M. Warnaar: Leander en Leonore. In: Gemene spaar-podt, 1682.
KBH Ms 75 H 14
Uitgegeven door Kristien Harmsen.
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Ceneton097740Facsimile bij Ursicula
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.
Continue
[
Titelpagina van het handschrift]

GEMENE

 Spaar-Podt
ik meen
pot

waar in vergaart, gespaart, en bewaart
sijn veel-derhande Rijm-wercken.

Alles

Gemaakt, Gedigt, en Geschreven,


door mijn

                    M. Warnaar



[p. 2 van het handschrift]

op meijn Gemeene

Spaar-pot.

Nota

        Gelijkmen in een Spaar-pot spaart
            veel Kruijs en Munt bij een
        So houw ik hier ook in-bewaart
            veel rijmpjes groot en kleen
[Handtekening]
Continue
[
pag. 115]

Komedie
van

Leander en Leonore
Blij ijndent Treur-Spel

verdeelt
in ses deelen.



[pag. 116]

Voor-reeden aan den Graag-Leesende Leser

Graage Leeser

Leest dese komedie van Leander en Leonore,
niet, als of die inder waarhijt zo soude gebeurt
sijn, oneen ’t is maar een parabel, dien ik
kommedijscher wijse maak alleen tot vermaak
om de tijt met vermaak so wat door te brenge.
ik soude mijn tijt met dit gemaakte vermaak
aldus niet doorgebragt hebbe, indien den
arbijt dien mijn is opgelegt so niet ter neder
geslagen lag, en also de tijt nu was om dien
arbijt niet veel te beneerstijge, en also het
jegenwoordig een tijt was dat men den veen-
son als met de handen begonden aan te vatte.
ja dat men de selve meer sogte te verselschappe
als voor jegenwoordig, den ligt schijnende foebus
en also het jegenwoordig ook een tijt was
dat de slapende nu met slape wel ruim haar
bekompst konde krijge, maar ik tot sulcken
lang slapenden lust, niet belust sijnde,
so hebbe ik inden vroegen morgen stondt
als de slapende nog wel een rondt schoft
slapen konde, eer dat den voorloopster van
den lang vertoevenden foebus ons qam verschijne
als ook mede inden avont, wanneer de
slapende met slapen al weder een schoft
doorgebragt hadde, so hebbe ik dan in dese
tijt mijn tijt somptijts so wat doorgebragt
om te verdigten, en in het rijm, spreeksge-
wijs, op het papier te stellen, dat gene
waar op mijn sinnen en gedagten, in dese
tijt speelde, deselve speelde dan in dese tijt
hoe wonderlijk, en hoe schielijk, de min-lievende
sinnen op komst. in die jongelinge wiens jaren
gekoomen sijn tot het lentje van haar jeugt
in de welke de min-lievende zinnen als
nog verre te soecke veel min nog te vinden
zijn, dese dan gekomen zijnde tot het lentje
van zijn jeugt en jare waar in hij beqaame-
[pag. 117]
lijk zoude mogen verkiesen indien zijn gene-
genthijt en gelegenthijt daar toe was strek-
kende;*so danijge een gesellinne, waar wel
eertijds de verliefde Gooden om dit geliefde haar
hemelsche woon-stede hebbe verlate, en hebben
haar selve verandert in so danijge gestalte, als
haar tot die ockasje best konde diene, wie en
weet niet dat door verloop van tijt een kindt
een jongelink wert, en jongelink sijnde, sijn
selve dan met het een ofte ander vermaak sijn
selve soekt te vermaake, de een*hier mede en
een ander met wat anders, en met dit vermaak
vermaaken sij haar soo lange, tot haar verlie-
vende sinnen eens komen te valle, op dat
geene, dat so getrouwelijk van de minlievende
bemindt werdt; en hoe schielijk dese min-
lievende sinne inde so danijge op-kompt dat
kan den leser so ’t hem lust en gelieft, indesen
heer Leander sien.    Grage Leser wel is
waar dat ik u desen kommedie als een para-
bel voorstel, maar op zijn metamorfosis
zoude ik u keunen bewijse, dat sulke schie-
lijke vrijjerijje, en ongeval in deselve, als
mede het geluckig ijnde vandie ongevalle
indie hart-lievende vrijasjes, ik segge
dan ik u dit souden keunen bewijse, dat
dit alles dat ik al gesegt hebbe, heden-
daags in dese onse tijt nog al gebeurt
dog indien ik u dit soude moeten bewijse so
soude ik wel de helft van een half hon-
dert vrijjers bij ’t hooft moeten vatten
en die-selve soude ik dan moeten op sijn
metamorfosis in de naam moeten verandere
en herscheppe die verschijde name, alle inde
naam van Leander.            Leser
wie en weet niet hoe schielijk de vrijasjes wel
op-kompt ja selfs in die geen die nooijt nog
geen gedagte tot het selfde gehat heeft
en dat*door het tijdelijk vermaak waar me-
de sij haar selve vermaakt hebbe, als de
Leser sien kan in desen leander dewelke een
groot liefhebber was van de jagt, siet folij [...]
[pag. 118]
en wie weet niet hoe schielijk dese jagt- of
andere lust-lievende sinnen komen te veran-
dere, in min-lievende sinne als gij sien keunt
in deselve Leander, siet folij [...]
wie en weet niet wat een tegenhijt van lief-
de datter gemaakt wort van die gene wiens
ijdele in-beeldinge somtijts en al vrij dick-
maals sijn, hier door enijge gunste of ander
profijt daar mede te verliesen, gelijk gij
sien keunt in Glaboor sijnde de knegt van
Leander, siet folij [...]
wie en weet niet dat sulcke min-verag-
ters, door goede belofte van het een ofte
ander te geniete, keunen te vrede gestelt
werden, ja daar en boove nog haar beste
doen om het hijtje zijn zijtje te doen met
haasten te genieten. siet folij [...]
wie en weet niet wat al hinder-pale en
droevege ontmoetinge de zulcke ontmoete
die sijn gewenste so verre heeft gekrege dat
harte so van den een als vanden ander van
een de selve pijl der liefde door wont is, wat
voor listen en laagen datter gelegt werde
om sulcke vast-lievende harten van een te
schijden, en dat bijsonder van die geene, die
de liefde die al eens gelegt tot hem-waarts
soekt te trecke, als gij sien keunt aan fijlip-
pus met hulpe van sijn knegt gustus siet folij [...]
        voor de eerste rijse, en siet de werk-
kinge door de nijt hoe de selve in ’t harte
van leonore kompt te werke siet folij [...]
siet voor de twede rijse wat liste en lage
vande boven genoemde fijlippis en sijn knegt
weder in ’t werk gestelt werde, om haar
oogmerk te bekomen siet folij [...]
siet het ongeluckig ijnde van deselve eens
op folij [...] siet watte wonderlijcke voor-
valle, desen leander en leonore, met gla-
boor en beletje, in haar vlugte, zugte
[pag. 119]
en dwalinge ontmoete, en voor het laatste
wie en weet niet hoe wonderlijk dat alle
swarighede hoe swaar de selve ook soude
moogen sijn, hoe geluckig de selve koomen
uijt te vallen tot een geluckig EYNDE
als de goede leser sien kan folij [...]
wat dunkt u leser of toehoorders, gebeure
sodanijge vrijjerijje indese onsen tijt nog
niet wel, juijst so niet als u hier afge-
beelt wart, maar dusdanig of so danige
of op een andere manier, het sij dan hoe
het sij. hier mede graag-lesende leser
ijndige ik met den in-hout van dit
gansche werk, en ik zegge

Ziet eens hoe wonderlijk de min hier werdt geboore
    en wat voor ongeval de minne-staat uijt-staat
    en die door wijse hulp en raat te rade gaat
zal vinden ’t geen hij soekt schoon dat het is verloore

                                Hier mede Leser
                                            Leeft
                                            Leest en

                                                            Vaart-wel



===[pag. 120]

Spreeckende

Persoone in dit spul

van

Leander en Leonoore. in dit
Blij-ijndent treur-spel.

Leander
glaboor - - - - - - - knegt van Leander
Franciskus
Fardenant - - - - - - zoon van franciskus
Leonoore - - - - - - dochter van franciskus
boer
nelle - - - - - - dienst-boode van Leander.
                        beletje - - - - - - dienst-boode van leonoore
Fijlippus
gustus - - - - - - - - knegt van Fijlippus
leeuw
wolf
beer
}
}
- - - - - - 3 bos-loopers; of roovers
spaar-pot - - - - - - bos-woonder
Swijgende
3 enijge bos-roovers
2 Schouwt en dienaars
1 een vrou in schijn van leonoore
Continue
[
pag. 121]

Koemedie van

Leander en Leonoore

Blij-eijndent treurspel, ’t eerste deel.


in-hout van dit eerste deel.

Leander gaat ter jagt Glaboor die soekt het Ruste
    fransiskus met zijn zoon die zoecken Leonoor
Leander die ontfonkt in soete minne-luste
    dog sonder weet van sijn getrouwe knegt Glaboor.

het toneel
verbeelt hier, een Bosschasje.
Glaboor, met zijn heer leander
    vlugtens-gewijse uijt.

Glaboor    Mijn heer dat was een beest hadt gij geen vier gegeve
    sie dat en hadt ik niet gegeven voor ons leve
    og hoe gevaarlijk qam ’t gevloogen op ons aan
    ik dogt niet anders als og daar-me is ’t gedaan.
leander    (5) saagt gij wat dier het was
Glaboor                                                  heer ’t scheen na mijn vermonde
    het wilde swijn dat eens dijaan t’ Athene zonde
    waar van dat atalant de eerste roem beqam
leander    hoe ijs’lijk tierden ’t Beest
Glaboor                                              hoe spoog het vier en vlam
leander    waar vloog ’t op laast nog heen
Glaboor                                                      dat heb ik niet gekeeke
leander    (10) ’t heeft hem ligt in een hol of in een haag, versteeke
    maar was het niet gewondt
Glaboor                                    ik heb geen bloedt gesien
    als gij hadt los-gebrandt so gink men bijde vlien
    nu staatmen hier en kijkt was sullen wij nu maake
    de honde die zijn voort men mag de jagt nu staake
    (15) ik heb mijn buijk al vol mijn jagtlust is gedaan
leander    neen neen glaboor so niet kom soo al weder aan
    men moet de moedt so ligt niet geven dus verloore
    loop gaat gij op dien berg en blaast daar op jou hoore
    en ik sal vlijtig gaan beneden in dat dal
Glaboor    (20) ik sien geen kans datmen haar ligt weer krijgen sal
Bijde na Binne.



Fransiskus en Fardenant.

franciskus    o goon is dan mijn kindt van ’t wilt gediert’ verslonde
    of van het bos-geboeft mis-handelt en geschonde
    ag sal ik haar nooijt weer met oogen schouwen aan
    so moet mijn droeve Ziel met leet ten grave gaan
[pag. 122]
fardenant    (25) ij vader lief ik bid staakt tog dit bitter weene
    de Goden sullen ons een goede hulp verleene
    swijgt vader-lief
franciskus              mijn Zoon u vader daalt in ’t graf
fardenant    de Goden wel voor dees’ een goede uijt-komst gaf
    aan die geen die de moedt ook gaven dus verloore
franciskus    (30) so hier geen uijt-komst komt ’k sal in mijn droefhijt smoore
fardenant    mijn vader hout tot moedt
franciskus                                            mijn zoon mijn waarde kindt
    u vader sterft so hij u suster niet en vindt
    mijn dunkt ik hoor haar stem... ik sien haar geest daar sweeve
    wie roept daar sij is doodt... ag s’ is geen meer in ’t leeve
    (35) daar isse... ag mijn kroost wien heeft u dus vermoort
fardenant    wat is het dat gij siet wat is het dat gij hoort
franciskus    hoort gij die stem dan niet siet gij haar geest niet waare
fardenant    komt tot u selve tog ij vader wilt bedaare
franciskus    mijn dogter waarde Zoon die keert haar van ons af
fardenant    (40) o Goon dat gij ons tog een goede uijtkomst gaf
franciskus    wat is dat voor geraas dat mijn daar klinkt in d’ oore
fardenant    dat sullen jagers zijn men blaast daar op de hoore
    kom gaan wij daar na toe
franciskus                            waar ist
fardenant                                            aan dese kant
franciskus    og dat ’t geluk eens gaf dat ik mijn dogter vant.
Bijde na Binne.



Leander met een loop uijt,
glaboor kompt agter na.

leander    (45) daar sijnse loop glaboor ’k sal dese weg gaan kiese
leander Binne
Glaboor    door sulken loop sou ik mijn asem wel verliese
    ’t best dat ik alhier mijn asem weer wat schep

Leander uijt met sijn beeste, glaboor hem siende zegt

    gans-kragt daar kompt gij al. hoe is ’t mijn heer is ’t hep
    ik hadt dat niet gedagt dat gij die weer sout vinde
    (50) ’k dogt dat het wilt gediert de beesies sou verslinde
leander    sij sijn te scherp van reuk in ’t loopen wonder snel
    geen swijn geen beer geen wolf haar agter-halen sel
    nu kom al weer op nu de jagt-lust angevange
Glaboor    mijn lust is tot de jagt gelijk een dief tot hange
leander    (55) hou daar neempt gij de valle en gaat daar ginder heen
    ik ga met snel dit op
Glaboor                        maar segt eer dat wij scheen
    wanneer en op wat plaats sal ik mijn heer weer vinde
leander    ontrent de middag-zon alhier aan dese linde
Glaboor    goet goet maar nog een woort of gaan wij maar mijn heer
    (60) ’k sal maaken dat ik ben al voor de middag weer
Bijde Binne.



fransiskus en fardenant

franciskus    mijn Zoon het is vergeefs ag dit is al mijn vrese
fardenant    kom vader gaan wij gins sij sullen daar ligt wese
franciskus    o droevig ongeval wat heb ik tog begost
    dat ik tegens mijn kindt van me-gaan spreeken most
    (65) sij die in jagens-lust hadt gans’lijk geen behaage
fardenant    kom vader dit is niet of wij hier staan en klaage
    laat ons voor ’t lest nog eens gaan soecken over al
franciskus    ’t geluk sal geven dat-men haar nog vinden sal
Bijde na Binne



[pag. 123]

Glaboor in zijn enighijt

Hier is ’t best Glaboor ik geef den hooij van so te jage
(70) ik kan die heete zon en ’t loope niet verdrage
wat helpt het ook Glaboor al loopt hij dat hij sweet
hij wort maar moe en mat en vangt niet een beet
hadt ik nog eens ’t geluk ten sou mijn so niet spijte
ik sou mijn snelle loop so ligt nog niet vermijte
(75) het is geen noot Glaboor al vangt gij niet een zier
jou heer-schap sal wel gaan schept gij jou vreugt alhier
wat heb ik evenwel een dreftig treftig leeve
wat gaat het heerschap mijn tot mijn vermaak al geeve
ik doe al wat ik wil ik krijg al wat mijn lust
(80) mijn swaarste arrebijt doen ik wanneer ik rust
maar doen ik ook geen werk wanneer ik ga uijt jaage
moet ik geen jaagers tuijgen en sulk gesnor al draage
o ja gewis glaboor maar dit is wis wel waar
dat arbijt graag gedaan den mens valt selden swaar
(85) als ik mijn vergelijk bij jogchim en bij jooris
die dubble slaaven sijn so ben ik heer glaabooris
maar seg Glaaboor hoe ’t kompt dat gij dus mack-lijk leeft
alleen om dat mijn heer nog sonder huijs-voogt leeft
maar ’k wedt indien mijn heer zijn vreugt bij ’t vrou-volk raapte
(90) ’k seg dan ik wedt Glaboor so maklijk niet en slaapte
o groot verschil een die dijaan of venis kiest
want men Dijaans vermaak strax verliest
die lieve jagt-Godin die heeft mijn heer gekoose
en in hem lijt de brant van venis gans bevroose
(95) o hij maakt gans geen werk van venis janckerij
hij heeft zijn wij-tas meer als mijsjes op sijn zij
of schoon de mijsjes hem wat scheere gaven of soppe
hij hoort dat niet ’t is of hij ’t oor met was ging stoppe
’t is wonder daar hij is in ’t lentje van zijn jeugt
(100) in ’t schoonste van zijn tijt dat hij nog lust nog vreugt
heeft in de min o hij heeft geen ulijsis zinne
maar hoort eens wat een strijt die man hadt in het minne
ulijsis koos den strijt doen hij trojaanen sloeg
de klank van d’oorlogs trom hem als een arent joeg
(105) hij diende Mars getrou so lang tot hij og harme
het liefelijk rondt ontrent twe blancken arme
daar waar de min en strijt daar stont hij tusschen bij
want venis stont aan d’een en mars aan d’ander zij
dan scheen de minne zang tot in zijn hart te dringe
(110) dan deed den oorlogs trom hem na den strijt toe springe
dan hielt hem venis vast dan trok hem mars eens weer
dan koos hij weer de min en smeetden strijt daar neer
dan koos hij weer de strijt en hij veragtert minne
so dat hij in dien strijt kreeg hondert duijsent zinne
(115) want als hij venis koos dat is de min-godin
so viel hem strak godt-mars den krijgs-godt in den zin
wel sprak hij hoe zal ik, ik die een helt der helde
van griecken ben ik die mijn goedt en leven stelde
om eer en goede faam te krijgen zal ik nou
(120) mijn zinnen hangen gaan aan een verlijde vrou
wil ik de wapens van Achillis nu verfoeijje
en wil mijn met de min van Circe gaan bemoeijje
een tooveres foeij mijn neen neen ’t sal nooijt geschien
’k wil uijt dit toover hol op staande voedt gaan vlien
(125) daar wou ulijsis doen als een ijkarus vliege
maar eer hij ’t wist ging men hem in den slaap weer wiege
[pag. 124]
daar droomden hij van min nog slimmer als voor heen
maar hoort hoe wonderlijk Achil hem nog verscheen
daar qam een nare Geest uijt Plutoos wooning rijse
(130) een geest die voor zijn doodt een ijder een wou prijse
om dat hij in den strijt een helt der helden was
daar stond den strijt voor die, die ’t strijden smeet in d’as
Achilles sprak hem aan met zulcke felle woorde
maar ’k weet niet of ulijs’ dit in zijn droom wel hoorde
(135) dus sprak de doode mondt ag sal het nu geschien
dat mijne wapens blank den roest sal moeten zien
sullen die aan de muur als schilderijjen hange
sullen die nu nesten sijn voor padden en voor slange
en spinnekop en meer die in dit toover-gadt
(140) bij hele hoopen sij - ij ij verlaat dit padt
ij smijt die zin van u verwerpt de minnedrancken
om-gort u swaart weer aan en kiest de harde banke
voor dit aan-lockent bedt ontwaakt ontwaakt ontwaakt
ulijsis eer gij vast in Circis liefde raakt
(145) verlaat dit sagte bedt laat Circis wooning vare
en kiest daar is nog tijt niptunis peeckel-bare
ulijsis ’k seg nog eens ontwaakt ontwaakt ontwaakt
eer gij in ’t toover-net van Circis liefde raakt
’k vertrek mijne naare geest trekt weder na benede
(150) ij springt tog uijt den slaap en doedt tog na mijn rede
daar was de Geest verhuijst ulijsis sprong van ’t bedt
daar zag hij dat hij was verwart in ’t minne-nedt
daar zag Ulijsis doen het blanke harnas blinke
daar daar begon hij om den oorlog weer te dincke
(155) daar wierp hij weg de min en koos den oorlogs-trom
daar sprak hij tot zijn zelfs kom kom Ulijsis kom
verlaat dit toover-hol en kiest Niptunis baare
daar sagmen doen ulijs met schip en volk heen vaare
daar blies men de trompet daar waar vreugt aan weer lij
(160) elk riep haddieuw toovres met al u toverij
wat Circe badt of riep ’t was al-om niet begonne
Ulijsis hadt de prijs van strijt en min gewonne
siet so so moet het gaan so gaat het na mijn Zin
daar ’s ook een liefdenstrijt tusschen de jagt en min
(165) wat hadt don jan een strijt wanneer hij hadt gekoose
’t gemaackte Hijdens-kindt gebij-naampt Precijoose
ziet so veel heeft de min in hem te weeg gebragt
dat hij om jagers nog zijn ijgen jagt-lust dagt
de jagt die kreeg de schop de jagt-lust wierdt versmeete
(170) don-jan was al te zeer op minne-lust verbeete
maar ag hoe stre dien bloedt eer dat het zo ver qam
dat min kreeg de overhant. wanneer hij nu vernam
het hijdens streng gebodt hoe klonk hem dat in d’oore
verstaat eens wat een wet o smart hier moest hij hoore
(175) dat hij twe-jaren lang met dees’ hoop moest gaan om
eer hij genieten mogt dees’ lieve maagde-blom
o gruwel dat de min heeft zulcke groote kragte
dat d’ edel-man hier door gaat al sijn staat veragte
dees’ edel-man was rijk en van een groote staat
(180) og siet hoe hem de min al-hier vervoere gaat
wat baart dit niet in hem een alte vroevig strijje
dan stelt hij eens de min en dan sijn staat ter zijje
daar stondt dien Bloedt en street want als hij koos de min
dan viel hem strax sijn staat en een en al indt zin
(185) wel sprak hij zal ik nu een hijdens-kindt verkiese
waardoor ik staat en eer en alles zal verliese
een staat een hijdens staat een staat waar voor ik gruwe
gelijkt dien staat don-jan gelijkt die bij de ruwe
een vuijle hijdens-rot ja ongebonde mensche
(190) wil ik nu sulcken staat voor mijnen staat gaan wensche
[pag. 125]
heb ik niet wat mijn lust ontbreekt mijn iijts het geen
mijn oorzaak geeft dat ik mijn staat veragt o neen
mijn nectar die ik drink drink ik uijt goude schaale
en na mijn lust en wil gaan ik de bouten haale
(195) op berg uijt bos en dal en met een groote stoet
die op mijn woort en op mijn wencke koomen moet
wat is ’t dat mijn ontbreekt kan ik wel meer begere
o neen wat doet mijn dan na hijdens te doen kere
ik die een kristen ben wil ik een hijden zijn
(200) verzaacken mijn geloof en doop af wat een pijn
gevoelt mijn droevig hardt neen ’t zal nooijt geschiede
op op don-jan wilt strax dit vuijl gespuijs ontvliede
en met dit woort wiert hij al weer op nieuw bestreen
hoe zijd’ hij zal ik vlien van mijn vermaak o neen
(205) ij zegt wat is mijn staat mijn eer en en mijn vermaake
als ik niet in de gunst van Precijoos mag raake
in haar bestaat mijn staat haar is mijne eer
in haar bestaat mijn vreugt en al wat ik begeer
wat helpt mijn pronk en praal en kostelijke kleere
(210) dit alles dient maar om mijn droefhijt te vermeere
mijn gout dat is maar drek mijn nectar is een drank
die in des menschens heel veroorzaakt maar een stank
daar ’s niet zo slim zo qaat of ’k souder mijn na voege
het is don-jan genoeg als hij heeft ziijn genoege
(215) daar koos hij weer de min de jagt die lag in ’t zandt
de min de malle min die kreeg de over-handt
don-jan en hat voorwaar daar geen ulijsis zinne
bij dien verloor ’t de min hier gaat de min het winne
die klijne blinde Guijt is hier de oorzaak of
(220) maar nuuw alweer wat nuuws al weer een nuuwe stof
o wonder dat de min werkt zulcke vremde kure
dat selfs Godt jupiter in d’ Hemel niet kon dure
het lietjen dat singt wel de Gooden selfs hoe hoog
dat die gedwongen sijn door kiepedootjes boog
(225) ’k zeg desen jupiter de Godt van alle Goode
qam dick-maals daar te gast daar niemant hem en noode
’t gebeurde dat hij eens een maagt kreeg in het oog
daar strax al zijn begeert en lust en wil na vloog
hij met een snedighijt verformpt hem in Dijane
(230) en is door ’n hete min na Kaliste gegane
die in het groene Gras door d’ hette van de Zon
’t ontschuijle lag met rust maar jupiter en kon
die overschoone maagt niet aan-sien sonder minne
hij qam bij dese maagt met zijn verliefde sinne
(235) hij was gekleet gelijk de jagt-Goodin hij vraagt
Kaliste waar dat zij soo lange hadt gejaagt
Kaliste meende dat sij sag met haare ooge
Dijana maar zij wierdt van Jupiter bedrooge
hij kuste dese maagt als maagt maar sij was ’t niet
(240) hij gink ten Hemel-waart en liet haar in ’t verdriet
gelijk als ’t bleek als haar Dijana qam t’ontmoete
zij dorst de jagt-godin van schaampte niet begroete
dat was een loose vos die om zijn gijle brant
te blusse hem herschiep en ’t mijsjen overmant
(245) wat sijd’ hij tegens joo door zijn verliefde zinne-
waart sijt gij dat een Godt u schoonhijt moet beminne
o overschoone Blom wie zal u plucken spreekt
kompt hier ij voelt gij niet hoe dat u foebus steekt
vreest voor geen wilt gediert dat u zou konnen doode
(250) indien gij niet en hadt een Godt van alle Goode
tot een beschermer hij die ’t dondere neder zendt
in ’t kort hij bragt die maagt al me in groot elendt
[pag. 126]
’t was jupiter genoeg als hij maar mogte blusse
sijn gijle brandt met meer als simpel maar te kusse
(255) ja hij heeft so gebrant van venis minne-vier
dat hij zijn zelve ging verformen in een stier
en schaackte so de maagt uroope zo wij lese
wat is in Foebus me een minne-vier gerese
in Hiepomenis me in Glaucus en in Pan
(260) in Polijfeem de reus van Cijclop en wie dan
ja in virtumnis me en in dien helschen koonink
die Carons, swarte boodt heeft tot zijn Rijk en woonink
’k meen Plato nu laat sien weet ik geen meer o ja
daar ’s nog een hele hoop maar ’k zeg eckcetera
(265) mijn tijt die is voorbij ik swijg van al dat minne
’k ben blijd als dat mijn heer niet heeft alzulcke zinne
Glaboor en wout ook niet dat hij om ’t minne dagt
want koos mijn heer de min so was dan bij gans kragt
al mijn vermaak bodt uijt mijn vreugde was ten ende
(270) Glaboor wou dat sijn heer vrou Venis nooijt en kende
ik kreeg dan ’t qaatste qaat in plaats van ’t goetste goet
og so sij maar haar Zoon dien Blinde Guijt ontmoet
die met sijn pijl... holla dit is een zeecker teke
dat ik van hier moet gaan dat sonder meer te spreke.
Binne



 Het tooneel ver-andert in een wilder
Bosschasje als te vooren, daar in de
verdwaalde Leonoore, door vermoeijt-
hijt, in een diepe slaap licht Bevange

Leander uijt

leander    (275) o gunstijge Dijaan tog op u dienaar siet
    vergun meijn dat ick dogh een goeijje vangst geniet
leonoor al dromende    aij mijn
leander                                      wat is dat .. ik schrik... wat kom ik hier te hoore
    wat voor een naar gezugt vervult Leanders oore
    aij mijn soo is de zugt is ’t hier al regt gestelt
    (280) sou iemant hier ontrent wel neder zijn gevelt
    og jaa ’t daar lijt een mens... wie zijt gij
leonoor                                                        ag mijn vader
    verlost mijn uijt de handt van desen sno verrader
    die d’ eer steelt van u kindt u dogter ag ag ag
leander    een dogter, wel ik vraag na d’ oorzaak haars geklag
    (285) Leander hept gij ooijt van schoonhijt wel gewete
    wat droefhijt heeft dit Beelt ter aarden neer gesmete...
    sij slaapt... ik wek haar op...
leonoor                                    ij neempt mijn eer toch niet
    ag laat mijn dien ik ben
leander                              geen on-eer u geschiet
leonoor    eer dat mijn suijverhijt sal werden af afgenoome
    (290) so doodt mijn liever strak
leander                                          o schrickelijcke droome
leonoor    ag is hier niemandt dan die mijn zijn hulp eens biedt
leander    mijn schoone jaa ’t ontwaakt u dienaar voor u siedt
    ’k ben tot u hulp gereet ontwaakt en staakt u droome...
    sij rijst ik hou mijn stil tot dat ik hep vernoome
    (295) wat droefhijt dat haar drukt
leonoor ontwaakt                              o ijdele droom o droom
    wat baart gij niet in mijn een angst een schrik een schroom
    dan droom ik dat ik wordt van het wilt gediert verslonde
    dan droom ik dat ik wordt van ’t bos geboeft geschonde
[pag. 127]
    dan droom ik dat mijn een sijn trouwe hulp mijn biedt
    (300) en als ik wacker wordt so vind’ ik niemant niet
    ag leonoor wien sal aan-hooren eens u smeecke
    wat voel ik voor een vier daar in mijn hardt ont-steeke
leander stil    mijn engel ik
leonoor al vlugtende          elaas wat sal mijn weer geschien
leander    hoe dode wilt gij nu gaan voor u leeven’ vlien
    (305) gij die na oogen-schijn van droefhijt schijnt te sterve
    vlugt niet gij sult door mijn u leven weer verwerve
    ik kom hier niet om u t’ ontrooven van u eer
    neen leonore neen
leonoor knielende      ik buijg mijn voor u neer
leander    neen schoone neen staat op vergun mijn dat ik vrage
    (310) wat ongeluk heeft u dus deerelijk geslaage
    wat jaagt u hier... ij spreekt wat ’s d’ oorzaak van u leedt
leonoor    alleen na dat ik maar mijn vaders wille deedt
leander    wat waar u vaders wil verschoon mij in mijn vraage
leonoor    sijn wil was eens om met mijn broeder te gaan jaage
    (315) en heeft mijn me bepraat dat ik ben me gegaan
    schoon dat ik in het eerst’ daar tegen heb gestaan
    na datmen een goet stuk in ’t Bos nu was gekoomen
    so hebben wij aldaar een schrik’lijk dier vernoomen
    een dier dat vrees’lijk waar het maackte groot misbaar
    (320) een dier dat ons door schrik dus schijde van malkaar
    ag wist ik nu waar dat mijn vader waar gebleeve
    en broeder maar ik vrees sij bijde sijn om ’t leeve...
leander    staakt u geschrij hoe lang hebt gij in ’t Bos gedwaalt
leonoor    ik heb wanneer apol in tetijs schoot weer daalt
    (325) dus doolent door gebragt drij nagten en twe daage
    o Goon aan-siet mijn dog
leander                                  ij staakt dit treurig klaage
    ik sweer u trou te zijn en zal u brengen daar
    gij vijlig zijt en vrij van allerlei gevaar
    hept moet ’k sal met mijn knegt en dat in alle hoecke
    (330) van ’t Bos met lust en vlijt na u gemiste zoecke
leonoor    de Goon gelijden u
leander                                  ik bidt hebt maar gedult
leonoor    ik zal geluckig zijn zoo gij haar vinden zult
Bijde na Binne
 alhier wert franciskus en fardenandt
van drij Bos-rovers aangeranst, Leander
uijtkomende, en dit ziende kompt franciskus
en fardenant te hulpe, zijn degen uijttrekkende segt
leander met een loop.     wel hoe drij tegens twe dit kan ik geensins lijje
    sa heeren hou maar moet ik sal u helpen strijje
    (335) hou daar dien lijter al
fardenant                                  en die heeft me sijn loon
leander    waar is de darde nu
fardenant                                die is bevreest voor doon
leander    gij heeren segt mijn eens hoe qam gij an dit twiste
fardenant    om datmen 't geen men heeft so graag nog niet en mist
    ’t sijn schelmen die op buijt gaan loeren over al
leander    (340) de sulcken men als die dus braaf begroeten sal
franciskus, zugtende    aij mijn
leander daarop segt                  hoe heer gij sugt
franciskus                                                            ik sugt
leander                                                                            waarom
franciskus                                                                                    om reden
leander    hoe na bent u gewondt in een van uwe leden
[pag. 128]
franciskus    gans niet mijn heer
fardenant tegen leander              o neen dit is de reden niet
leander    mijn dunkt gij bijde treurt wat is u voor verdriet...
franciskus    (345) mijn dogter ben ik qijt
fardenant                                                  mijn suster is verloore
leander    hept moet hoe heet u kindt
franciskus                                          haar naam is Leonoore
leander tegen fardenant    u suster
fardenant                                        me alzo
leander                                                          is dit u vader dan
fardenant    o jaa ’t
leander tegen franciskus    wel hoe mijn heer bent gij de vader van
    hem
franciskus    jaa ’k
leander                  siet hier gij twe het endt van u elende
    (350) sou ’t u geen wonder sijn dat ik u dogter kende
franciskus    mijn dogter leeft die nog
fardenant                                            mijn suster nog niet doodt
franciskus    o blijtschap onverwagt
fardenant                                          o vreugde wonder groodt
franciskus tegen leander.    waar is mijn dogter
fardenant tegen leander.                                waar ’s mijn suster
leander                                                                                    staakt deese rede
    ik sal op staande voet gaan na u dogter trede
    (355) vertoeft een wijnig hier gij sult u dogter zien
    ik sal mijn haastig spoen
franciskus en fardenant       u wil die sal geschien

 Leander sijn best na Binne, kompt meteen
weder uijt met de verdwaalde leonoore
die haar vader van verre ziende, loopt haar
Best hem tegemoet, en zegt

leonoore    mijn vader
franciskus                og mijn kindt
fardenant                                        wat vreugt kompt ons ontmoete
    mijn suster
leonoor          og mijn broer
francis, tegen leander          ik buijg mijn voor u voete
leander    o neen staat op mijn heer
franciskus                                        de Gooden sij gedankt
    (360) wat ijst mijn heer tot loon
leander                                            wat dat mijn ijs belankt
    dat sal wel gaan vergun mijn dit in u verblijje
    dat ik u dogter mag tot in haar huijs gelijje
franciskus    u wil die sal geschien ’k hou mijn an u verpligt
    u naam zal sijn gedanckt so lang dat helder ligt
    (365) sijn gulde glans ons geeft
fardenant tegen leander                  u naam zal zijn geprese
    so lang daar sterren aan het firmament sal wese
leonoor tegen leander    u deugt die sal van mijn zo lange sijn geroempt
    so lang men hier op d’ aard’ de mensche menschen noempt
franciskus    ’k sal u gehoorsaam zijn so lang als ik sal leve
fardenant    (370) ik wil mijn in u dienst gewillig over-geve
leonoor    ik ben u dienares
leander tegen leonoor          en ik u dienaar ben
    u slaaf en al het geen dat ik niet noemen ken
    volbreng maar mijn begeert stelt alle praat ter sijje
    dat is vergun dat ik u dogter mag gelijje
franciskus    (375) het wert mijn heer vergunt
leander                                                              kom gaan wij ’t saamen heen
francis, fardenant,leonoor    gij sult ons gunste zien eer wij nog van u scheen
Alle na Binne



[pag. 129]

Leander uijt aan d’ ene zijde, een
Boer uijt aen d’ander zijde

leander roept    seg huijsman
boer                                        wat is de vraag
leander                                                            wilt gij wel gelt verdiene
boer    jaa ’k heer
leander                  maar dan moest gij u trouwe hulp mijn liene
Boer    wat wilt gij voor een hulp
leander                                          niet anders als dat gij
    (380) maar tot de middag toe mijn trouwe bode zij
Boer    ik ben te vreen wat brief sal ik voor u bestelle
leander    geen brief
boer                          wat dan
leander                                  gij sult een korte reen vertelle
    daar ginder aan mijn knegt
boer                                        maar heer dit is vrij gelooft
    de boere hebben geen goet morij in het hooft
leander    (385) gij meent memorij
boer                                                  ja mal-morij is mijn mene
    kom zegt maar u belang ik zal met een gaan gene
leander                              gij sult hem zeggen dit u heer die heeft gedaan
    een Brave vangst en is daar me na huijs gegaan
    gaat volgt hem daad’lijk na dit is u heerschaps zegge
Boer    (390) maar heerschap ’k voel daar in mijn hooft wat swaar hijt legge
leander    wat swaarhijt
boer                                als u knegt mij vraagt wat dat gij heeft
    gevangen
leander        segt een Hart
boer                                    morsdoodt
leander                                                neen dat nog leeft
boer    goet heer kom geeft maar gelt ik sal dit wel beschicke
leander hem Gelt gevende     bent gij hier me te vreen
boer dit besiende                                                    wat sijn dit silvre sticke
Leander     (395) kent gij geen gelt
boer                                                ja heer hier ben ik me te vreen
leander    nu doet u bootschap wel
boer                                                ik zal en ga so heen
    heer nog een woort wanneer en waar sal ik hem vinde
leander    ontrent de middag
boer                                      wel
leander                                        daar ginder aan die linde
boer    goet goet gaat nu maar heen
leander                                              nu doet u boot schap wel
boer    (400) ’k sal maacken dat gij van den boer niet klaagen sel
Bijde Binnen elk sijns weegs



Veranderinge van tooneel, het selfde is
gelijk als op folij [...]

Glaboor aan de Linde

hier is de rennevoe hier onder dese linde
hier sal leander heer zijn knegt Glaborus vinde
ik armen suckelaar hoe zal het met mijn gaan
ik hep nog haas nog knijn nog niet een Bril gevaan
(405) ’k verlang te weten wat mijn heertjen heeft gevange
en ook den honger doet mijn sop er me verlangen
[pag. 130]
’k sien ook dat foebus heeft den middag al gehaalt
’k sien dat hij al vrij hart na thetijs schoot neer daalt
laat sien wat zal Glaboor tot tijtverdrijf nu snappe...

Den Boer uijt — hij Glaboor
ziende, zegt, stil

Boer     (410) daar sit hij al ik sal met een so bij hem stappe

Glaboor den Boer siende zegt

Glaboor    wel huijsman wat is ’t woort
boer                                                        u heer die heeft gedaan
    een Brave vangst en is daar me na huijs gegaan
    Gaat volgt hem daad’lijk na dit is u heerschaps zegge
Glaboor    wel dit gaat gij Glaboor al fijntjes voore legge
    (415) mijn heer na huijs
Boer                                    na huijs
Glaboor                                            wel dit smaakt niet seer soet
    ik meen dat dit gedoen al vrij wat wesen moet
    dit kompt mijn duijster voor ik kan dit niet wel tasten
    ’k hoor ’t sou voor mijn hier sijn goet wagte maar qaat vaste
    wat heeft hij voor een vangst
Boer                                            een hart
Glaboor                                                      een hart
boer                                                                        een hart
Glaboor    (420) dit woort dat stoot Glaboor sijn qaathijt weer om vart
    is ’t levent of is ’t doodt
boer                                    ’t is levent
Glaboor                                                wel gans kragte
Glaboor    nu blijft Glaboor alhier geen half qartier meer wagte
    nou huijsman ’t gaat je wel ’k bedank je voor die maar
Glaboor Binne
Boer    ja eet daar eens wat of ik stap hem soetjes naar
Boer me Binne

ijnde van dit
eerste deel

Continue
[
p. 131]

                        Koemedie van
                Leander en Leonoore
                Blij-ijndent treur-spel        ’t wede deel

in-hout van dit tweede deel

    Leander die ver-agt de jagt en kiest de min
Glaboor dit wetende die gaat de min veragte
en schildert uijt de min so lelijk bij Gans kragte
    dog na beloftenis so is ’t wel met sijn Zin.

Het toneel verbeelt de slaap-kamer
van Leander, dewelke in de selve in
sijn nagt-gewaat vertoont. en zegt·

(425) Kom foebus met u Glans en helder ligt verschijne
doet door u ligtent ligt de duijsterhijt verdwijne
op dat ik ’t ligt mag zien van dat hart dat mijn hart
door ’t aansien van haar glans verligten zal mijn smart
’k zien dat aurora kompt al spoedig aangeloope
(430) ’k zien dat apollo doet zijn goude kamer oope
nu hoop ik dat ik haast aan-schouwen zal die vrugt
daar ik zo na verlang en menigmaal om sugt
nu sal leander eens met oogen aan gaan schouwe
het alder schoonste schoon en ’t puijckste puijk der vrouwe
(435) geen lust geen vreugt geen jagt Leander meer behaagt
voor dat zijn zieltjen heeft verkreegen dese maagt
die maagt dat hartjen is dat ik eens hep gevange
na dat hart wagt mijn hart met wenschen en verlange
mijn hart dat brandt van min nu zal ik kiesen gaan
(440) die lieve min-Godin in plaatse van Dijaan
’t is waar ik heb mijn knegt het alles klaar doen maake
om weer ter jagt te gaan maar ’k sal die jagt nu staake
ik pleeg een ander jagt ik volg een hart op ’t spoor
daar ik de jager ben en ’t hartje Leonoor
(445) dat hartje jaag’ ik na· ag kon ik dat maar krijge
ik zou... wat hoor ik... sus Leander wilt wat swijge...
mijn dunkt het is ’t geraas van ’t jagers tuijg... o jaa ’t
dat is mijn knegt Glaboor die hem berijden gaat
om weer ter jagt te gaan maar ’t sal hem seeper misse
(450) het gaat wel heer wel knegt dat ’s bijden uijt haar gisse
wel gissing missing maakt so is het vaak met mijn
zo zal het met mijn knegt Glaboor van daag me zijn
dies gaan ik na mijn Hof met spelende gedagte
en zal ’t gewenste wit met lijtsaamhijt verwagte
Leander Binne



Nelle haar heer beluijstert hebbende uijt

(455) wat heeft mijn oor gehoort sou dit wel waarhijt zijn
dat hij wil vrijjen gaan ’t geloove schort an mijn
’t geloof van mijn is ja sijn wesen en maniere
die wijsen ’t uijt ik seg sijn vreugden en plijsiere
dien hij voor desen plag te hebben in de jagt
(460) gelijk ik sien en hoor wert nu van hem veragt
[p. 132]
ik hebber op gemerkt van die tijt kors verlede
wanneer hij met dat hert qam spoedig thuijs getrede
k meen dat hart dat zijn hart doet branden inde min
dat’s Leonores hart ik beel mijn aars niet in
(465) so dat ik zeggen wil van dien tijt heeft zijn wese
gestaan als ofmen kon de Min uijt ’t aan-sigt lese
en ’t is ook wis en vast ik twijfel daar niet aan
of heerschop heeft in ’t zin uijt vrijjen nu te gaan
ik wou maar dat hij ’t deed want dan krijgt pieternelle
(470) een mooijje bruijlofs stik hoe wou ik die dan qelle
die mijn qelt alle daag en zeggen als dat ik
dat ’s nooijt genieten sal van hem een bruijlofs stik
en dat om dat hij heeft soeten staat van ’t huw’lijk
staag uijt gescholden voor een staat af-grijs en gruw’lijk
(475) hoe wou ik dan Glaboor me houwe voor de zot
want hij gelijk de rest mijn alle daag bespot
o wist hij dat sijn heer genegen wat*tot trouwe
van droefhijt zou hij ’t hooft met bij zijn handen krouwe
daar kompt Glaboor ik swijg hij meent dat ’t heerschop slaapt

Glaboor uijt

Glaboor    (480) wel nel dit dunkt mijn vrempt dat gij hier staat en gaapt
    bent gij niet bang dat u mijn heer op ’t bedt sal trecke
nel    neen spottert gaat gij maar en wilt u heer op-wecke
    jou tijt die isser al

Glaaboor kijkt in de koetse, en segt

Glaboor                      hoe hier legt niemant in
    waar is mijn heer... zeg nel
nel                                          hij ’s besig inde min
Glaboor    (485) waar seg je dat hij is... wil nelle nou niet spreeke
    waar is hij zeg
nel                      aldaar daar hij zijn hooft gaat breeke
Glaboor    waar me
nel                          met harte jagt
Glaboor                                          goet goet kom zegt mijn maar
    waar dat hij is
nel                      Glaboor gelooft mijn hij is daar
    daar hij vast pracktiseert op hoop en met verlange
    (490) op wat mannier hij best het hartje weer zal vange
Glaboor    wel nelle bent gij zot hoe na meent gij dat hij
    in ’t harte vange staag geluckig is voor mij
    ik meen mijn heer en zal soo ligt geen hart meer krijge
    gelijk voor leden rijs
nel                                  ik meen gij sult wel swijge
    (495) wat voor een hart het was dat hij gevangen heeft
Glaboor    dat is mijn leet genoeg
nel                                                en of dat hart nog leeft
    gij ook niet klappen zult
Glaboor                              hij laat dat niemant wete
nel    ik weet het
Glaboor              gij
nel                          ja ik
Glaboor                          weet gij mijn heers sekreten
    die ik niet weten mag daar speelt de koeckoeck me
    (500) wel leeft dat hart dan nog
nel                                                weest gij maar wel te vre
    gij sult het metter tijt wel sien en ook wel hoore
    of ’t leeft en wat het is
Glaboor                            ik sla-je voor jou oore
[p. 133]
    of geev’ u een voet in ’t gat so jij mijn ’t niet en zijt
nel    wel dunk jou ’t goet. sla toe
Glaboor                                          wat brilt mijn dese mijt
nel    (505) wat brilt mijn dese gek ik wilt jou nou niet zegge
Glaboor    ik sal jou strak die vuijst... gaan aan jou kaaken legge
    is dat al uijt jou sin van lestent
nel                                                  loop gek loop — — — — Belij na Binne

Glaboor    ’t is veel dat ik de kap niet van haar kop en stroop
    sij wilt niet segge neen Glaboor mag dat niet wete
    (510) maar ’k sien wel dat de tijt hier wert onnut verslete
    Glaboor die sal sijn heer met haast eens soecken gaan...
    mijn dunkt soo ik wel sien so komt hij selfs daar aan

Leander uijt, Glaboor hem tegemoet en segt

    hoe heer bent gij al op wel dit lijkt seper gecke
    ik sogt u op het bedt en dogt u op- te wecke
    (515) al ’t goetjen is al klaar ’t geen tot de jagt behoort
    wel hoe wel wat is dit... mijn heer spreekt niet een woort
    mijn heer
leander        Glaaboor wat is ’t
Glaboor                                      so spreekt
leander                                                      wat sou ik spreeke
Glaboor    gelieft mijn heer...
leander                                  wel wat
Glaboor                                              wel wat sijn dit voor streeke
    mijn heer hept gij mijn Gisteravont niet belast
    (520) dat ik klaar maaken sou ’t geen tot de jagt al past
leander    o ja ’k ben ook gereet en vaardig om te jage
    maar tot een knijn nog haas en heb ik geen behage
Glaboor    hebt gij dan beter lust te jagen Hart en...
leander                                                                      stil
    een hart meen ik
Glaboor                  wel kom die wil ik ook wel wil
    (525) maar dit’s mijn wille me als gij een hart sult krijge
    so moest gij dit als lest an mijn dan niet verswijge
leander    so haast als ik het heb ’k sal ’t niet verswijge neen
Glaboor    heer hout u woort maar
leander                                          ’k sal
Glaboor                                                  Glaboor is nu te vreen
    al wout gij beer en wolf en leeu en tijgers vange
    (530) Glaboor die wil met lust sijn lust daar me aan hange
leander    o neen een hart alleen mijn vergenoegen kan
    en meer begeer ik niet
Glaboor                          dat ’s goet kom gaan wij dan
leander al lagchende.    ha... sot wat meent u heer
Glaboor                                            hij meent een hart met hoorne
leander    o neen
Glaboor              mijn heer gij zout Glaboor wel ligt vertoorne
    (535) of hoe na hout gij mijn al me al voor de zot
    gelijk ik strak nog wierdt van onse nel bespot
leander    laat gij jou van de mijt bespotten die voor dese
    tot u vermaak en vreugt plagt u sottin te wese
Glaboor    teu teu mijn heer dat ’s niet kom maaken wij maar gang
    (540) ik heb nogt jagens lust
leander                                      ik me, maar ik verlang
    na foebus komst die nu al hart begint te koome
Glaboor    ’k heb u mijn heer dat ’s wis nog nooijt so hooren droome
    heer eer dat foebus steekt sijn hooft uijt d’oceaan
    zo zijn wij al in ’t Bos
leander                            dat ’s waar kompt laat ons gaan

Bijde na Binne



[p. 134]

Glaboor uijt

(545) Het is hier slegt gestelt mijn heerschop die heeft kure
glaboor wert sat met hem so dit nog lang wil dure
dan wil hij dit dan dat dan wil hij dus dan zo
dan is ’t eens ag ag ag dan is ’t eens hie ha ho
neen seper dit gedoen dat heeft al-wat te segge
(550) ’k kan niet bedenken wat dat hem in ’t hooft mag legge
dat hij dus malt en maalt en loopt dan hier dan daar
en kijkt staag na de lugt gelijk een starre-naar
eerst was Glaboor kom sa en wilt u lustig preste
en nu... daar kompt hij weer o hooft vol muijse neste

Leander uijt

leander    (555) Glaboor
Glaboor                          mijn heer
leander                                            hoort hier
Glaboor                                                            ik kom
leander                                                                          mijn harte brandt
Glaboor    Pasjenoij ij heer zet dit mallen aan een kandt
leander    Glaboor ’k jaag na een hart dat nu niet is te vinde
    in ’t Bos gelijk voorheen
Glaboor                                hoe waijje nu de winde
    so wonderlijk mijn heer
leander                                Glaboor ’k jaag na een hart
Glaboor    ij heer swijg stil Glaaboor die is genoeg verwart
    met ooren en verstant staan ik na jou en luister
leander    Glaboor raat wat ik jaag
Glaboor                                        mijn heer gij spreekt te duister
    ik zien niet wat gij segt veel minder wat gij mient
    maar so veel hoor ik wel dat die praat mijn niet dient
    ’k versoek aan u mijn heer een antwoort op mijn vrage
    ik vraag wat voor een hart gij jaagt of zoekt te jage
leander    dat hartje dat ik jaag Glaboor dat is een mens
    als ik dit vangen kan so gaat het na mijn wens
Glaboor    siedaar daar gaat mijn vreugt mij in mijn schoenen sacke
    wel segmen ’t vrijje kompt so schielijk op als kacke
    mijn heer... mijn heer... hij ’s doof... mijn heer
leander                                                                wat is ’t Glaboor
Glaboor    dat zeggen dat gij segt dat kompt mijn vreempt te voor
    gij hept na dat ik hoor nu Hiepomenes zinne
    die atalante eerst veragte doen gink minne
    mijn heer ’k raat u dat gij die loop-baan niet en kiest
    so gij de prijs niet windt u leven ligt verliest
    of spot gij met Glaaboor
leander                                gij moogt mijn vrij geloove
Glaboor*  zo breng ik zonder vreugt al ’t jaag-tuijg weer na boove
vóór vs. nn de persoonsaanduiding Glaboor ontbreekt
    de honden weer in ’t nest de paarden weer op stal
    want die tot sulcken jagt u niet wel dienen sal

Glaboor heen gaande, so roept Leander

    Glaboor
Glaboor      mijn heer
leander                      ’k sal nu de beeste jagt gaan staacke
    en sal mijn van nu af met mense jagt vermaacke
    ik min een maagt Glaboor wiens over-soet gelaat
    het alderschoonste schoon vrij ver te booven gaat
Glaboor    hoe kan een maagt in u so een verandring maake
    wilt gij nu om een maagt die lieve jagtlust staake
    gij bent... ik zeg dit stil een zot een gek een nar
    ’k wil sien of ik die wil kan stooten weer om var
    dit sou mijn schaad’lijk zijn ik meen dit te belette
    soo ’t mooglijk zijn zin daar bodt van af te zette
    ’t is of ik daar alre mijn droefhijt al in zien
    want trout mijn heer ’t is wies dat ik twe heeren dien
[p. 135]
    ’k hep daar excempels van de knegs van klaar en teuntje
leander                                        wat segt gij
Glaboor    falala... niet heer ik sing een deuntje
    maar heer dit dunkt mijn vreempt
leander                                        wat tog
Glaboor    o broek dat gij
    de jagt verwerpt en kiest de maffe minnerij
    hoe kan jij ’t doen mijn heer die soete jagt-lust hate
    ik spring haast uijt mijn vel ik kan niet langer prate
leander                                        Glaboor gij praat als of gij bent berooft van zin
Glaboor    en gij mijn heer gelijk een... ’k haal mijn woort weer in
    ik moet voorsigtig zijn ik zal mijn qaat-hijt staacke
    ik sal op dese wijs de min hem tegen maacke
    mijn heer so legt gij dan u zinnen na een meijt
leander                                        o jaa ’k
Glaboor    Zo hoort eens aan wat dat Glaboor u zeijt
    o wist gij wat dien staat al baart o bitter lijje
    gij zout zo ligt u zin niet zetten tot het vrije
    of dat gij maar eens in dien minne-spiegel keek
    ’k wed dat de minnelust strak voor de jagt-lust week
leander                                        Glaboor dat ik eens in dien spiegel qam te kijcke
    ’k sou sien dat jagt-lust voor de minnelust moet wijcke
Glaboor    de min verwekt
leander                                        wat
Glaboor    leet
leander                                        Glaboor hoe praatje dus
    de min verwekt
Glaboor    wat
leander                                        vreugt
Glaboor    een streijt heer in jou mus???
    ij lieve zegt wat vreugt haalt men dog uit het vrijje
leander                                        hij haalt een zoete rust
Glaboor    hij haalt een droevig strijje
leander                                        een eerbare huijse maagt
Glaboor    die keert u ligt de nek
leander                                        die geeft een lieflijk woort
Glaboor    of wel een vuijle bek
leander                                        sij toont een soet gesigt
Glaboor    ja als een tijgers wese
leander                                        veel smarten sij geneest
Glaboor    sij mogt een vijg genese
leander                                        sij is een sindelijk vat
Glaboor    of vuijle morsepot
leander                                        sij hout een zoet vertrek
Glaboor    ja als een varkens kot
leander                                        sij is van waarhijt vol
Glaboor    of wil gedurig liege
leander                                        sij blijft stil in haar huijs
Glaboor    gelijk de swaluws vliege
leander                                        sij staat haar minnaar bij
Glaboor    daar ijder een me gekt
leander                                        sij geeft de selve troost
Glaboor    dat hem tot droefhijt strekt
leander en so hij is getrouwe
Glaboor    so is ’t een manne-plager
leander                                        so maakt s’ haar man tot roem
Glaboor    of tot een hoorendrager
leander                                        sij is haar man een vreugt
Glaboor    ja op het ledekant
leander                                        sij brant van liefd’ tot hem
Glaboor    gelijk als ’t water brant
leander                                        sij is een schoone schat
Glaboor    die niet een duijt mag gelde
leander                                        sij spreekt haar man soet an
Glaboor    met rasen tieren schelde
leander                                        sij is??? met deugt verviert
Glaboor    gelijk een vuijlis vat
leander                                        sij geeft een zoet gestreel
Glaboor    gelijk een boose kat
leander                                        sij blijft maar bij haar man
Glaboor    gelijk de nuwe moode
leander                                        sij is een hulp in huijs
Glaboor    die niet en is van noode
leander                                        sij geeft een huijs volvre
Glaboor    een huijs vol twist en bloet
leander                                        sij maakt het zuur tot zoet
Glaboor    of ’t soet gelijk een roet

[p. 136]
leander                                        kortom Glaboor de min en egt aan een geschaackelt
    geeft niet als enkel vreugt
Glaboor    o lieve dat ’s gekaakelt
leander                                        o vreugde zonder maat
Glaboor    o droefhijt zonder tal
leander                                        o aldersoetste zoet
Glaboor    vermengt met bit’re gal
    mijn heer nu is ’t mijn beurt keert nu eens u oore
    ik sal u eens in ’t kort wat anders laten hoore
    wanneer een vrijjer nu met min-lust is belaan
    wat vangt hij om de mijt al vreemde grillen aan
    hij schikt en pronkt hem op van ’t hooft tot aan de voete
    om onberispelijk zijn liefje te ontmoete
    dan gaat hij dag en nagt verzinnen hoe dat hij
    aan leggen zal zijn zoet geblij en vlijjerij
    moet hij niet waar zij is haar overal na loope
    deur dun deur dik deur drek deur vuijle vullis hoope
    mag hij wel eens alleen bij jong gezelschap zijn
    sonder zijn lief on een dat baart strak groote pijn
    mag hij wel bij een aar sonder haar weten praten
    of zij zal hem terstont als een jaloerse haate
    al wat zij hem maar heet al wat zij hem gebiet
    dat moet dien bloedt strak doen of anders deugt-het niet
    mag hij als hij met haar aan ’t gast-maal is gesete
    met lust met rust met vre zijn buijk wel eens vol ete
    dan is ’t eens geeft mijn dit dan is ’t eens geeft mijn dat
    het gaat soo ’t gaat de mijt die schort geduurig wat
    en is het dat hij is wat haastig in zijn ete
    so wort hem dit van haar al blindelings verwete
    want zij een ander zegt ij ziet eens dat ’s een vraat
    die mijn gans niet en dient en geensins aan en staat
    daar gaat de liefde dan als rook en smook verdwijne
    en mag sijn leven bij sijn lief niet meer verschijne
    moet hij ook niet als zij indien hij haar behaagt
    niet treuren als zij treurt niet klaagen als zij klaagt
    moet hij niet als zij schrijt terstont zijn lagchen staacke
    en ’t lije dat zij lijt moet hem aan ’t hart me raacke
    is zij bedroeft hij ook is zij verblijt hij me
    schoondatter in zijn hart legt een bedroefde we
    alzo haar wesen is moet hij het zijne sette
    en moet gestaag op haar parmantig troonij lette
    en als dien bloedt dan heeft gedaan haar wil alleen
    so loopt hij nog op ’t lest aan haar een blauwe scheen
    om kort te zijn mijn heer de min steelt u coerasje
    gij haalt in plaats van vreugt veel droefhijt en qellasje
leander                                        Glaboor ’t schijnt dat gij zijt een hater van de min
    een spotter van een maagt
Glaboor    ik weet wel wat ik bin
leander                                        gij weet niet wat gij zegt
Glaboor    u hooft berooft van zinne
    wat haalt gij anders als veel hart-sweer uijt het minne
leander                                        Glaboor de min die is het aldersoetste zoet
    het welk een minnaars hart met zoetigheden voet
    ik zeg een minnares kan haren minnaar geve
    door liefde heul en hulp, en zoet vermaacklijk leve
    laat praten al wie wil en wie hier tegen zegt
    zijn spotters van de min en haters vanden egt
    de min moet zijn gepleegt den trou die is van noode
    de schepper van dit al die heeft het zelfs geboode
    door d’eerste mens die in leanders zin staag speelt
    door die is min en egt zeg ik eerst afgebeelt
    wel zal den mens dit dan zo hart’lijk tegen-spreeke
    en zoeken min en egt zoo schandig gaan verbreeke

[p. 137]
    wel so de min en egt tot niet eens wierdt gebragt
    segt waar blijven sou het menschelijk geslagt
    de schepper van dit al die heeft denmens geschape
    en die geboon dat hij alleen niet hoeft te slape
    die dit gebooden heeft moetmen niet weder-staan
    indien een ijder mens zijn oogen eens liet gaan
    over het stom gediert hij zou gewis bevinde
    dat ’t kleijnste beesje zelfs gaat zoeken zijn beminde
    wel sal het stom-gedierte mijn voorgaan inde min
    o neen ik leg op min en egt mijn hart en zin
Glaboor    mijn reden heeft geen ??? ’t is moeijten schier verloore
    maar zoet allijcke wel laat ik mijn nog eens hoore
    mijn heer o dat je wist wat min al hartsweer bragt
    ’k wil wedden dat gij nooijt om enig minne dagt
    den een werdt daar door zot een ander tijt op ’t holle
    een damon gaat te raat met hex toov’res en kolle
    en gaat en sust dat geen mens weet wat zulk een schort
    ik swijg nog van die geen die haar selfs doen te kort
leander                                        ’t is waar Glaboor ’k beken ’t dat sulc al-so geschiet-is
Glaboor    ik zeg en ’k blijver bij dat ’t vrijjen een verdriet-is
leander                                        ik zeg de min die geeft de jeugt het zoetste zoet
Glaboor    ’k zeg dat gij lust en vreugt wel bijde missen doet
leander                                        Glaboor soumen zijn lust- en vreugt daar door verliese
    gans niet als d’een niet wil gaan ik een ander kiese
Glaboor    dit is wel waar mijn heer maar ’t is om niet gesegt
    al gij u zinnen heeft op ’t mijsje vast gelegt
    en gij en krijgt die niet mijn heer dan ist geschete
    of moet een Hijlas zijn
leander                                        Glaboor dit moetje wete
Glaboor    wete wat
leander                                        let wel
Glaboor    ik zel
leander                                        wanneer een vrijer vrijt
    moet hij hem waapenen met gedult en lijtsaamhijt
    als hij maar heeft die twe behoeft gij niet te denke
    dat ’t alder-qaatste qaat sijn zinnen so sal krenke
    dat hij wort dol of zot of sal gaan hollen heen
    of halen bij een hex of kol veel dwase reen
    of doen hem selfs te kort gij moet al anders prate
    Glaboor eer ik de min en egten-staat sal hate
Glaboor    wel kom al weer mijn heer de min eens aan een kant
    en nemen nu de trou en vrou eens bij de hant
    so dra gij zijt getrout heer let wel op die knepe
    so hebje een blok aan ’t been dat gij staag na moet slepe
    hept gij een vrou die schoon en vroolijk is van geest
    die maaktu met verlof... wel tot een hooren-beest
    hept gij een die mismaakt of met on-effen lede
    ’t hart heptgij qalijk om met haar ten beurs te trede
    hept gij een totebol of vuijle morse-pot
    so houtmen u voor gek en drijft met haar de spot
leander                                        hout op Glaboor een schone vrou sou des?? verzaacke
    haar eer en zous’ haar man tot hooren beest juijst maake
    schoon sij is onvolmaakt en morsig booven dien
    wel soumen hem daarom niet durven laten zien
    of houwen hem voor gek weg weg met zulcke grille
    gij gaat maar met u praat onnutte tijt verspille
Glaboor    vergeefs is al mijn praat. ’k zeg dan met drooge jaap
    ’t is even eens of ik tegen een ooven gaap
leander                                        Glaboor ’k dogt dat gij mijn sou tot een hulp verstrecke
Glaboor    mijn heer ’k dogt door mijn praat u daar bot af te trecke
leander                                        maar waarom spreektgij meijn zo tegen desen staat
Glaboor    omdat een knegt dient twee heren nooijt wel gaat
leander                                        ’k meen dat ik was getrout sout gij twe heren diene
Glaboor    o ja mijn heer jou en mijn juffer zou ik miene

[p. 138]
leander                                        die mening die is mis de knegt past op zijn heer
Glaboor    nou dat is wel de mijt
leander                                        moet doen haar begeer
Glaboor    heet men ’t niet alle daag maar alteveel geschiede
    dat nu de knegt moet doen dat juffers haar gebiede
    wel draagt nu niet de knegt haar stoofje na de kerk
    ja slimmer nog
leander                                        Glaboor dat is het mijsjes werk
Glaboor    ’k sal een excempel u hier van eens voor gaan lese
    de knegs van jufvrou klaar en teuntjen zullen ’t wese
    die mijn een voorbeelt zijn o smaat die hebben ’t qaat
    in sonderhijt den een mijn grooste kammeraat
    wat klaagt de soete knegt van mijn een droevig klage
    niet dat hij van zijn heer die smaathijt moet verdraage
    o neen zijn heer is wel maar moet o groot verdriet
    nog al gewillig doen dat juffer hem gebiet
leander                                        daar is een mijt
Glaboor    een mijt o jaa ’t dit moet ik zegge
    die tot de middag toe met ’t gadt op ’t bedt blijft legge
    een luijje vuijle fleers die niet veel meer kan doen
    als een die gans of hoen of swijnen staag moet voen
    een mijt die niet en weet een hout in ’t vier te stoocke
    veel min beqaam om wel een pot met brij te koocke
    een mijt die niet en weet hoe dat het spit moet gaan
    wanneer sij moet een hoen of weer wat anders braan
    so dat hij niet alleen zijn heer en vrou moet diene
    maar moet die luijje doos zijn handen ook nog liene
    des winters gaat sij heen in hoeckjes dog ter sluijk
    ’t gadt op een warme stoof en d’ handen bij de buijk
    nu in de zoete tijt nu ’t gras begint te wasse
    nu gaat de fleers ’t gadt uit en laat de knegt op passe
    excetera mijn heer
leander                                        ik hadt den hooij hier van
Glaboor    mijn heer wat sou die doen die aars niet doen en kan
leander                                        Glaboor ’t is lang genoeg ik hoor uijt dit u prate
    de reen waarom dat gij de min en egt gaat hate
    ’t is hier van lang genoeg kom laat ons henen gaan
Glaboor    so hept gij dan de min weer aan een zij gedaan
leander                                        o neen Glaboor gans niet
Glaboor    ik ging mij al verblijde
    wat salmen doen mijn heer
leander                                        tot ons vermaak wat rijde
Glaboor    ik ben al weer te vreen
leander                                        kom volgt mijn agter aan
Glaboor    nu mag ’t vermaak de min wel voort uijtdrijven gaan
Bijde na Binne

Glaboor met een weer uijt.

    het is vergeefs gefluijt als ’t paartje niet wil pisse
    het is vergeefs gevist daar niet en is te visse
    het is vergeefs gemikt daar ’t doe-wit niet staat wis
    het is vergeefs gepraat daar geen gehoor en is
    Glaboor die fluijt, die vist die mikt die praat o treure
    ’t is alden bril vergeefs ’k sou wel mijn reusel scheure
    ik tast mijn selfs haast aan ik bijt mijn keel strakx af
    ik sla mijn selver do... soet sagt dat was te graf
    mijn heer bemint de min hij gaat de jagt veragte
    o suijvere Dijaan beneempt hem die gedagte...
    soet daar kompt onse nel wat of die seggen wil
    ik hou mijn mondt

Nellen uijt

nel                                        wat is dit... hoe is Glaboor dus stil

[p. 139]
    wat schortje bent gij ziek hept gij niet uijt-geslaape
Glaboor    o nelle ’t is met mijn te lijdig slegt geschaape
nel                                        wat schortje
Glaboor    o mijn heer die...
nel                                        wel
Glaboor    die vrijt
nel                                        hij vrijt
Glaboor    hij vrijt o ja dat’s wis
nel                                        wie heeft u dat gesijt
Glaboor    hij zelfs
nel                                        hij zelfs
Glaboor    hij zelfs
nel                                        wie gaat hij dog beminne
Glaboor    een hart
nel                                        een hart
Glaboor    een hart ’k verlies haast al mijn zinne
nel                                        bent gij daar om bedroeft
Glaboor    bent gij daar om verblijt
nel                                        treurt gij daarom ’k seg dan dat gij een zottert zijt
Glaboor    ja nel jij praat zo wat ikweet waar mijn de schoen-wringt
nel                                        jou zottert weetje niet hoe dat de boer kees, koen-zingt
Glaboor    ik weet van geen kees, nog koen geen zang mijn meer behaagt
    mijn vreugt is uijt
nel                                        weet gij wat hartje dat hij jaagt
Glaboor    dat weet gij nelle best gij weet mijnheers sekrete
    maar dit spijt mijn
nel                                        ?.... wat dog
Glaboor    dat ik dit me niet wete
nel                                        hadt gij flus zoetgeweest en zo niet aangegaan
    gij hadt van mijn ’t sekreet des heerschops wel verstaan
Glaboor    ij nelletje zegt mijn de gront van heerschops grille
    wat hartje jaagt hij dog
nel                                        Glaboor dit is mijn wille
    datgij mijn niet beklapt
Glaboor    indien ik dat sal doen
    so braat en snijt en kerft en plukt mijn als een hoen
nel                                        u heer die jaagt dat hart dat hij eens heeft gevange
Glaboor    wanneer waarzo met wie verdrijft ras mijn verlange
nel                                        het was de laatste rijs in t bos met u weet gij
    dat hij een buijt bragt t’huijs
Glaboor    wel jaa ’k een hart
nel                                        sij hij
Glaboor    heeft hij gebeuselt
nel                                        neen, ’t was het hart van leonoore
    dat hij gevangen heeft die maagt die was verloore
    hij vondt die maagt in ’t bos en heeft die t’huijs gebrogt
    daar kompt u heer ’k moet gaan..... Nelle na Binne
Glaboor    wel wie had dat gedogt
    o jaa daar kompt hij selfs watsal hij nu weer zegge
    hoe na kompt hem de min weer dwars in ’t voorhooft legge

Leander uijt en roept

leander Glaboor
Glaboor    mijn heer
leander                                        mijn zin is weer van ’t rijden af
Glaboor    heer wil dit zo voort gaan zo raakt gij haast in ’t graf
leander                                        ag Leonoor mijn lief waartgij voor mijn geboore
Glaboor    ja hij heeft Leonoor tot minneres verkoore
leander                                        iijts doet mijn vrese wel. iijts doet mijn hoope
glaboor x leander wat
Glaboor    t....
leander                                        iijts schoons
Glaboor    ij wat tog heer
leander                                        iijts dat ik gaaren hat
    raat wat ik meen Glaaboor
Glaboor    ik zal daar eens na rade
    ik weet dat hij nu is met minnelust belade
    voor eerst vreest gij een vrees dit is zo veel gesijt
(leander) ik vrees dat die daar al mijn hart en zin op-lijt

p. 140leander                                        mijn bruijt niet worden zal wat dunkt u van die rede
    nu vaar al voort Glaboor
Glaboor    ook hoopt gij dat ’s ten twede
    u hoop is dat die geen die gij graag hebben zou
    niet wesen wil u bruijt niet worden wil u vrou
leander                                        dat ik u niet en kon Glaboor ik zoude zegge
    dat gij uit swarte school te leren hadt gaanlegge
    nu raat nog eens Glaboor op wien heb ik ’t gemunt
Glaboor    op dat hart dat u hart nu niet verloochenen kunt
leander                                        wat hart meent gij
Glaboor    dat gij nu laast maal heeft gevange
    na dat hart wagt u hart met zugten en verlange
leander                                        hoe weet gij dit Glaaboor wie heeft u dit gesijt
Glaboor    weet heer dat in dit hooft al veel verborgen lijt
    heer hept gij het ja-woort al
leander                                        daar moet ik nog om vrage
Glaboor    soo hoor ik moet gij nog een blaau bont scheentje drage
leander                                        dat schaat niet wat’s daar aan Glaaboor die waagt die wint
Glaboor    wat segt het spreek-woort heer versint eer gij begint
    het minnepat dat staat vol distels en vol doorne
    gij sout...
    ik hou mijn mont ik mogt mijn heer vertoorne
leander                                        gij sout... wat sou ik... spreek
Glaboor    gij sout dat pat niet gaan
leander lagchende ha .. sot ik trek dat eerst twe ijsre schoenen aan
    so heeft dat goet geen noot om in mijn voet te steeke
Glaboor    daar sulk gehoor is daar is ’t een verdrietig preeke
leander                                        ik hoor u wel Glaaboor
Glaboor    ja maar gij agt mijn niet
    ’t is of mijn woorden u zo regt door d’oren schiet
leander                                        ’k mag gaan
Glaboor    heer, eerje gaat moet ik u dit nog segge
    mijn dunkt...
leander                                        mijn dunkt dat gij weer soekt te wederlegge
    hoe gij de min al weer wilt praaten uijt mijn hooft
    ’t is tog vergeefs Glaaboor
Glaboor    mijn heer dit vrij gelooft
    ’k mag lijjen datje vrijt en dat gij ook mag trouwe
    wanneerje vrou haar mont en handen t’huijs wil houwe
    en mijn niet kommandeert ’k zeg ’t is een groot verdriet
    wanneer een knegt moet doen dat jufvrou hem gebiet
    dat juijst de mijt best past dat past nog voegt geen knegte
    ik hoor Glaboor dat wij die zaak wel zullen slegte
    als ik eens ben getrout ’k belooft u vast dat gij
    na niemand hooren sult als maar alleen na mij
Glaboor    heer geeft u handt hier op... so zijn dit vaste zaacke
leander                                        en booven dien ’k zal u een man der mannen maacke
Glaboor    dank heb mijn heer voor eerst, gans kragt waar wagt gij na
    wat hout u dat gij strax niet voort uijt vrijje ga
leander                                        maar belooft gij mijn een trouwe hulp te wese
Glaboor    o jaa ’k daar’s mijn handt... nu heeft gij niet te vrese
    nu raat u heer Glaboor en zegt eens hoe dat hij
    vandaag aanleggen zal zijn zoete vrijjerij
    ’k moet door u sneeg belijt nu voort te regte raacke
Glaboor    hoe heer wilt gij van mijn een kop’laar nu gaan maacke
leander                                        o neen geen kop’laar neen
Glaboor    hoe dan
leander                                        ik meen dus Glaaboor
Glaboor    in u dat het is gemunt
    op wien
leander                                        op Leonoor
Glaboor    is die naar niet versijt
leander                                        ik wil het met u overlegge
    om niet vergeefs...
Glaboor    a ha ’k weet wat mijn heer wil zegge

[p. 141]
’t ijnde van ’t wede en ’t Begin van ’t derde deel

    gij wilt voorsigtig zijn op dat gij niet aan haar
    vergeefs u hooft en stoot wat zegt gij heer
leander                                        dat ’s waar
Glaboor    laat mijn maar wat gerust ik zal de weet verzinne
    of dese leonoor een ander gaat beminne...
    dat’s haast bedogt wat is door susters niet geschiet
leander                                        sij heeft geen zusters
Glaboor    o so is die raat tot niet
    wat maagschap datsij heeft dient mijn eerst voorgeschreve
leander                                        sij heeft haar vader en een broeder nog in ’t leeve
    maar die zijn nu van huijs
Glaboor    so heeft sij ’t huijs alleen
leander                                        maar niet haar mijt
Glaboor    dat’s bon nu sal ik sien... maar neen...
    o bloet dit’s goet mijn heer Glaaboor ’t heef ’t nu getroffe
    kom nu gaat daad’lijk me laat ons hier niet op sloffe.
Bijde na Binne

eijnde van dit tweede deel



p. 116 brenge. er staat: brenge
p. 117 strekkende; er staat: strekkende)
ibid. de een er staat: den
ibid. dat er staat: doot
p. 120 knegt er staat: knengt
vs. 477 was er staat: wat

OPMERKINGEN

p133 6de regel van onderen:
Glaboor    t?? ter mijn heer dat ’s niet kom maaken wij maar gang
p. 135 12de regel van onderen:
leander                                        sij is??? met deugt verviert
pag. 137 11de regel:
Glaboor    mijn reden heeft geen ??? ’t is moeijten schier verloore
pag. 137 14de regel van onderen:
leander                                        hout op Glaboor een schone vrou sou des?? verzaacke
pag. 137 12de regel van onderen
    schoon sij is onvolmaakt en morsig booven dien
pag. 139: Tekens aan het begin van de regel: nel                                        ?.... wat dog
pag. 140: 2de regel van onderen:
Glaboor    is die naar niet versijt (of staat hier maar?)