![]() |
HIPPOLUTUS[Vignet: Perseveranter]t AMSTERDAM, |
Aan de Goddelijke, eer-en prijs-waardigste |
VOORREDEN. |
DRie voornáme saken zijnder, goet-gunstige Lief-hebbers der Digt-kunst, waar op gy, alvorens te komen tot het lesen en zien van dese Tragoedie, gebéden werdet agt te nemen. De eerste is, de Rede, waarom dit Treur-spel den naam van Hippolutus den Kroon-drager is gegéven: te weten, eensdeels omdat den voortreffelijken Euripides daar in is voor-gegaan, andersdeels om dat waarlijk, op het einde van dit Treur-spel, Hippolutus door de Regtvaardigheit met éne onsterffelijke Laure-krans wert bekroont. De twede saak is, insgelijx de Rede, die den Digter deses hebbe bewogen, om dese Tragoedie niet (gelijk nogtans verscheide andere hier te lande hebben gedaan) van woort tot woort uit de Griexe inde Neder-duitsse taal over te setten; te weten, om dat hy gezien had, dat den hoogwijsen Seneca, in het digten van sijnen Hippolytus, de vryheit had gebruikt, om, naar sijn goet-vinden, hier en daar iets te veranderen: dat ook andere Digters (het zy Latijnsse, Fransse, Neder-duitsse, of andere taal-voerende) het selfde hadden naar-gevolgt: ende dat hy by sigselven tot nog toe niet anders had konnen onder-vinden, of sulken of diergelijken verandering was tenemaal geoorloft; meinende (onder verbétering) niet onredelijk te zijn, dat een Digter, welkers ampt en pligt (volgens het gevoelen van Aristoteles) medebrengt, de mensselijke daden eigentlijk naar te volgen, die eigenste Vryheit gebruike, die Euripides gebruikt heeft, so wanneer hy bésig was om sijnen ἹΠΠΟΛΥΤΟΣ ΣΤΕΦΑΝΗΦΟΡΟΣ, ende alle sijne andere Griexe Tragoedien te digten: ende dienvolgende, sijn verstant nergens anders aan en verpligte als aan de Eigenschap selver, een Eigenschap, die het begrip van een Digter nergens anders aan en verbint als aan de Wel-gevoegsaamheit, welke Wel-gevoegsaamheit wederom van naturen te redelijk is, als datse den gemelden Digter de Vryheit, om van haar eigenselven te oordelen, souw tragten te benémen. De derde saak, waarop in dese staat agt te nemen, is, een vriendelijk versoek, ten einde niemant ligtelijk souw geloven, dat alles, het gunt in dit Treur-spel, sonder onderscheit van den een ende den ander, geseit wert, eigentlijk souw zijn het gevoelen van desen onsen Digter. In tegendeel soo verklaart hy, dat hy, naar vereis van saken, dan den een dan den ander, heeft doen uitten en staanden houden sodanigen Gevoelen, t welk hy in alle manieren verwerpt, ende in het welke hy belijt te hebben een volkomen tegenheit: Insonderheit in die lange Rede, die Venus, op het laatste vanden Tweden Handel, tegens Phaedra voert; open-hertig bekennende, dat die Rede niet en is de sijne, maar vande kragtige en buiten-sporige Liefde. Hy vertrouwt vastelijk, dat [fol. *3r] deselve wel sonder grote aanstotelijkheit niet en sal kunnen over-woge werden. Maar tot sijne verschoninge brengt hy eerstelijk by, dese jegenwoordige Waarschuwinge; vermanende een ygelijk de gemelde Rede niet anders te over-wégen, als voor iets, dat quaat en niet quaat is; quaat, voor so veel de selve kragt heeft gehadt, van tot quaat te bewegen: maar wederom niet quaat, voor so veel men deselve, na datse by een ander was gevoert, als quaat sal kunnen veroordelen. Ten anderen so versekert hy, dat sijn voornaamste oog-merk niet geweest is, énige aanstotelijkheit te veroorsaken, maar in tegendeel de manieren der personen, in dese Tragoedie te voorschijn gebragt, so eigentlijk te schicken, als hyse het aldergevoegchelijxte kost versinnen; hebbende geoordeelt, dat de Liefde, ende voornamentlijk de Liefde van Phaedra (die eigentlijk, in haar zijnde aangemerkt, niet anders is geweest als een kragtige drift of herts-togt; maar die hier, volgens t voorbeelt van alle vermaarde Digters, als een Godinne wert op het tooneel gevoert) naar haren regten aart en eigenschap niet gevoegchelijker kost vertoont werden als in haar doenmaals eige wesen, dat is inde beraat-slaginge van verscheide kragtige bewégende gedagten en overwegingen vande verliefde: welke gedagten en overweginge, indiense door de tong te voorschijn waren gebragt geweest, waarschijnelijk in geene andere redenen soude bestaan hebben, als in die gene, die door Venus daar ter plaatse werden uit-gesproken. Voor de rest werden de welgemelde Liefhebbers versogt, dit gehéle werk niet anders als met een redelijke bescheidentheit te aanschouwen, ende van het selve mede niet anders te oordelen, als dat gene, t welk het inder daat en waarheit is, te weten, een groot getal Néderduitsse verssen, die te landewaarts, gedurende enige lédige dagen, uit de willige Rijm-pen zijn gevloeit. |
SPELS INHOUT. |
THeseus, koning van Athenen, soon van Neptunus en Ætra, gewan by Hippoluta, Amazoonsse Princesse, een soon, Hippolutus genaamt, schoon van ligchaam en leden: en bestelden hem te Traezene by den ouden Pittheus, sijnes moeders (dat is Ætraâs) Vader, om in alle koninklijke Deugden onder-wesen en opgevoet te werden. Hippoluta zijnde gestorven, so trouwden hy tot sijne twede Gemalinne, Phaedra, dogter vanden koning Minos en Pasiphaë uit Creten. Dese Phaedra, ten tijde dat binnen Athenen het vermaarde feest der Mysterien wiert geviert, ende dat alsdoen Hippolutus daar mede verscheen, den jongen Prins pas voor de eerste reis hebbende aanschouwt, was door toe-doen van Venus, godinne der Liefde, van doen af aan op den gemelden jongen Prins so kragtig verlieft geworden, dat sy terstont, ter éren van de Liefde, een uittermaten hogen tempel had laten stigten, die sy nogtans naderhant opentlijk beleed en voor-gaf om de wil van Hippolutus te zijn gegront-vest. Dog naar dat Theseus, Pallas, de soon van Pandion, ende een groot getal van sijne vijftig sonen, had verslagen, ende daarom goet had gevonden, met sijn gantsse Hof-gesin, voor den tijt van een jaar, van Athenen naar de stat Traezene te vertrecken; so verworf Phaedra by die gelegentheit het dagelijx aanschouwen van den meer-gemelden Prins: waar door sy eindelijk so vurig was ontstoke geworden, dat sy vast had voor-genomen, of wederliefde te verwerven, of te sterven. Dit schandelijk voor-nemen in t werk pogende te stellen gedurende dat Theseus met den vermaarden Perithoüs naar Pluto, koning der onder-aartsse rijken, was vertrocken, om desselfs huisvrouw Proserpina tontschaken, ende den helhont Cerberus te over-winnen. So vergaderen nu tot haar behulp de Godinnen Venus en Iuno, dewelke ook, hoe seer dat Pallas Minerva daar tegenyvert, de Liefden en het voor-nemen van Phaedra voor goet-keuren; bestemmende nog van dien selfden dag Hippolutus van kant te helpen. Hy, met het krieken vanden dag tot de jagt zijnde afgevaardigt, wert met leersame lessen, door sijnen voor-noemden Over-grote-vader, tot buiten het Hof geleit. Arcas, Theseus dienaar, daags te voren de bootschap hebbende gebragt van de aanstaande thuis-komst des koninx, over dewelke de koninginne dapper verset en ontroert was geworden; so krijgen by die gelegentheit énige van hare staat-juffers een vast vermoeden van datter iets most haperen; leven raat met de Voetster, een arge feex; en komen also te weten dat de koninginne verlieft was, alhoewel sy niet èn wisten op wien. Dog de gemelde Voetster ondekt het een met het ander, en doet vervolgens ook haar uitterste best om de koninginne so schandelijken Liefden en opset af te raden. Maar Venus komt tussen beiden; neemt Phae- fol. *4r] dra, als éne Diana hervormt en gekleet, op haren Wagen; voert haar in t bos by Hippolutus; (die, om sijn dorst te koelen, allenig by een water-bron staande, van sijn geselschap was af-gedwaalt, aangehoort hebbende de vryery van Daphnis, soon van Mercurius, en Phyllis, de Schoone Bos-Nymph.) ende doet grote moeiten om den jongen Prins in het net der Liefden te verstricken; dog alles te vergeefs. Dies Iuno, naar dat den aanslag, by haar te voren over-dagt en bestemt, ook volgens haar besluit was uitgevallen, met haren wagen ter neder-daalt; Phaedra, met de aanstaande doot van Hippolustus, vertroost; ende haar, in het geselschap van Venus ende de drie Bevalligheden, weder ten Hoof voert: daar sy, volgens den raat der twe Godinnen, enen toegeségelden brief schrijft, indewelcke sy Hippolutus van Onkuisheit en Bloetschande met haar begaan te hebben, beschuldigt: en sterft. Theseus, des onbewust, zeeghaftig thuis-kerende, vint by sijne gestorve Huisvrouw den gemelden Brief: aan den welken geloof gevende, versoekt op Neptuin, die hem de vervullinge van drie Beden had belooft, de doot-straf van Hippolutus, hem middelerwijlen uit sijn Gebiet bannende. Hippolutus vande jagt weder-gekeert, verantwoort sijne saak voor den Koning: maar sonder vrugt. En wert daarom genootsaakt uit Traezene in ballingschap te vertrecken. By welke gelegentheit dàn Neptuin, de Bede van Theseus verhoort hebbende, uit sijne golven een Zé-stier seint: door schrik vande welke de paarden van Hippolutus, op t hollen geraakt, haren Meester dodelijk quetsen. Den Vader, dese tijding verstaande geeft last, datmen sijnen gebannen soon in t Hof sal brengen. Naar welken last de Godinne Diana beneden daalt, ende den koning vande ware gelegentheit der saken onder-rigt; werdende hier-èn-tussen Hippolutus in een rust-bedde ten Hoof gebragt. Iupiter en Themis dalen ter aarden om hem in sijn uitterste te vertroosten ende te bekronen: Diana belooft hem wraak tegens Venus, stelt, tot sijnder éren, een jaarlijx feest in: en Neptuin, vergramt om dat hy medepligtig was aan Hippolutus doot, stuwt sijne golven tot in de straten van Traezene, begraauwt Theseus heftig, om dat hy so voort varend is geweest om sijnen deugtsamen soon het onnosele leven te benemen, en duikt also met een norsse kop naar onderen; dandere Goden ook wederom naar bovenen vertreckende. Hippolutus, leggende op sijn laatste afscheiden, vergeeft aan sijn Vader de doot-schult: en verlaat also, tot haarder aller leet-wesen, sijn jeugdig leven. |
Namen der Personen. |
| ![]() |
|
Het Tooneel is binnen of omtrent de stat Traezene. ____________________________________________ Alle de verssen, die tussen dese twe haken [ ] staan gedrukt, zijn om sagt by sijn selven uitgesproken te werden. |
![]() |
HIPPOLUTUS |
1. Diana. Den Berg Cynthus leit in het Eylant Delos, daar sy met Phoebus Apollo in geboren is. 2. Hippolutus. 3. Venus. Als Godinne van het Eylant Cytherea. 4. De Stygisse onder-aartse Poelen. |
1. Venus. Amathus is een stat in het Eylant Cypris. 2. Diana, dochter van Latona. 3. Hippolutus. 4. Causa sine qua non. 5. Sequuntur Argumenta ex quatuor praemissis. 6. Venus. |
* Inclusio unius non est exclusio alterius: 1. Een soon van Pelops, die in sijn tijt was den Groot-magtigsten Koning van Peloponese. Desen Pittheüs is geweest den eersten stigter vande stat Traezene, en heeft alsdoen den naam gehad van den alderwijsten en verstandigsten sijnes tijts. |
Naar dese verhandeling verschijnt Hippolutus tot de jagt afgevaardigt, en Pittheüs doet hem uitgelei tot buiten het Hof; moedigt hem aan, terwijl hy naar sijne jagers moet wagten, tot de ware Deugt: en geeft hem, onder andre, seer goede lessen nopende de Reinigheit, Dapperheit, en Edel-moedigheit; seggende: |
1. De naarkomelingen van Bachus. 2. De Inwoonders van Arabien, te weten van dat gedeelte, dat met den toenaam van het gelukkige Arabien wert genaamt. |
De verliefde Koninginne wisse tijdinge van haren Man hebbende gehoort, heeft den gehelen nagt gedurende niet konnen rusten: daar over hare Staat-Iuffers bekommert zijnde, met hare Voetster raat leven. Sy gevraagt hebbende (so het schijnt) of de Koninginne niets ter werelt heeft konnen rusten, so antwoort een der gemelde Staat-Iuffers als volgt. |
Rey van Traezenisse Maagden. |
![]() |
TWEDEN HANDEL. |
Het laatste deel van de eerste Handeling wert verhandelt voor het koninklijke Hof. En wert nu de marmere slaapkamer van Phaedra geöpent, daar in sy nevens Arcas, Theseus dienaar, wert gezien. |
1. Theseus. 2. Pluto. want Phaedra had haar selven ingebeelt, dat, terwijl den Koning so lang was uit geweest sonder van hem eenige tijding te horen, hy in Plutoos rijk voor altijt zou gebleven zijn geweest. |
1. Hippolutus, voor-soon van Theseus. |
1. De Maan, suster van Phaebus Apollo, de Son. |
I. Narrat amoris originem. 2. by den ouden Pitthëus. 3. der Mysterien van Eleusine, Thesmophoria geheten, ende ter éren van de Godinne Ceres ingestelt. En wiert het selvige met so uitstekenden heiligheit en aanzienlijkheit gehouden, dat ook den vermaarden Hercules, Castor, en Pollux voor sonderlinge eer hebben gerékent als Gebroeders van de voorsz. heiligheit en aanzienlijkheit ingeschreven te zijn geweest. |
1. Pallas is geweest een soon van Pandion, en soons-soon van Erechtheus, die Koning van Athenen was. Den gemelden Pallas wert geseit vijftig sonen by verscheide Vrouwen te hebben gehad: ende van voornémen te zijn geweest Theseus uit den troon van Erechtheus te ligten: dat hy daarom nevens sijne voorsz. sonen en Vrienden de wapenen had aangenomen, ende sijn gantsse magt in twé hopen verdeilt, treckende met de éne hoop regt naar de stat, ende de andere hebbende verborgen in een seker Gehugt, Gargettus genaamt: Dog Theseus sulx te weten zijnde gekomen, is kloekmoedig eerst op de lage-leggers aan-gevallen, en heeft haar so dapperlijk besprongen, dat sy alle te samen aldaar het leven hebben gelaten. d Andere dit verstaan hebbende, zijn, naar korten tegen-stant, op de vlugt gedréven, met verlies van haar Opper-Hooftman Pallas. |
1. Weidende negen achtereenvolgende jaren het Vé van Admetus Koning van Thessalien, in de velden van Elis en Messenien, in Peloponese: of (so andere met groter waarschijnelijkheit meinen) in de Velden van Magnesien, gelegen in Thessalien; ende dat puur allenig ter liefde van de Dogter des gemelden Koninx. |
Venus, de Godinne der Liefde, wert door Cupido van ter zijde gevoert in de marmere slaap-kamer, hier voor vermelt, en spreekt tot Phaedra dese naar-volgende lange Reden. |
1. Dissuadendi duo argumenta, Incestus nefarius & Adulterium. 2. Nec ipsa Naturae lege, nec recta Ratione prohiberi amores probare conatur. 3. A brutis animalibus deductum argumentum. |
1. Den eersten stigter van Thebe, soon van Agenor, en broeder van Europa. 2. Ad postremum jam transit dissuadendi argumentum, nempe Adulterium. |
De Koningin vertrekt met Venus, en de Voetster blijft alleen, en spreekt als volgt. |
1. Hippolutus, Theseus Voor-soon. 2. Phaedra, dogter van Minos en Pasiphaë. |
Rey van Traezenisse Maagden. I. GESANG. |
I. TEGEN-GESANG. |
II. GESANG. |
II. TEGEN-GESANG. |
TOE-SANG. |
![]() |
DERDEN HANDEL. |
Het Tooneel is verandert in een Bosschaadje, in het welke Hippolutus, van sijne jagers afgedwaalt, allénig by een Fontein staat, water scheppende, en sprekende als volgt. |
Phyllis, de schone Bos-nymph, neder-geseten, singt de naarvolgende verssen. |
Daphnis den Herder, gespróten van God Mercuur, ontmoet by dese gelegentheit sijne beminde, en spreekt op sijne éne knie nedergebogen, terwijl Hippolutus ongemerkt toeluistert, dese redenen. |
1. Verlieft op de schóne Herse, en andere, |
1. repetit priora Daphnidis verba. |
Phaedra, gekleet als de Godinne Diana, geseten in de wagen der Liefde, daalt nevens de Godinne Venus ter aarden. De gemelde wagen wert omringt door de drie Bevalligheden, Pasithea, Thalia, en Euphrosyne genaamt: die, terwijl deselve neder-daalt, singen als volgt: |
1. Diana, dogter van Latona, die staâg maagt is gebleven: en oversulx nooit met de Liefde heeft kunnen verénen. 2. Die door een wilt swijn wiert omgebragt: waar over Venus met haar wagen ter aarde daalden om sijne doot te betreuren. |
1. Endymion. 2. Actéon. |
Cupido, nederdalende op sijne vlerken, seit |
Mit schiet hy een pijl, maar treft niet, uit oorsaak dat Hippolutus deselve ontwijkt. Dies vliegt hy, van spijt verbolgen, strax wederom weg. |
1. Dat is met sulken Min-verdrijvenden pijl, als daar Daphne mede wiert geschoten. |
1. Diana, te Delos geboren. |
1. Iupiter, Calisto willende ontéren, had sijn selven hervormt in de gedaante van Diana. 2. Venus. |
1. Pasiphaë, die, op een stier zijnde verlieft, haar selven in een houte koe, door Dedalus seer konstig gemaakt, liet sluiten, ende also, selfs den stier bedriegende, bevrugt wiert, voort-brengende het monster Minotaurus, half mens half stier. |
Iuno daalt in een vertooning ter neder, en voert dese reden. |
Phaedra, in Iunoôs wagen geseten, vertrekt nevens de twe Godinnen en drie Bevalligheden. Hippolutus verschijnt, als in het voorbygaan, met sijne jagers op het Theater, en spreekt haar, stilstaande, aldus aan. |
Rey van Iagers en Dienaars van Hippolutus. GESANG. |
1. Venus. 2. Astraea en Themis zijn Godinnen der Regtvaardigheit. |
TEGEN-GESANG. |
TOE-SANG. |
![]() |
VIERDEN HANDEL. |
Den Bode brengt aan de Traezenisse maagden, die voor het Hof staan, de tijding van Phaedraas omkomen, roepende als volgt: |
1. Pallas Minerva. |
De deuren van de voor-saal werden geöpent, in dewelke de andere helft van den Rey der Traezenisse Maagden den Koning aldus aanspreekt. |
De deur van Phaedraas kamer geöpent zijnde, zo staan desselfs staatjuffers by het lijk, dat met een wit kleet bedekt is, ende van de selve staatjuffers ten eersten wert weg-genomen. Theseûs omermt de dode, sugt, en berst eindelijk uit in dese woorden: |
1. Neptuin. |
Hem straf aanziende. |
1. Van te voren op Hippolutus verlieft zijnde geweest, so kost sy (want Haat en Liefde zijn regt-strijdigh tegens malkander) gedurende die Liefde, génige blijken van Haat geven. |
1. Tres ex hac Positione resultant quaestiones principales. I. Quae & quanta fides habeatur scripturae privatae. II. quae & quanta jurijurando. III. quae & quanta jurijurando, morte confirmato: quas omnes, summariè tantum, resolvit quaestiones. 2. Prima quaestio principalis. 3. Injuria verbalis. Nam si per mendacium fama alicujus laeditur, committitur injuria. juris enim est notissimi, omnem injuriam aut in corpus inferri, aut ad dignitatem, aut ad infamiam pertinere. |
1. Quis & quid: quis personam, quid delicti qualitatem respicit. 2. Tres contra Phaedram profert positiones. I. Quod sit sola. II. mulier. III. & juvenili aetate regina. Ad primam quod attinet, notum est testimonium unius idem haberi ac nullius. Ad secundam, testimonia mulierum in criminalibus criminaliter non admitti. Ad tertiam, crimen illud incestus atque adulterii in aulâ regum primum fuisse perpetratum. Sic enim ipsa Phaedra apud Euripidem, Εκ δὲ γενναίων δόμων τό δ᾽ ἤρξε θηλείαισι γίγνεσθαι κακόν. [vs. 409b-410] 3. Sic Seneca in Hippolyto. Actu 3: 4. Sic Venus in Prologo Hippoluti apud Euripidem. Ἱππολύτῳ δ᾽ ἔπι τὸ λοιπὸν ὠνόμαζεν [ὀνομάσουσιν] ἱδρῦσθαι θεάν [vs. 32b-33]. Quod postea nominatim sit confessa Phaedra, fundamenta Deae templo locata fuisse solius Hippoluti causâ. 5. Nam plenè probare suam intentionem hoc pacto non poterat. Nihil enim ei relinquebatur nisi nuda & simplex negatio, cui per rerum naturam nulla datur probatio. |
1. Secunda quaestio principalis. 2. Tertia quaestio principalis. 3. Iusjurandum voluntarium & extra juditiale. 4. Quaeritur quid commodi inde speraret? Respond. quod mortem postponens honestati ac virtuti, maximam sibi comparaverit pudicitiae ac castitatis suspicionem. 5. Ad alteram jam transit orationis partem, nempe innocentiae probationem. |
1. Sic Euripides interrogando testatur, Phaedram omnium mulierum non fuisse corpore formosissimam. Constat & hoc tempore Helenam Spartanam Athenis commigrasse, à Theseo & Perithoö raptam, constat & eam dictam fuisse caeterarum omnium pulcherrimam. 2. Secundum illud Cassianum Cui bono. 3. Theseus, in éne stat hebbende vergadert alle dinwoonders der Attice Provintie, lei sijne koninklijke magt ter neder; niets overig houdende als de opper-hoofdigheit der wapenen by oorlog, ende de sorg over de wetten en over het Gerigt: hebbende buiten dit de voorsz. Inwoonders gelijk gesag. zijnde ook sijne Vorstelijke Waardigheit niet meer erffelijk, maar allenig uit handen van het gemelde volk verkrijgchelijk. Gelijk Mnestheus dat selve Vorstendom verkreeg selfs by het leven van Theseus. Ende hebben Mnestheus kinderen naar haar Vaders doot het voorseide Vorstendom niet geërft, maar het volk van Athenen heeft doenmaals wederom het selve opgeoffert aan iemant van Theseus naarkomelingen. |
1. ex circumstantiis & verisimilitudinibus. 2. qui accusat probare debet: non suspicionibus non praesumtionibus, sed idoneis testibus, apertissimis documentis, vel indiciis ad probationem indubitatis & luce clarioribus. 3. Nullus idoneus testis in re sua intelligitur. 4. In re enim propriâ iniquum admodum est, alicui sententiam tribuere sententiae, |
Dit seggende, trekt sijn swaart uit de schede, en set de punt op sijn blote borst. Dog weder een weinig bedarende, vraagt, |
Neder-buigende op sijn éne knie, t gesigt om hoog. |
Weder-opstaande. |
Rey van Traezenisse Maagden. |
I. TEGEN-GESANG. |
II. GESANG. |
II. TEGEN-GESANG. |
TOE-SANG. |
![]() |
VYFDEN HANDEL. |
Het voortste deel van het Theater is een wijde saal, rontom met marmre beelden beset; het agterste deel een tuin, met alderhande bloemen, palmstricken, en lage groente; in het alderflaauwtste gesigt de Zé. In de voorsz. saal wagt de Voetster en staat-juffers van [p. 61] Phaedra den Koning, die névens den ouden Pittheüs uit den gemelden tuin naar haar toe komt, ende al voort-gaande rede-voert nopende het Oordeel, tegen Hippolutus uit-gesproken. Ende terwijl Pittheüs daar over den Koning scheen bestraft te hebben: ende den Koning egter niet wilde weten, daar in enig misslag begaan te bebben; ja in tegendeel hebbende gevraagt, waar in sijn misslag bestont? so antwoort den ouden Vorst: |
I. de Saronisse zé want aan desen oever was Traezene gelégen, scheuins over de stat van Athenen. 2. naar Argos en Epidaurus, twe stéden in Peloponese, noort-westelijk van Traezene afgelegen. 3. ende de engte tussen beijen, die de Grieken den Isthmus van Peloponese noemen. |
Diana de Godinne neder-dalende. |
1. Narratio facti. |
1. Want Neptuin was niet verpligt om te ondersoeken, of de wens regtvaardig of onregtvaardig wiert gedaan: maar puur alleen of er gewenst was. |
Hippolutus, met bebloede doeken bewonden, wert door sijne Dienaars in een rust-bedde ten Hoof gebragt, en berst uit in dese klagten. |
Iupiter en Themis dalen in een vertoning ter neder. Sy voegen haar nevens de Godinne Diana by Hippolutus. De dienaars van Theseûs sluiten de agter-deuren, op den tuin uit-ziende, vast toe. Theseûs, Pittheûs, en alle dandre, aan de tegenwoordige Godheden behoorlijke eer bewijsende, horen dat Iupijn eerst dese reden voert. |
Bode, seer schielijk binne-lopende, schikt aan Theseûs sijne redenen, seggende, |
1. De Koninginne Phaedra. |
Neptunus, op sijnen zé-wagen, vergeselschapt met Triton, en dandere Zé-goden, vertonen haar inde zé, door de geöpende poort. Naar een kort zê-musiek voert den voornoemde Zé-voogt dese reden: |
1. Die ten tijde van Deucalion en Pyrrha geweest is. |
Neptuin, dit hebbende gesproken, duikt onder t water: Iupijn, nevens de twe Godinnen, vaart naar bóvenen: en Hippolutus spreekt sijn Vader aan voor t laatste. |
EINDE. |
![]() |
Tekstkritiek: |