waer op gy door ’t gewelf des hemels wordt gedragen?
Of dekt geen wolk ten minste uw albestralend licht,
Om dezen gruwel niet t’aenschouwen van uw nicht?
Als ik u dus den haet der Goden en hun’ toren
Hebbe op den hals gevloekt (och! leendenze eens hunne ooren
(55) Aen myn gerechte beê!) dan schynt my myne klaght
Voor uw verdiensten veel te kleen en veel te zacht.
Zoo myde ik dan hierom het hofgewoel en steden
En ’t vrouwentimmer: ’k leg hierom door kuische zeden
De kuische Jachtgodin zoo na aen ’t hart, en slyt
(60) Dus eenzaem in het bosch myn’ jongen levenstyt,
Op dat gy door de list van uwe helsche lagen
Den buit en glori van myn kuischeit wegh zou dragen?
Gaf ik u immer stof tot zulk een gruwelfeit?
Is dat verdiende loon myn deugden toebereit?
(65) Is dat het loon, dat myn gestrengheit zal ontfangen?
Met recht bleef uwe tong vast aen ’t gehemelt hangen.
Met recht verloor uw tong de spraeck en het geluit,
Eer zy dien gruwel en die schennis hadt geüit.
Ontviel de pen van schrik uw vingren niet in ’t schryven?
(70) Zaegt gy uw handen niet in ’t godtloos werk verstyven?
Zoo gy uw kleur behieldt zoo schaemteloos en stout,
Terwyl gy aen ’t papier de dingen hebt betrout,
Dan heeft het wit papier gewis, als overgoten
Van schaemte, root gebloost en zyne verf verschoten.
(75) Wat klage ik, dat by u geen schaemte wederkeert,
Daer d’allerquaetste zaek u zelfs ’t welspreken leert?
Een gy geeft voor, dat zulk een lasterstuk, naer ’t voorbeelt
Des hemelkonings, by de Goôn blyft onveroordeelt.
Dat is de looze gryns, die ’t schelmstuk eigen is.
(80) De schelmery blanket zich met een schynvernis
Van deugt en eerlykheit, om hare vuile vlekken
Voor ’t oog der weerelt met dien mantel te bedekken.
De Min, dus gaet gy voort, de Godtheit zelf der Goôn,
Die over ’t Godendom gebiedt, heeft u geboôn
(85) Te schryven tegen wil en dank door zyn vermogen.
Gy brengt verziersels voor den dagh en loutre logen.
Kupido zelf ontkent, dat zyne vlam u blaekt,
En uwe borst oit van zyn pylen is geraekt.
Een der drie zustren, een der helsche Razernyen,
(90) Verwaten moeders van vervloekte schelmeryen,
Zet uwe driften aen, ontsteekt en voedt dien brandt
Met hare vloektorts in uw merg en ingewant.
Zy sloeg u met die torts en haer gezwolle slangen
In ’t aengezicht, waer van ’t venyn u aen bleef hangen.
(95) Ook heeft de dartle Min dat recht van heerschen niet
(Wat smeên uw harssenen een ingebeelt gebiet!)
Op ’t Godendom. Het hart der Goôn is rein, hun zeden
Zyn kuisch en zonder smet, den hemel waert met reden,
En d’uwen zoo gelyk, als ’t middaghlicht den nacht.
(100) De dartle wellust heeft eerst Goden uitgedacht
Tot voorbeelt in de zonde, om zich den toom te vieren
En snoode stukken met een’ schoonen naem te sieren.
Maer Theseus zin legt op Pirithous, en schat
Hem boven u en my. waerom gelooft gy dat?
(105) Men mag dan nimmer zich gemeenzaem laten vinden
In ’t huis en aen den disch van zyne goede vrinden,
Of ’t krygt terstont den naem, dat men de zyne haet,
En dat de vrientschap van een’ vreemden bovenstaet.
’t Geen gy, uitzinnige, bestraffen wilt en doemen,
(110) Zoudt gy in uw’ gemael, als pryzens waerdigh, roemen,
Indien uw hooft en brein niet krank was en ontstelt.
De trouwe vrientschap van myn’ vader en dien helt
Zal eeuwigh op de tong van alle volken zweven,
Om elk een voorbeelt van oprechte trou te geven.
(115) Begeert gy d’eigenschap te weten van de min?
Een razerny, die ons berooft van ziel en zin
En ons verstant, ’t welk dan als sporeloos gaet dwalen.
Die zaek blykt klaerder door uw voorbeelt, dan de stralen
En ’t licht der middaghzonne op eenen heldren dagh.
(120) Wat is de reden toch, die u bewegen mag
Tot klagen, dat de knods myns vaders uwen broeder
Heeft neêrgevelt? Die knods nam van uw huis en moeder
Die vuile schandvlek wegh. Hadt zyne mannenkracht
Dit niet volvoert, hy waer van hem om hals gebraght.
(125) Wat sterflyk mensch zou zich, als Theseus, niet gedragen?
Zoo kan geen vyant van zyn’ vyant zich beklagen.
Elk gaet zyn welvaert in gevaren aen het hart.
En vrou Natuur leert zelve een’ anderen in smart
Te dompelen, ja ook den dootsteek hem te geven,
(130) Op dat wy niet om hals zelfs raken en om ’t leven.
Hoewel uw zuster, is hier anders iets misdaen,
Dit is te wyten; die alleen heeft schult begaen.
Hy heeft de zege door haer hulp en raet verworven.
De dartle wellust heeft uw zinnen gansch bedorven.
(135) Gy lastert al wat goet en waerdigh is geroemt,
En pryst wat godtloos is en dat een ieder doemt.
Gy wilt zelfs d’ondeugt met een’ glimp van deugt blanketten.
En in uw oordeel is de deugt niet vry van smetten.
Oprechte vrientschap is by u een misbedryf,
(140) En ’t is een misdaet zorg te dragen voor zyn lyf,
En zulk een liefde, daer de reden van moet yzen,
Een loffelyke zaek, om ieder aen te pryzen.
Maer ’t leet, my toegebraght eischt wraek, dus vaert gy voort,
Van moeders doot: die is door Theseus zwaert vermoort.
(145) Dit zy zoo. schoon dit zwaert, dat moeder nam het leven,
Een zelve leet aen haer en my heb’ toegedreven;
Wat schelmstuk heeft hy oit begaen, dat Fedre raekt?
Niet anders, dan dat hy in uwe liefde blaekt.
Hoe waerdigh waert gy ook door Theseus hant te sterven?
(150) En zulk een doot, volgt loon uw werk, zult gy verwerven.
Myn moeder verfde ’t zwaert met haer onschuldigh bloet,
Maer door geen eene doot wierdt uwe straf geboet.
De wraek is snooder, daer gy my toe wilt bewegen,
Dan Theseus misbedryf, toen moeder wierdt doorregen.
(155) Wy zullen dan, ja wy, bloetschenders zoo besmet,
Ik de schoffeerder van myn vaders huwlyksbedt,
En gy de snootste boel, die d’aerde oit heeft betreden,
Hare onbesmette schim verzoenen en bevreden.
Indien de schimmen en myn moeder hier beneên
(160) Nu nogh gevoeligh zyn van leet en zwarigheên,
Wat zou haer in haer rust toch arger kunnen plagen?
Ik u beminnen, gy aen myn gemoet behagen,
Die my onteert, terwyl gy Theseus feilen meldt?
Die raken Hippolyt zoo wel, als dezen helt.
(165) Der oudren quade naem kan kinders ook bevlekken.
Dees’ zal zyn vader, dien zyn grootvaêr oneer strekken.
Zoo moet om Tantalus een Pelops schaemroot staen,
En Atreus oneer kleeft een’ Menelaus aen,
En Belus nichten staen met rootgeverfde wangen
(170) Om ’s vaders schande, die haer eeuwigh aen blyft hangen.
U heeft Pasifaë en uw geheel geslacht
Eene onuitwisbre smet voor altoos toegebraght.
Gy moogt myn’ vader hoog belasten en betichten;
Maer wat gy tot zyn schult by een haelt, moet toch zwichten
(175) Voor ’t geen gy wenscht om my, en om ’t genot van my.
Ook brenge ik kleenen troost van moeders sterflot by.
Sint ik in eeuwigheit myn moeder heb verloren,
Behoeve ik langer naer geen vrouwen meer te hooren.
Nu lust het my den toom te vieren aen myn’ haet.
(180) Ik haetze nu voortaen en laster ze alle als quaet,
Zelfs u, die ik voorheen geëert heb, als myn moeder
En als de gemalin van Theseus mynen hoeder.
De groote voorzael van het vaderlyke hof
Prykt met uitheemschen roof, tot eeuwige eer en lof
(185) Der helden, die dien prys door dapperheit behaelden.
Hier ziet men stryden op een ry, die schilders maelden,
En veel gedroghten, die door ’t stael gesneuvelt zyn
Van Theseus hant: hier ziet men ’t schriklyk everzwyn.
Hier ziet men ’t volk, dat uit de wolken is geboren,
(190) Den stier en uwen broêr met zyn’ gebroken hooren,
En Sciron, Sinis, en Prokrustes afgestreên,
Met Cercyon, en hoe de helsche poort beneên
Werdt opgebonst. Myn hart begon van schrik te beven,
Zoo meenighmael ik dit verbeeldt zag naer het leven.
(195) Maer had ik u beschout op dit panneel, myn hart
Bezweek het meest om u, die al dees monsters tart.
Gy zoudt den grootsten schrik my baren, en met reden.
Wie hoorde ook immer van zoo groote dolligheden?
Wie hoorde ook oit van zulk een lasterlyke daet?
(200) Een grooter gruwel is die liefde dan de haet.
Om welke reden dit te meer my moest verzetten,
Dat gy nogh schryven durft, dat uwe naem geen smetten,
Of geene onzuivre vlek van eereloosheit kent,
Daer gy door dezen brief hem zelf bevlekt en schendt.
(205) Indien hy zuiver is, dan zyt gy dubbel schuldigh,
O zinloos wyf, dat gy hem niet bewaert zorgvuldigh.
Wat stelt gy ’t schoonst juweel, dat gy bezit, ten toon?
De goede naem versiert een’ koning ruim zoo schoon
Als ’t purper. Reken dien voor scepters, diamanten,
(210) Voor kroonen, parelen, en dierbre halskarkanten.
Is die verwaerloost, dan verwelkt de roem en lof
Der vorsten, en wordt strax getreden in het stof.
Dan moet de majesteit hun zelf tot schande strekken.
Ook is uw naem niet, als gy voorgeeft, vry van vlekken.
(215) Al die niet vlytigh waekt, en is bezorgt voor d’eer
Van zynen goeden naem, bezit hem reê niet meer.
Wat aengaet, dat uw hof u minder vreugt kan geven,
Dan myn bosschaedje; ’k zal u hier niet tegenstreven.
De bosschen passen u niet minder ook dan my.
(220) Maer zulke meene ik en een dorre woestiny,
Daer zich uw zuster in onthieldt, toen zy bezweken
Myn vaders kiel en al haer’ troost van lant zag steken:
Waer in men nergens blyk van mensch of woning vindt,
Maer donkre holen, die het ongediert voor wint
(225) En sneeu beschutten en voor felle dondervlagen.
Daer moogt gy ’t lichaem vry gaen oeffenen in ’t jagen.
Zet daer uw honden op de hooge heuvels aen.
Maer dat gy, vuil bevlekt, ook reukloos zoudt bestaen
Met uw’ vervloekten voet ons reine bosch t’onteeren:
(230) Dan moest geen maegt het bosch, dat zy bemint, regeren.
Ook hebt gy geenszins voor, om netten voor een das,
Of hart te spannen, dat altoos myn doelwit was.
Ik zou dat wilt zyn, dat ge in ’t wout met uwe netten
En uwe strikken zoudt belagen en bezetten.
(235) ’k Wensch dan veel liever, dat Akteons ongeval
My treffe, en dat ik zwerve en dwael’ door bosch en dal
Van alle hulp berooft, en van myne eige honden
Vervolgt worde op het spoor en als een hart verslonden.
Myn leven schynt u in de bosschen boersch en ruw,
(240) Om dat ik in myn ziel de wulpsche liefde schuw,
En zonder echtgenoot in eenzaemheit blyf leven.
Gy moogt het vry den naem van uwe boerscheit geven,
Indien ’t maer kuisch en door geen smetten van de stadt,
Van ’t hof, noch Fedra is ontluistert en bekladt,
(245) En my verschaffen kan, daer ’t hart toe is genegen.
’t Is door myne oeffening in glory opgestegen.
Maer ’t wierdt, zoo gy uw’ voet hier zette, strax ontsiert,
En zelfs gelastert en verfoeit van ’t wilt gediert.
Gy vreest, dat ik dit niet kan uitstaen. om wat reden?
(250) Om dat ik nimmer rust vergunne aen myne leden.
Maer gy bedriegt u. ’t Rein geweten is myn rust.
Dit is voor myne ziel altoos de hoogste lust.
Dit is myn metgezel, die my verquikt in ’t dwalen
Op steile rotsen en op bergen en in dalen,
(255) En die myn’ geest verlicht in droefenis en pyn.
Hoe zaligh ben ik, die mag afgezondert zyn,
Van ’t hof en d’ydelheit, die ’t vroomste hart verleiden,
En d’afgunst, doch vooral van Fedra afgescheiden!
Het is genoeg tot rust in schaduw van een’ boom
(260) Op eene groene zoô te sluimren aen den stroom;
Daer my een zoele wint uit bosschen, of valeien,
Of dichte lommer, die de beukebladen spreien,
Den gloet en brant genoeg verkoelt, die my verhit.
Terwyl ons Filomeel, die droef te moede zit
(265) In ’t vaderlyke bosch, wil door haer klaghten leeren,
Hoe groot de gruwel is van bedden te schofferen.
Wat reptge al weêr van rust, die noit van ’t schelmstuk quam,
Waer uit Megere (indien ze’er is) haer’ oirsprong nam?
Dat doet alleen ’t gemoet in felle vlammen gloeien.
(270) Dat dryft de helsche torts in ’t hart om ’t af te schroeien.
Ga, onderzoek gy zelf de dolheit van uw’ zin,
Gy woedt niet anders, dan een dolle wynpapin.
Gy wordt alreê vervoert, als zinloos en bezeten,
Daer gy geen schennis nogh bedreeft, dan in ’t geweten.
(275) Hoe wierdt gy dan vervoert, indien gy met de daet
Ook zelfs gezondigt hadt? Doch Kretes ryke staet
(Met die belofte zoekt uw brief my te belezen)
Zal Fedraes huwlyksgoedt en my ten beste wezen.
Maer och, gy wint door die beloften geenszins velt.
(280) Gy, noch gansch Krete wordt van my zoo hoog gestelt,
Dat ik tot dezen prys de banden zou verbreken
Van zulk een wet, die ik zoo kuisch, zoo heiligh reken.
Belooft gy my een ryk en kroon en heerschappy?
Die hate ik ook als u. Stel evenwel, dat zy,
(285) Schoon ik die waerlyk haet, my niet geheel mishagen.
Hoe zoude ik, dan door ’t bloet myns vaders, die bejagen
En myner broederen? Raedt gy my ook dit aen?
Zoude uwe liefde dit ook reukeloos bestaen?
Och! dan beklage ik u, myn vader, en myn broeder,
(290) Wien Fedre viel te beurte, als gemalin en moeder.
Gy zyt voor ’s vyants wrok, of kryg misschien bevreest,
Maer hoedt u voor de min van Fedre, die u ’t meest
Te duchten staet. Nochtans zyt niet voor my bekommert
Ik ben en blyve altoos in ’t eenzaem bosch beslommert,
(295) Daer ik het wilt gediert belaeg met hont en net.
En deze palen zyn myn staetzucht maer gezet,
Die niets begeert noch wenscht, dan dat geen anders sprieten
Meer zwynen in het wout, dan myne, nederschieten.
My raekt geen ryk. Ik laet hem koning zyn, dien ’t lust
(300) In zorg en angst altoos te leven buiten rust
Met scepters in de hant, die voor dien last moet beven.
Zoo al de Goden my een’ ryksstaf wilden geven,
Ik zou dien weigeren, en bidden, Groote Goôn,
Schenkt aen myn vyanden dien ryksstaf en dien kroon.
(305) Van hoe veel rampen zyn de koninglyke staten
Verzelt, van zorg en angst, die nimmer ’t hof verlaten?
Weet ook, dat Hippolyt geen koningryk ontbeert.
Myn ryk is ’t vroom gemoet, van wellust noit beheert.
Dit kan de liefde en haet regeren zonder schromen.
(310) Dit kan de gramschap en de hoop en vrees betoomen.
Hier leeft men van de nyt der hovelingen vry,
En staetzucht, moeder van vervloekte schelmery,
En al wat scepters maekt afschuwlyk in onze oogen.
En ’t bosch is ook myn ryk. daer heersche ik met vermogen.
(315) ’k Ontfang van dieren, als een volk, hier tol en eer.
Ik gun den volken wel te varen, die hun’ heer
En koning quellen, aen hun zinlykheit gebonden.
’k Hebbe in de dieren zelfs een’ zachter aert gevonden.
Hier woont de Deugt en Schaemte en ’t Recht, ook Hemelliên.
(320) Geen Goden werden in paleizen oit gezien.
Wat haelt ge exempels op, zoo reukeloos van zinnen,
Die ons aenvoeren tot onkuisch en eerloos minnen;
Gy zelf schiet eenen schicht, die u ter neder velt.
Wiens uitgang toch behaegt u best van die gy meldt?
(325) Wat snoot bedryf ook heeft de straf met trage schreden
Oit op den hiel gevolgt en langsaem nagetreden?
Schoon Meleager heeft geblaekt om Atalant,
Zy was de lyktorts, die zyn houtmyt stak aen brant.
Men zag het brandend hout verteren met zyn leven,
(330) En zyne moeder zelf was oirzaek van dit sneven.
Wat waer ’t geweest, zoo zy, als gy de myne zyt,
Zyn stiefmoêr was geweest? Laet liever Hippolyt,
O Fedre, laet hem dus verteren en verbranden.
Hoe wenschte Adonis, toen hy sneefde door de tanden
(335) Van ’t schriklyk zwyn, dat hy Vulkaen noit hadt onteert,
Noch ’t echtbedt van dien Godt zoo reukloos geschoffeert!
Als Cefalus bestaet de blonde Auroor te volgen,
Volgt hem der Goden wraek onsteken en verbolgen,
Daer zyne Prokris hem van verre een ondier scheen.
(340) Dit meende hy, en mikte, en trof haer blanke leên.
De wond van d’eene was ’t bederf voor deze beiden.
Maer is de schaemte niet geheel van u gescheiden,
O Fedre, zoo bedien u dan voortaen niet meer
Van zulke exempelen. Die leeren ons veeleer
(345) Een schendigh lasterstuk te myden dan bedryven.
De straf zal altoos aen de zy der zonde blyven.
Zie alles maer wel in. Zy zit d’onreine altoos
Kort op den hiel. Een schelm bleef nimmer straffeloos.
Zoo hy geen andre straf gevoelen mogt noch plagen,
(350) ’t Gewisse straft hem, dat hem eindeloos blyft knagen,
Zoo geeft gy my een’ toom voor sporen, zinloos wyf,
En raedt my zelve, dat ik dus hardtnekkigh blyf?
Gy rekent het wat groots, zoo u het hooft der Goden,
Door Juno tot een gade en man wierdt aengeboden,
(355) Dat gy den Hemelvoogt versmaden zoudt om my.
Maer zoo Jupyn my dwong door zyne heerschappy,
Of met Erinnys, of met u in echt te leven,
’k Zou zonder dralen dit bescheit en antwoort geven,
O Vloekgodin, ontfang my tot uw’echtgenoot.
(360) Wat vaert gy uit, als of het nootlot dit besloot?
Gy zult het nootlot, zoo gy wilt, licht overwinnen.
Gy zoekt de snootheit te vernissen van uw zinnen.
Wat vreest gy, dat men u voor Minos spruit en bloet
Schier niet zoude aenzien? en wat vrees knelt uw gemoet,
(365) Dat gy de schandvlek zelf van d’uwen niet zoudt wezen?
O Fedre, ontsla uw hart vry van dit ydel vreezen.
Dat ge uw begeerte tot dees schennis hebt geüit,
Bevestigt u genoeg voor Minos telg en spruit.
Hy zondigt reede, die begeerte heeft tot zonden.
(370) En schoon hy hadt zich nogh geen schelmstuk onderwonden,
In zynen wil bestaet het misbedryf alleen.
Nu vliegt de faem eerlang door alle Grieksche steên.
De gansche weerelt zal van uwen naem gewagen,
Zoo wyt uw grootvaêr door de wolken wordt gedragen.
(375) Gy zelf zult aen het licht ontdekken uwe smart,
Gy kunt de gruwlen niet ontveinzen van uw hart.
Waerom ik dit voorspel, wilt gy misschien nu weten.
Om dat gy teenemael van dolheit zyt bezeten.
Die liefde is razerny, die steets zich zelf verraedt.
(380) Indien nochtans het huis van Minos dus bestaet,
En wordt zyne afkomst onweêrstandelyk gedreven
Van zulk een nootlot, dit worde ons niet toegeschreven.
Wy echter, wy, het kuisch en Amazoonsche bloet,
Zyn rein van lichaem en godtvruchtigh van gemoet.
(385) Zoo d’eene wet de vlag voor d’andere moet stryken,
Laet uw Kretenzer voor myne Amazoonsche wyken.
Maer dingen, strydigh met malkandren. komen licht
By Fedra over een. My voegt in ’t aengezicht
De schoonheit als het stof. Het zy myn vlechten zwaeien
(390) En los om mynen hals en zonder wetten waeien,
Het zy myn hair getoit om myne schouders zwiert,
Dit voegt my alles. Ja zoo wel ’t geen my versiert,
Als myn gestrengheit. Eerst kon u een wit behagen,
Maer nu een slordigh kleet, geschikt om ’t wilt te jagen.
(395) Veel liever haelde gy myn kuische zeden op.
Veel liever vyzelde gy myne deugt in top.
Hier door moest ik, niet door de schoonheit van myn wezen
Of myn bevalligheit, u worden aengeprezen.
Als gy het toisel, ’t hair en ’t aenzicht pryst alleen,
(400) Bedient gy u, als een wolvin, van listigheên,
Die hare strikken spant om alles in te slokken.
Zoo kan de vogelaer ’t gevogelte verlokken,
Terwyl hy op zyn riet een vrolyk lietje queelt.
Niet anders worden lichtgeloovige gestreelt
(405) Door ’t zingen der Sireen, die lieflyk hen kan vleien
En op een blinde rots en in ’t bederf verleien.
Ik weet genoeg, wat bank en zorgelyke klip
In deze kolken schuilt. noit zal myn brosse schip,
Om deze holle zee te ploegen, ’t lant verlaten.
(410) Ook zullen u by my geschrei noch beden baten
Noch ydle vleiery: dit raekt my niet aen ’t hart,
Dat in gestrengheit zelfs myn woeste bosschen tart.
’k Zal in die hardigheit de rotsen zelfs verwinnen.
My voegt die hardigheit, waerom gy my moest minnen.
(415) Die hardigheit zal ook uw’ goddeloozen gloet
Weêrstaen, gelyk een rots den ongestuimen vloet,
Vergeefs van ’t zeenat, door den wint gejaegt, geslagen,
Dit toone alleen, dat ik my, als een man, wil dragen.
Doortrapte stiefmoêr, neem uw listen nu te baet,
(420) Door deze weigering ontsteken in een’ haet.
Ga, leg voor mynen hals vast duizende van lagen,
Waer van hoewel ik een gedeelte mag ontjagen,
’k Weet echter, dat ik, laet my rennen overal,
Zoo veel ik mag, haer niet geheel ontvlieden zal.
(425) Het zy gy my nochtans door ’t stael poogt om te brengen,
Of eenen beker met venyn voor my zult mengen,
Gy zyt my evenwel dan zachter vyandin,
Dan gy u nu bewyst door uwe dolle min.
Ik weigere ook geenszins myn lichaem en myn leden
(430) Ten proi te geven, en ik laet die vry vertreden,
Mishandlen, scheuren, om een misbedryf t’ontgaen.
Het doet ons dikwyls goet te hebben uitgestaen;
’t Geen hardt te lyden valt. En ’t kan ons blyschap geven
En lof, onze eerbaerheit te stellen boven ’t leven.
(435) De doot verbiedt hem zelf, die dus van ’t leven scheidt,
Te sterven, en verheft hem tot d’ onsterflykheit.
Ik melde ook dingen, die my zullen overkomen.
Dus spellen my by nacht myn ongeruste droomen.
Die dienen evenwel niet teenemael veracht.
(440) Nu dunkt my, worde ik van een steile rots met kracht
Ter neêr gestort, dan worde ik weêr in zee gedompelt,
Door stormen en ’t gewelt der baren overrompelt.
Nu wordt myn ingewant van schicht op schicht doorboort.
Dan schyne ik in den droom weêr door ’t rapier vermoort.
(445) De slaep verlaet my, als die spoken my verschynen,
En ’k zoeke ontwaekt vergeefs de wonde, als zy verdwynen.
Nu worde ik, als gesleept, geslingert en verscheurt,
In zeelen hangende, en zoo wyt ik word gesleurt,
Bespatte ik al het velt, en tekene de paden
(450) Met kleuren van myn bloet langs ’t spoor der wagenraden.
’k Hebbe onlangs voor myn bedt den Slaepgodt zelf zien staen
Met vale wieken. hy sprak my dus klagende aen:
Rampzaelge jongeling, ga heen en poog t’ontvluchten
Uw nootlot, zoo gy kunt. gy moogt met reden duchten.
(455) Het is geen ydle vrees, die u benaeut by nacht,
En voorts my sluitende, terwyl ik vlucht met kracht,
Houd op, dus roept hy, staek het rennen met uw’ wagen,
Eer gy verscheurt wordt, en de vlucht u moet beklagen.
Hier hadt hy uit, waer op de Godt en slaep verdween,
(460) Maer d’angst en koude schrik verliet geenszins myn leên.
Als ik weêr wakker my myn droomen braght te binnen,
Dan zeide ik: och! de nacht ontdekt aen myne zinnen
In ’t duister, ’t geen de dagh eens brengen zal aen ’t licht.
Ook zweeft gy steets voor myn gedachten en gezicht
(465) In deze ontroerenis. Nu gloeien uwe blikken,
Als vuur; de wint verstpreit uw lokken zonder strikken.
Nu dunkt me zwaeit gy my, in ’t vluchten voor ’t gevaer,
Een fakkel met uw hant in ’t aengezicht en ’t haer.
Dan schynt gy vaders hart te prikkelen met sporen,
(470) Op dat ik sneuvele in de hitte van zyn’ toren.
Dit nachtgezicht, ’k beken ’t, houdt my het hart beklemt,
’t Welk echter eenighzins met uw verlangen stemt.
Dit geeft den toegant u tot my, die ’t moet gedogen.
Maer koom, o Fedre, koom noit anders voor myne oogen.
(475) Hoe zeer gy my vervolgt en aenvalt dol van zin,
Niets kan my meerder schaên dan uwe dolle min.



Tekst volgens Hosschius, Antwerpen 1656:

P. 125-135.

EPISTOLA HEROICA.
HIPPOLYTUS PHAEDRAE.
RESPONSIO.

MIrabar, quid crebra sibi suspiria vellent,
    Fixaque luminibus lumina saepe meis.
Et blandae nimium voces, quaeque ora silentis
    Mutato toties signa colore dabant.
(5) Nec poteram verae similem mihi fingere causam,
    Cur gemitus nullo laesa dolore dares.
Iam scio, tendebas casses mihi: detegit illos
    Impia sacrilegâ littera scripta manu.
Non tibi laedendi studium, dignumque novercâ
    (10) Ingenium, quamvis magnus ademit amor.
Privignis aliae miscent aconita novercae,
    Tu me, quam possis laedere, peius amas.
Perlegis? an primis te frangit epistola verbis,
    Tollere cum voto spem quoque visa tuo?
(15) Perlege; sed timeo, ne scribam mollius aequo,
    Et desint animo ne mea verba suo.
Nec rescripsissem: sed, ut es sine mente, veremur,
    Ne tibi tu dicas: Vicimus, ille tacet.
Ut tibi sim facilis, nec, quae petis, ipse recusem,
    (20) Turpiter, & nullo victa pudore, rogas.
Quod simul ut legi, de Divis questus, & ipso,
    Si tuus est proavus, quem pudet esse, Jove:
Jupiter hoc probrum, dixi, stirpisque tuumque
    Dissimulas, & adhuc crederis esse Deus?
(25) Plecte, pater, crimen: quid in alta Ceraunia saevis?
    Aut quid in immeritum fulmina perdis Athon?
Haec spectas, & adhuc spectaris Phoebe? neque illa
    Visa Thyesteâ res tibi digna viâ est?
Non trepidos avertis equos? non conscia saltem,
    (30) Ne videant neptem, lumina nube tegis?
Sic, ubi te justae Superûm devovimus irae,
    Visa minor merito nostra querela tuo est.
Scilicet idcirco populos vitamus, & urbes,
    Illecebrasque aulae, femineosque choros;
(35) Idcirco silvas colimus, castaeque Dianae,
    Laude pudicitiae, proxima cura sumus.
Ut spolium nostri referas infame pudoris?
    Hoc meruit virtus, hoc meus ille rigor?
Talia conanti meritò tibi dicere lingua
    (40) Haesit, & in primo destitit ore sonus.
Non calamum excussit digitis scribentibus horror?
    Non opere in medio diriguere manus?
Non subiit saltem mandantem talia ceris
    Te pudor? at ceras erubuisse reor.
(45) Quid queror extinctum tibi non venisse pudorem?
    Pessima facundam te quoque causa facit.
Exemploque Jovis tam detestabile crimen
    Contendis fieri posse, nec esse nefas.
Hoc proprium sceleri est: larvam sibi semper honesti
    (50) Quaerit & hoc velo coepta pudenda tegit.
Invitam sed ais, qui Divis imperat ipsis,
    Et Divum Deus est, scribere jussit amor.
Ficta canis. nocuisse tibi sua tela, suisque
    Uri te flammis ipse Cupido negat.
(55) Stipite te Stygio, sanieque tumentibus hydris
    Perculit, & stimulat de tribus una soror.
Nec regnat lascivus amor (quid inania fingis
    Regna?) nec in superos jus habet ille Deos.
Casta Diis mens est, casti sine crimine mores,
    (60) Et caelo digni, dissimilesque tuis.
Sed finxit Superos peccandi exempla libido,
    Ut nil turpe sibi duceret esse nefas.
Pirithoum Theseus, inquis, nobisque tibique
    Praetulit: hoc quae te credere causa jubet?
(65) Nemo igitur fidum colat, aut invisat amicum:
    Si facit, externam praetulit ille suis.
Quod carpis furiosa, tuoque in conjuge damnas,
    Laudares, sana si modo mente fores.
Nomen inextinctum longo laudabilis aevo
    (70) Est habitura patris Pirithoique fides.
Quid sit amor, sentis? furor est: post omnia mentem
    Eripit: exemplo res manifesta tuo est.
Quid quereris fratrem clavâ cecidisse trinodi?
    Opprobrium vestrae sustulit illa domus.
(75) Quod nisi fecisset, caesus pater esset ab illo.
    Quis non, quod Theseus fecit, in hoste facit?
Curae cuique sua est medio in discrimine vita:
    Natura, ut perimas, ne perimare, docet.
Quamquam haec culpa tuae est, si qua est modo culpa, sororis:
    (80) Illa viam docuit, consiliumque dedit.
Iudicium tibi pervertit mentemque libido:
    Quae bona sunt damnas, impia facta probas.
In vitiis recti speciem reperire laboras,
    Ipsaque te virtus iudice crimen habet.
(85) Crimen amicitia est crimen tibi, nolle perire:
    Res pia, quem ratio damnat & horret, amor.
At repetit poenas maternae iniuria caedis:
    Saucia Theseo concidit ense parens.
Esto: me genitor, quo matrem, laeserit ense:
    (90) In te quod fecit, praeter amare, scelus?
Quam bene Theseo caderes quoque victima ferro!
    Et, si digna Dii dent tibi fata, cades.
Occidit infelix sine causa, & crimine mater:
    Non satis in poenas mors foret una tuas.
(95) Quam mihi tu suades, vindicta est tetrior illo
    Crimine, quo genitrix á patre caesa fuit.
Scilicet incesti castam placabimus umbram,
    Pessima tu pellex, peior adulter ego?
Si quid adhuc manes matremque á funere posset
    (100) Laedere, quid gravius quod pateretur erat?
Téne ut amem, quae, cum revocas delicta parentis,
    Me laceras? nam sunt dedecus illa meum.
Ad genus, & natos maiorum infamia transit.
    Huic pater est; illi causa ruboris avus.
(105) Tantalus est Pelopis, Menelai dedecus Atreus;
    Natarum Danaus, Pasiphaëque tuum.
Multa patri licet objicias, tamen omnibus illis,
    Quod tibi nunc votum est, turpius esse puta.
Nec refero caesae solatia nulla parentis:
    (110) Femina iam non est ulla verenda mihi.
Nunc omnes odisse licet: nunc odimus omnes
    Te quoque, quam, soleo matris habere loco.
Atria vestibulam sunt aulae vasta paternae:
    Pendet in his veterum barbara praeda ducum.
(115) Hîc spectare licet pictas ex ordine pugnas,
    Caesaque Theseá plurima monstra manu.
Immanemque suem, populumque e nubibus ortum,
    Et bovis, & fratris cornua fracta tui.
Cercyonemque, Scininque, & cum Scirone Procrusten,
    (120) Et pulsata nigri tertia regna Dei.
Haec mihi spectanti, quamvis in imagine tantum
    Visa, tamen causae saepe fuere metus.
Te tamen haec inter pictam si monstra viderem,
    Tu mihi, tu terror maximus una fores.
(125) Et merito: quid namque tuis furiosius ausis?
    Nullum odium est isto majus amore scelus.
Quo magis admiror, quid si tibi scribere, famam
    Nunc quoque cum violas, labe carere tuam.
Quam, si labe vacat, cur non stultissima servas?
    (130) Cur, quod habes, summum prodigis ipsa decus?
Pulchrius haec magnos ornat, quam purpura, reges.
    Hanc sceptrum, hanc titulos, hanc diadema puta.
Hac sine dedecorant honor & sua nomina magnos:
    Hac sine majestas regibus ipsa probro est.
(135) Nec tamen, ut jactas, fama est tibi criminis expers.
    Perdidit hanc, quisquis non retinere cupit.
Quod tibi prae nostris sordet tua regia silvis;
    Iudice me, silvae te quoque, Phaedra, decent.
Sed quales, meritoque, tuam tenuere sororem,
    (140) Cum sine se Thesei vidit abire rates.
In quibus humani nusquam vestigia cultus,
    Sed videas solis cognita lustra feris.
Illic venandi studio teneare licebit;
    Illic horteris per juga summa canes.
(145) Ut pedibus vostras tangas impura nefandis?
    Si ferat hoc, silvis non bene virgo praeest.
Nec tibi mens damis, nec mens est retia cervis
    Tendere, nec cursu praemia nostra sequi.
Praeda tuis ego, quam captares, retibus essem:
    (150) Praeda ego, per silvas quam sequerere, forem.
Ante precor novus Actaeon in montibus errem,
    Et lacer á canibus devorer ipse meis.
Quod Venerem tollam, quod agam sine conjuge vitam,
    Est mea iudicio rustica silva tuo.
(155) Rustica sit sane, vitiis aulaeque, tuisque
    Dum caret, & casta est, quodque sequamur, habet
At studiis est clara meis. infamis, & ipsis
    Detestanda feris, te veniente, foret.
Cur, ne deficiam, metuis mihi? nempe labores
    (160) Alterná requie, vitaque nostra carent.
Falleris. alta quies sibi mens est conscia recti:
    Hac fruor, haec semper pectora nostra fovet.
Haec mihi per montes, praeruptaque saxa vaganti,
    Quá recreor, comes est, aegraque corda levat.
(165) Quam iuvat hîc aulae strepitu, fumoque carentem
    Et procul invidiâ vivere, teque procul!
Ad requiem satis est patulae sub tegmine fagi,
    Et temere in viridi procubuisse solo.
Illic e silvis veniens, aut vallibus aura,
    (170) Frondeaque ardores sat levat umbra meos.
Interea gemit in patriis aves Attica silvis,
    Et violare toros admonet esse nefas.
Quid requiem ingeminas? requies in crimine nulla est.
    Ex illo, si qua est, nata Megaera fuit.
(175) Hoc unum. taedis animos ardentibus urit,
    Hoc unum Stygias condit in ossa faces.
Ipsa tuas furias, & caecos consule motus:
    Non secus ac thyrso concita Baccha, furis.
Mentis inops raperis, nec adhuc, nisi mente, scelesta es:
    (180) Si re peccasses, quo raperere modo?
At mihi (sic dives promissis littera spondet)
    Conjugii dos est Creta futura tui.
Nil agis: ut violem tam sanctae foedera legis,
    Non mihi tu tanti, totaque Creta tua est.
(185) Regna mihi spondes? ut te, sic odimus illa.
    Quae mihi sunt odio, finge placere tamen.
Quî potiar, nisi per fratrum, patrisque cruorem?
    Hoc quoque tu suades? hoc tuus ausit amor?
Ah! te Demophoon miseror, teque inclyte Theseu:
    (190) Te, quia Phoedra uxor; te, quia Phoedra parens.
Forsitan hostiles iras, aut bella timetis:
    At Phoedrae vobis est metuendus amor.
Este tamen de me securi: tendere solis
    Insidias labor est noster, eritque feris.
(195) Unicaque ambitio est, ne figat missa lacertis,
    Alterius plures, quam mea cuspis, apros.
Quid mihi cum regnis? sit rex, qui sustinet angi,
    Et semper trepidâ sceptra tenere manu.
Omnes si Superi dicant mibi: Regna capesse:
    (200) Hostibus haec, dicam, Dii date, quaeso, meis.
Hei milii, curarum quot millia, quotque timorum,
    Quot luctus circum regia tecta volant!
Nec regno careo: regnum mihi libera mens est,
    Et proba, quam captam nulla cupido tenet.
(205) Imperat haec odiis, & amoribus; imperat irae,
    Et domat imperio spemque metumque suo.
Exulat hinc procerum livor, scelerumque repertrix
    Ambitio, & quidquid sceptra timenda facit.
Et regnum mihi sunt silvae: dominamur in illis,
    (210) Deque feris, tamquam gente, tributa peto.
O valeant populi, regum tormenta suorum:
    Ingenium sensi mitius esse feris.
Has inter Pietas habitat, Rectumque, Pudorque,
    Caelestesque ipsi: non habet aula Deos.
(215) Historias quid stulta mones peccare docentes?
    Te petis & telis conficis ipsa tuis.
Ex his, quos memoras, cuius placet exitus? aut quod
    Flagitium lente poena secuta fuit?
Arserit Oenides in Maenaliâ Atalantá;
    (220) Prima sepulcralis fax fuit illa rogi.
Infelix juvenis pariter cum torre flagrabat:
    Tam miseri mater funeris auctor erat.
Mater erat: quid si, quod tu milhi Phaedra, fuisset?
    Ah! ego sic potitis sim tibi flamma, precor.
(225) Vulcani temerasse torum quam nollet Adonis,
    Tunc cum fulminei dente cadebat apri.
Auroram Cephalus, Cephalum vindicta secuta est,
    Dum procul uxorem credidit esse feram.
Credidit, & misso rupit praecordia telo:
    (230) Exitio, unius vulnus utrique fuit.
At tu, si pudor est, exemplis talibus uti
    Parce: fugam sceleris, non scelus illa docent.
Poena comes culpae est: specta modo singula: numquam
    Impuros, claudo deserit illa pede.
(235) Nemo nocens impune fuit: si cetera desint,
    Mens sibi delicti conscia poena sua est.
Sic mihi pro stimulis addis, stultissima, frenos,
    Et me, ne faciam quod petis ipsa mones.
Esse putas aliquid, si fratrem Jano virumque
    (240) Det tibi, me sis praepositura Jovi.
At mihi si vel te, vel Erinnyda nubere cogit
    Jupiter, huic dicam: Me dea tristis habe.
Fata quid accusas? si vis ea vincere, vinces,
    Praetendis vitio nomina vana tno.
(245) Cur metuis vesana, parum Minoïa credi?
    Curve times, ut sis dedecus ipsa tuis?
Pone metum tamen; ut possis Minoïa credi,
    Quod petis á nobis, hoc voluisse sat est.
Peccavit, quicumque cupit peccare: voluntas
    (250) Sola, nec admisso crimine, crimen habet.
Iam iam Cecropias haec ibit fama per urbes,
    Et quá spargit avus lumina, rumor eris.
Ipsa tui fies index manifesta doloris:
    Conceptum haud poteris dissimulare nefas.
(255) Cur ita vaticiner, quaeris? quia victa furore es.
    Talis amor furor est, indiciumque sui:
Si tamen hoc urget fatum Minoïdas: at nos
    Sanguis Amazonidum, turba pudica, sumus.
Si legem legi vis cedere; cedat honestae
    (260) Turpis, Amazoniae Gnossia, vestra meae.
Sed bene conveniunt contraria, judice Phaedrâ:
    Nam nitor, & nostro pulvis in ore decet.
Et rigor, & cultus, & vincti flore capilli,
    Neglectaeque decent & sine lege comae.
(265) Horrida nunc placet, hirsutisque accommoda silvis;
    Quae primum placuit, candida vestis erat.
Et cur non mores potius mirare pudicos?
    Hac tibi, non formae laude probandus eram.
Cum faciem tantum laudas, cultusque, comasque.
    (270) Ponentis laqueos uteris arte lupae.
Sic blandum tenui dum fundit arundine carmen,
    Decipit incautas carminis auctor aves.
Credula sic tenero dum Siren pectora cantu
    Mulcet, in exitium caecaque saxa trahit.
(275) Scimus, quae lateant illo sub gurgite Syrtes.
    Nostra per has numquam cymba feretur aquas.
Nec precibus, nec me lacrymis, nec laude movebis,
    Hic pergam silvis durior esse meis.
Hoc scopulos vincam, montanaque saxa rigore:
    (280) Quem melius celebres, me decet iste vigor.
Ut pelago rupes, tibi sic rigor ille resistet.
    Sentiar hoc uno vir tibi, Phaedra, modo.
Interea caput hoc, incensa dolore repulsae,
    Mille per insidias docta noverca pete.
(285) Ex quibus ut partem vitemus, non tamen omnes,
    Quamlibet admissis effugiemus equis.
Sive tamen ferro me perdes, sive veneno,
    Multo, quám nunc es, lenior hostis eris.
Non ego, ne peccem, discerpi in frusta recuso.
    (290) Saepe, quod est durum ferre, tulisse iuvat.
Et iuvat, & pulchrum est vitae praeferre pudorem,
    Sic occumbentes mors vetat ipsa mori.
Eventura cano: sic nobis somnia dictant.
    Non mea sunt nullâ somnia digna fide.
(295) Nunc deturbari videor mihi rupibus altis;
    In mare nunc mergi, vorticibusque premi.
Nunc mihi nocturnis fodiuntur viscera telis,
    Perque cor, & venas ensis inanis abit.
Excutiunt pavidos simulacra minacia somnos,
    (300) Et vigili quaero vulnera vana manu.
Nunc loris velut implicitus raptorque, trahorque,
    Quaque trahor longas sanguine signo vias.
Astitit ipse nigris Morpheus mihi nuper in alis,
    Et querulo tales edidit ore sonos:
(305) Infelix juvenis, tua, si potes, effuge fata.
    Non tibi nox vanos objicit atra metus.
Mox inhibens cursum fugientis: Siste quadrigas,
    Inquit, in ancipiti ne lacerere fugâ.
Sic ait, & somnus me deserüere, deusque:
    (310) At non deserüit pectora nostra pavor.
Inde vigil mecum repetens mea somnia, dixi:
    Nox aperit nobis, quod feret una dies.
Namque per hos semper volitas manifesta tumultus:
    Igne micant oculi: dissipat aura comas.
(315) Et modo ceu tedas fugienti tendis in ora:
    Et modo ceu stimulas in mea fata patrem.
Haec me non modice, fateor, spectacula terrent
    Parte aliqua voto sunt tamen apta tuo.
Ad nos dant aditum, & patimur: sic denique, Phaedra,
    (320) Non aliter nobis aspicienda veni.
Qua me cumque petes rabie, quocumque furore
    Nil audere tuo peius amore potes.



  • Vondels vertaling van Ovidius’ Heroides, uitgegeven door David van Hoogstraten in 1716
  • Meer teksten van David van Hoogstraten:
  • Latijnse tekst met Nederlandse vertaling van Ovidius’ Penelope-brief
  • Informatie over Nederlandse heldinnenbrieven
  • Thuispagina van de Heinsius-collectie
  • Voorkeurenpagina van de Opleiding Nederlands