]

Jacob Vinck naar het Grieks van Euripides: Hippolutus den kroondrager. Amsterdam, 1671.
Uitgegeven door drs. G.C. van Uitert.
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Ceneton091040Facsimile bij Ursiculagoogle.books]
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.
Continue
[
fol. *1r]

HIPPOLUTUS

DEN

KROONDRAGER,

TREURSPEL.

Vertoont op d’Amsterdamsche Schouwburg.

[Vignet: Perseveranter]

t’ AMSTERDAM,
By Jacob Lescailje, Boekverkooper op de Middel-
dam, naast de Vismarkt, 1671.



[fol. *1v: blanco]
[fol. *2r]

Aan de Goddelijke, eer-en prijs-waardigste

DEUGT,

Wert dit Treur-spel van

HIPPOLUTUS DEN KROON-DRAGER,

door

JACOB VINCK,

eer-biedig op-gedragen.

O Deugt! in wat gewest des werelts neêr-geséten,
(Of inden hemel of op aarden) voor u Troon
Brengt hier mijn Sank-godes den Dappren Theseûs-soon:
Wiens deugt, al wie de Deugt bemint, nooit sal vergéten.
(5) Sijn edel-moedig hert nooit Ondeugt heeft bemint,
Nog dart’le Liefde tot Onkuisheit ooit gedragen:
Maar ’t énigst, dat sijn hert tot Liefde kost behagen,
Dat was de Deugt, de schoontste schat, die m’ergens vint.
Op sulken schoonheit regt verlieft, is hy gestorven
(10) Stantvastig; nooit haar Vaan uit vrees of drift verliet;
Maar storf in Vryheit onder haar volmaakt gebiet:
En heeft van Hoger-hant d’Onsterf’lijkheit verworven.
Geregtigheit, die juist regtvaardig alles loont,
En die sijn Deugt in hare schaal had over-wógen,
(15) Is uit den hemel naar den aart boôm neêr-getógen:
En heeft met éwig loof ’t hooft van dien Prins gekroont.
O Deugt! doorlugtig op u troon ter neêr-geséten,
Aan wien kost desen Prins met béter regt en reên
Geöffert werden, als aan uwe god’lijkheên,
(20) In welkers dienst sijn jeugt doorlugtig is versléten?
Ontfang dit offer van mijn droeve Sank-godin:
Wiens wens is, dats’ u so mag door dit Digt behágen,
Dat all’ u Minnaars haar so gróten Min toe-dragen
Als Theseûs-soon u droeg, eer dat hy storf van Min.



[fol. *2v]

VOORREDEN.

DRie voornáme saken zijnder, goet-gunstige Lief-hebbers der Digt-kunst, waar op gy, alvorens te komen tot het lesen en zien van dese Tragoedie, gebéden werdet agt te nemen. De eerste is, de Rede, waarom dit Treur-spel den naam van Hippolutus den Kroon-drager is gegéven: te weten, eensdeels omdat den voortreffelijken Euripides daar in is voor-gegaan, andersdeels om dat waarlijk, op het einde van dit Treur-spel, Hippolutus door de Regtvaardigheit met éne onsterffelijke Laure-krans wert bekroont.
    De twede saak is, insgelijx de Rede, die den Digter deses hebbe bewogen, om dese Tragoedie niet (gelijk nogtans verscheide andere hier te lande hebben gedaan) van woort tot woort uit de Griexe inde Neder-duitsse taal over te setten; te weten, om dat hy gezien had, dat den hoogwijsen Seneca, in het digten van sijnen Hippolytus, de vryheit had gebruikt, om, naar sijn goet-vinden, hier en daar iets te veranderen: dat ook andere Digters (het zy Latijnsse, Fransse, Neder-duitsse, of andere taal-voerende) het selfde hadden naar-gevolgt: ende dat hy by sigselven tot nog toe niet anders had konnen onder-vinden, of sulken of diergelijken verandering was t’enemaal geoorloft; meinende (onder verbétering) niet onredelijk te zijn, dat een Digter, welkers ampt en pligt (volgens het gevoelen van Aristoteles) medebrengt, de mensselijke daden
eigentlijk naar te volgen, die eigenste Vryheit gebruike, die Euripides gebruikt heeft, so wanneer hy bésig was om sijnen ἹΠΠΟΛΥΤΟΣ ΣΤΕΦΑΝΗΦΟΡΟΣ, ende alle sijne andere Griexe Tragoedien te digten: ende dienvolgende, sijn verstant nergens anders aan en verpligte als aan de Eigenschap selver, een Eigenschap, die het begrip van een Digter nergens anders aan en verbint als aan de Wel-gevoegsaamheit, welke Wel-gevoegsaamheit wederom van naturen te redelijk is, als datse den gemelden Digter de Vryheit, om van haar eigenselven te oordelen, souw tragten te benémen.
    De derde saak, waarop in dese staat agt te nemen, is, een vriendelijk versoek, ten einde niemant ligtelijk souw geloven, dat alles, het gunt in dit Treur-spel, sonder onderscheit van den een ende den ander, geseit wert, eigentlijk souw zijn het gevoelen van desen onsen Digter.
    In tegendeel soo verklaart hy, dat hy, naar vereis van saken, dan den een dan den ander, heeft doen uitten en staanden houden sodanigen Gevoelen, ’t welk hy in alle manieren verwerpt, ende in het welke hy belijt te hebben een volkomen tegenheit: Insonderheit in die lange Rede, die Venus, op het laatste vanden Tweden Handel, tegens Phaedra voert; open-hertig bekennende, dat die Rede niet en is de sijne, maar vande kragtige en buiten-sporige Liefde. Hy vertrouwt vastelijk, dat
[fol. *3r] deselve wel sonder grote aanstotelijkheit niet en sal kunnen over-woge werden. Maar tot sijne verschoninge brengt hy eerstelijk by, dese jegenwoordige Waarschuwinge; vermanende een ygelijk de gemelde Rede niet anders te over-wégen, als voor iets, dat quaat en niet quaat is; quaat, voor so veel de selve kragt heeft gehadt, van tot quaat te bewegen: maar wederom niet quaat, voor so veel men deselve, na datse by een ander was gevoert, als quaat sal kunnen veroordelen.     Ten anderen so versekert hy, dat sijn voornaamste oog-merk niet geweest is, énige aanstotelijkheit te veroorsaken, maar in tegendeel de manieren der personen, in dese Tragoedie te voorschijn gebragt, so eigentlijk te schicken, als hyse het aldergevoegchelijxte kost versinnen; hebbende geoordeelt, dat de Liefde, ende voornamentlijk de Liefde van Phaedra (die eigentlijk, in haar zijnde aangemerkt, niet anders is geweest als een kragtige drift of herts-togt; maar die hier, volgens ’t voorbeelt van alle vermaarde Digters, als een Godinne wert op het tooneel gevoert) naar haren regten aart en eigenschap niet gevoegchelijker kost vertoont werden als in haar doenmaals eige wesen, dat is inde beraat-slaginge van verscheide kragtige bewégende gedagten en overwegingen vande verliefde: welke gedagten en overweginge, indiense door de tong te voorschijn waren gebragt geweest, waarschijnelijk in geene andere redenen soude bestaan hebben, als in die gene, die door Venus daar ter plaatse werden uit-gesproken. Voor de rest werden de welgemelde Liefhebbers versogt, dit gehéle werk niet anders als met een redelijke bescheidentheit te aanschouwen, ende van het selve mede niet anders te oordelen, als dat gene, ’t welk het inder daat en waarheit is, te weten, een groot getal Néderduitsse verssen, die te landewaarts, gedurende enige lédige dagen, uit de willige Rijm-pen zijn gevloeit.



[fol. *3v]

SPELS INHOUT.

THeseus, koning van Athenen, soon van Neptunus en Ætra, gewan by Hippoluta, Amazoonsse Princesse, een soon, Hippolutus genaamt, schoon van ligchaam en leden: en bestelden hem te Traezene by den ouden Pittheus, sijnes moeders (dat is Ætraâs) Vader, om in alle koninklijke Deugden onder-wesen en opgevoet te werden. Hippoluta zijnde gestorven, so trouwden hy tot sijne twede Gemalinne, Phaedra, dogter vanden koning Minos en Pasiphaë uit Creten. Dese Phaedra, ten tijde dat binnen Athenen het vermaarde feest der Mysterien wiert geviert, ende dat alsdoen Hippolutus daar mede verscheen, den jongen Prins pas voor de eerste reis hebbende aanschouwt, was door toe-doen van Venus, godinne der Liefde, van doen af aan op den gemelden jongen Prins so kragtig verlieft geworden, dat sy terstont, ter éren van de Liefde, een uittermaten hogen tempel had laten stigten, die sy nogtans naderhant opentlijk beleed en voor-gaf om de wil van Hippolutus te zijn gegront-vest. Dog naar dat Theseus, Pallas, de soon van Pandion, ende een groot getal van sijne vijftig sonen, had verslagen, ende daarom goet had gevonden, met sijn gantsse Hof-gesin, voor den tijt van een jaar, van Athenen naar de stat Traezene te vertrecken; so verworf Phaedra by die gelegentheit het dagelijx aanschouwen van den meer-gemelden Prins: waar door sy eindelijk so vurig was ontstoke geworden, dat sy vast had voor-genomen, of wederliefde te verwerven, of te sterven. Dit schandelijk voor-nemen in ’t werk pogende te stellen gedurende dat Theseus met den vermaarden Perithoüs naar Pluto, koning der onder-aartsse rijken, was vertrocken, om desselfs huisvrouw Proserpina t’ontschaken, ende den helhont Cerberus te over-winnen.
    So vergaderen nu tot haar behulp de Godinnen Venus en Iuno, dewelke ook, hoe seer dat Pallas Minerva daar tegenyvert, de Liefden en het voor-nemen van Phaedra voor goet-keuren; bestemmende nog van dien selfden dag Hippolutus van kant te helpen. Hy, met het krieken vanden dag tot de jagt zijnde afgevaardigt, wert met leersame lessen, door sijnen voor-noemden Over-grote-vader, tot buiten het Hof geleit. Arcas, Theseus dienaar, daags te voren de bootschap hebbende gebragt van de aanstaande t’huis-komst des koninx, over dewelke de koninginne dapper verset en ontroert was geworden; so krijgen by die gelegentheit énige van hare staat-juffers een vast vermoeden van datter iets most haperen; leven raat met de Voetster, een arge feex; en komen also te weten dat de koninginne verlieft was, alhoewel sy niet èn wisten op wien. Dog de gemelde Voetster ondekt het een met het ander, en doet vervolgens ook haar uitterste best om de koninginne so schandelijken Liefden en opset af te raden. Maar Venus komt tussen beiden; neemt Phae-
fol. *4r] dra, als éne Diana hervormt en gekleet, op haren Wagen; voert haar in ’t bos by Hippolutus; (die, om sijn dorst te koelen, allenig by een water-bron staande, van sijn geselschap was af-gedwaalt, aangehoort hebbende de vryery van Daphnis, soon van Mercurius, en Phyllis, de Schoone Bos-Nymph.) ende doet grote moeiten om den jongen Prins in het net der Liefden te verstricken; dog alles te vergeefs. Dies Iuno, naar dat den aanslag, by haar te voren over-dagt en bestemt, ook volgens haar besluit was uitgevallen, met haren wagen ter neder-daalt; Phaedra, met de aanstaande doot van Hippolustus, vertroost; ende haar, in het geselschap van Venus ende de drie Bevalligheden, weder ten Hoof voert: daar sy, volgens den raat der twe Godinnen, enen toegeségelden brief schrijft, indewelcke sy Hippolutus van Onkuisheit en Bloetschande met haar begaan te hebben, beschuldigt: en sterft.     Theseus, des onbewust, zeeghaftig thuis-kerende, vint by sijne gestorve Huisvrouw den gemelden Brief: aan den welken geloof gevende, versoekt op Neptuin, die hem de vervullinge van drie Beden had belooft, de doot-straf van Hippolutus, hem middelerwijlen uit sijn Gebiet bannende. Hippolutus vande jagt weder-gekeert, verantwoort sijne saak voor den Koning: maar sonder vrugt. En wert daarom genootsaakt uit Traezene in ballingschap te vertrecken. By welke gelegentheit dàn Neptuin, de Bede van Theseus verhoort hebbende, uit sijne golven een Zé-stier seint: door schrik vande welke de paarden van Hippolutus, op ’t hollen geraakt, haren Meester dodelijk quetsen.     Den Vader, dese tijding verstaande geeft last, datmen sijnen gebannen soon in ’t Hof sal brengen. Naar welken last de Godinne Diana beneden daalt, ende den koning vande ware gelegentheit der saken onder-rigt; werdende hier-èn-tussen Hippolutus in een rust-bedde ten Hoof gebragt.     Iupiter en Themis dalen ter aarden om hem in sijn uitterste te vertroosten ende te bekronen: Diana belooft hem wraak tegens Venus, stelt, tot sijnder éren, een jaarlijx feest in: en Neptuin, vergramt om dat hy medepligtig was aan Hippolutus doot, stuwt sijne golven tot in de straten van Traezene, begraauwt Theseus heftig, om dat hy so voort varend is geweest om sijnen deugtsamen soon het onnosele leven te benemen, en duikt also met een norsse kop naar onderen; d’andere Goden ook wederom naar bovenen vertreckende. Hippolutus, leggende op sijn laatste afscheiden, vergeeft aan sijn Vader de doot-schult: en verlaat also, tot haarder aller leet-wesen, sijn jeugdig leven.



[fol. *4v]


Namen der Personen.

Venus.
Iuno.
Pallas Minerva.
Pittheus.
Hippolutus.
Rey van Iagers en Dienaars
                van Hippolutus.
Glycerium,
Pythias,
Philumena,
}
}
Staatjuffers
van Phaedra.
Voetster.
Rey van Traezenisse Maagden.
Phaedra.
Arcas.
Phyllis.
Daphnis.
Pasithea,
Thalia,
Euphrosyne,
}
}
de drie
Bevalligheden.
Continue
Cupido.
Bode.
Theseus.
Dienaars van Theseus.
Rey van. Phaedraâs staat-juffers.
Den jongen Adel van Traezene.
Een Dienaar van Theseus.
Een anderen Bode.
Diana.
Iupiter.
Themis.
Nog een Bode.
Neptunus.
Triton, Trompetter van Neptunus.
Rey van Water-goden.

Het Tooneel is binnen of omtrent de stat Traezene.
____________________________________________


Alle de verssen, die tussen dese twe haken [  ] staan gedrukt, zijn om sagt by sijn selven uitgesproken te werden.
Continue
[
p. 1]

HIPPOLUTUS

DEN

KROON-DRAGER.

EERSTEN HANDEL.

De drie Godinnen, Venus, Iuno, en Pallas, verschijnen in een Vertooning ten hemel, en voeren onder den anderen dese navolgende redenen.

Venus. SAl dàn de jeugt de magt der gróte Goden
    Verachten, daar voor onse Rijx-geboden
    Den Ouderdom sig buigt als onderdaan;
    So moet Natuur voor wis te rugge gaan.
    (5) Laat Pallas van geen vlam der Liefde weten:
    Laat Cynthia (1) naar ’t Wilt in bossen sweten,
    En voelen in haar borst nooit minne-brant;
    Dees’ is Godin der Iagt, die van ’t Verstant.
    Maar sal een soon van Theseûs (2) met gedagten
    (10) Het aanzien van ons wijt gebiet veragten;
    So Cythere’ (3) iets kan met magt gebiên,
    Sal sonder wraak dit nimmermeer geschiên.
    Den Iongeling sig voor ons neêr sal buigen,
    Of’k sweer, by ’t geen de Goon haar Trouw getuigen, (4)
    (15) Eer dat de son ten silten Oceäan
    Kan duiken, sal den Iongeling vergaan.
    1. Diana. Den Berg Cynthus leit in het Eylant Delos, daar sy met Phoebus Apollo in geboren is.
    2. Hippolutus.
    3. Venus. Als Godinne van het Eylant Cytherea.
    4. De Stygisse onder-aartse Poelen.
[p. 2]
Iuno. Godinne van Amathus (1) wy bemerken
    Aan ’t fier gelaat van woorden en van werken
    Dat Theseûs-soon u Majesteit veragt;
    (20) De praal-gloor van Latonaas klaar geslagt (2)
    Ten troon-waarts der Godinne schijnt te voeren.
    Verbolgentheit en spijt u ’t hert ontroeren,
    Dat Phaedra, door u toorts aan brant geraakt,
    Hippolutus bemint; van Liefde blaakt;
    (25) En t’uwer eer een Auter quam te stigten:
    Maar dat sijn hert voor u nog haar wouw swigten.
    Daar Pluto dan voor u Gebiet sig boog;
    Den Ze-voogt, ja den Groot-Vorst van om hoog
    Sijn breidel van Gebiet liet hene-varen;
    (30) Eerbiedig bragt geschenken op Altaren;
    En desen spruit van ’t Amasoons geslagt (3)
    De waarde gonst van Phaedraâs Min veragt,
    En geensints naar Cupidoos stem wil horen;
    Dit doet u toôrn in gloênde gramschap gloren.
Ven. (35) Met Rede. Want de Red’lijkheit gebiet,
    Dat alles, wat sijn eerst begin geniet,
    Aan d’oorsaak van ’t Begin ontsag moet dragen.
    De Rede schept ook doorgaants groot behagen,
    Dat d’oorsaak vande Vreugt in aanzien raakt.
    (40) De Billigheit heeft voorts een wet gemaakt,
    Dat Voorspoet meer als groot Verstant souw gelden.
    Maar waarom dees’ en and’re Reên te melden,
    Terwijl de Noot aan al wat leeft, beveelt,
    Dat d’oorsaak, sonder wien (4) niets wiert geteelt,
    (45) Met eer, ontsag, en ernst wert aangebeden.
    (5) Wie gaf’t Begin aan menssen of aan stéden
    Dan Cypria, de Moeder van de Min? (6)
    1. Venus. Amathus is een stat in het Eylant Cypris.
    2. Diana, dochter van Latona.
    3. Hippolutus.
    4. Causa sine qua non.
    5. Sequuntur Argumenta ex quatuor praemissis.
    6. Venus.
[p. 3]
    Wie schonk de Vreugt in yders ziel of sin
    Soo Liefde van den mens was weggenomen?
    (50) Wat Voorspoet souw tog ooit ter werelt komen
    Daar Nijt en Twist, geen Liefd’, ons hert besat?
    Ia wie? wie zag ooit Rijk, ooit Staat, ooit stat
    In wesen, soo nooit Bruilofs-bet met banden
    Twé zielen bond, twé, die van Liefde branden?
    (55) Dit ’s ken’lijk, en gedoogt geen tegen-spraak.
Pallas. De kennis maar van eenderhande saak
    Geen kennis van all’ and’ren uit kan sluiten. (*)
    Wy weten, dat Regtvaardigheit hier buiten
    Ook eer verdient. Dat Matigheit en Tugt
    (60) Een sterflijk mens verheffen tot de lugt.
    Dat door ’t vervolg der Deugt, voor die volherden,
    De Prinçen op den aard-boôm Goden werden.
    ’t Is seker dat Hippolutus in Deugt
    Van Reinigheit sig aldermeest verheugt.
    (65) Dat Pittheüs, den ouden, (1) t’allen tijden
    Den Iongman leert Ontugtigheit te mijden:
    En in-plant in het jeugdig eêl gemoet
    Regtveerdigheit, de Deugt van ’t hoogtste goet.
    Souw dàn een soon, in Reinheit onder-wesen,
    (70) D’onkuisse Min niet van sijn Stiefmoêr vrésen,
    En schenden ’t Bet des Vaders, die nog leeft?
    Wat schijn van Regt of Reed’lijkheit sulx heeft
    Dat iemant lijt om Deugt, en niet om schulden?
    Hoe! kanmen, daar ’t Gewelt niet heerst, gedulden,
    (75) Dat iemant, tot sijn onschult, sal vergaan,
    Om dat hy tot geen Ontugt wouw verstaan?
    So dit met Regt en Rede kan gebeuren,
    So moet m’ al ’t quaat, met een, ook wettig keuren.
Venus. Godinne van ’t Vernuft! segt ons de reên
    * Inclusio unius non est exclusio alterius:
    1. Een soon van Pelops, die in sijn tijt was den Groot-magtigsten Koning van Peloponese. Desen Pittheüs is geweest den eersten stigter vande stat Traezene, en heeft alsdoen den naam gehad van den alderwijsten en verstandigsten sijnes tijts.
[p. 4]
    (80) Waarom u sorg in dit geschil wil treên.
Pallas. Opdat ik door mijn voor-sorg souw beletten
    Dat geen Gewelt de Deugden souw verpletten.
Venus. ’t Is sonder noot.
Pallas.        cc                Geen nodelose saak
    Is sorg voor Deugt, gedreigt door dulle wraak.
Venus. (85) Is’t reed’lijk dan dat elk met domme kragten
    De Gotheit van de Liefde sal veragten?
Pallas. Is’t reed’lijk dat een, die ten hemel sweeft,
    Ontugtigheit de naam van Liefde geeft?
Venus. Hoe! salm’ een mens met rede niet verdoemen,
    (90) Die Venus durft het schuim der Goden noemen?
Pallas. Die d’Ontugt in bedaarde boesems baart,
    (’t Zy Venus of een ander) is niet waart
    In ’t groot getal te sitten van de Goden.
Iuno. Hoe Pallas! salm’ een jongeling niet doden,
    (95) Die Cynthia voert boven Iunoôs praal?
Pallas. De Wijsheit spot met onbesuisde taal
    Der Ouden; ’k wil de losse jeugt verswijgen.
Iuno. Indien de jeugt dit voordeel sal verkrijgen
    Van ongestraft te spotten met de Goôn,
    (100) Wat jongeling sal dàn den hoogtsten Troon
    Des hemels met sijn offer ooit veréren?
Pallas. Indien de Deugt een mens tot straf sal keren,
    Wie salder dàn, van Outheit of van Ieugt,
    Beminnaar zijn der Goddelijke Deugt?
Iuno. (105) Wie denkt ’er straf voor Deugt te willen schenken?
Pallas. Wilt dàn de Deugt van Theseûs-soon gedenken.
Iuno. Een jongeling, die Iunoôs eer ontrooft?
Pallas. De glans der Goôn wert door geen Ieugt verdooft.
Iuno. Het past de Goôn ook lasteraars te straffen.
Pallas. (110) Voor Onverstant vergif’nis toe te schaffen,
    Is iets het gunt de Goôn nog beter past.
Iuno. Maar ’t Onverstant, eer dat het hoger wast,
    Dient best in tijts met ’t snoei-mes afgesneden.
Pallas. Wilt dàn in tijts met wel-bedaarde reden
[p. 5]
    (115) U toornigheit betemmen, eer den brant
    Ten hemel klimt van ’t reed’loos Onverstant.
Iuno.Wat sal ons hier tot smaat te voorschijn komen?
    Laat Pallas eerst haar eige wraak betómen,
    En straffe dan de wraak in ons, eer niet.
Pallas. (120) Laat Iuno, die de wraak in Pallas ziet,
    Sorgvuldig sig voor ’t quaat der wraak-lust wagten.
Iuno.Wie salmen meer, of ons, of jongmans agten?
    Is ’t reed’lijk dat de Majesteit der kroon
    Sal swigten voor de Fierheit van een soon?
Pallas. (125) Geen Majesteit door Fierheit wert vermindert.
Iuno.Geen wraak der Goôn wert door ’t Verstant verhindert.
Pallas. De dulle wraak, ontfonkt in ’t hert der Goôn,
    Haar ’t Zetel-regt van d’alderhoogtsten Troon,
    Onwaardig maakt.
Iuno.                     Voor pralende gemoeden,
    (130) In toôrn ontfonkt, door wraak-lust dul aan ’t woeden,
    Geen bitsheit baat van wesen, min der tong.
Pallas. Onzalig, die sijn wraak-lust nooit bedwong.
Iuno. Onzalig, die Iupijns Gemaal dorst schelden.
Pallas. Wy moeten aan Iupijn dit onregt melden.
Iuno. (135) Ga naar Iupijn, en bootschap hoe sijn Vrouw
    Met Cypria geneigt zijn om den rouw
    Van swarigheit in Theseûs huis te brengen.
Pallas. Indien hy sulx gedoogt, wy’t mé gehengen. sy vertrekt.
    Iuno.
Hoor Venus, wat ik best heb over-dagt.
    (140) Gy moet u straal der Min met dubb’le kragt
    In Phaedraâs hert doen blákren en doen branden,
    So, dats’ uit noot den Jongman aan moet randen,
    En prik’len tot haar weêr-min kragtig aan.
    Dit so beschikt, so sal door ons bestaan
    (145) De raserny’ in ’t brandend hert vervliegen;
    Haar doden; en haar Man door schijn bedriegen:
    So dat den Soon sal sterven door de daat
    Des Vaders, dien ’t sal rouwen, maar te laat.
[p. 6]
Naar dese verhandeling verschijnt Hippolutus tot de jagt afgevaardigt, en Pittheüs doet hem uitgelei tot buiten het Hof; moedigt hem aan, terwijl hy naar sijne jagers moet wagten, tot de ware Deugt: en geeft hem, onder and’re, seer goede lessen nopende de Reinigheit, Dapperheit, en Edel-moedigheit; seggende:
Pit. EEn naar-saat, welkers Deugt uitstékend valt te prijsen,
    (150) Kan klaarder sijn geslagt der Goden niet bewijsen,
    Als uit de Deugt, waar door de Goden zijn vermaart.
    Een kint, dat vande Deugt sijn’s Vaders glat ontaart,
    Sig selfs onwaardig maakt den rang der Bloet-genoten.
    Wy twijff’len of een soon is wettig voort-gesproten,
    (155) Die sulken Deugt, waar door sijn’s Vaders eer en staat
    In aanzien raakte, met een slaafsse boosheit haat.
Hipp. Laat Libers (1) naar-geslagt in dart’le wulpsheit leven;
    Den Arabier (2) gehoor aan slaafsse Wellust geven;
    En laat de Dwaasheit voor het Vrouwlijk trots geslagt:
    (160) Natuur heeft dees’ alleen tot slaven voort-gebragt.
    Maar niemant, die met lust sijn Vryheit kost beminnen,
    Sig ooit door Ondeugt of door Wellust liet verwinnen.
    De regte Vryheit heeft de Deugt tot bont-genoot.
    Door dese sal de Faam der Grieken over Doot
    (165) En Tijt den Laure-krans, als onverwin’lijk, dragen.
    De Deugt ons énig in haar goud’ en klare wagen
    Ten troon sal voeren onder ’t god’lijk groot getal;
    Of van Hippolytus nooit schepsel spreken sal.
Pit. Ga voort mijn soon, om in u jeugt naar raat te léven.
    (170) Indien gy goet gehoor aan onse Reên sult geven,
    So sal de Wijsheit u verheffen tot de lugt:
    So sal d’onwinb’re kragt door matiglijke Tugt
    U boven Herkules, dien Helt, beroem-rijkt maken:
    So sal Geregtigheit, bet kragtigst’ aller saken,
    (175) Genoege scheppen in u Ridderlijke daân:
    1. De naarkomelingen van Bachus.
    2. De Inwoonders van Arabien, te weten van dat gedeelte, dat met den toenaam van het gelukkige Arabien wert genaamt.
[p. 7]
    En Eer, en Naam, en Lof ten hoogtsten troon doen gaan.
Hipp. Doorlugte Groot-vaâr, laat de sorg van alles varen.
    Gy sult in onse pligt zien slijten uwe jaren:
    En vreugt genieten in de proef van onse Deugt,
    (180) So Theseûs-soon niet sterft in ’t bloeyen sijner jeugt.
    Naar Regt en Reed’lijkheit hy boven al sal stréven;
    Wel leven, niemant schaân, en yder ’t sijne geven.
    Geen losse drift hem sal tot misslag porren-aan,
    Maar, voor hy werk begint, sig wijslijk eerst beraân.
    (185) Nooit sal in’t raat-slaân hem een-sinnigheit doen falen,
    So lank hy weet, dat selfs den Wijst’ ook kan verdwálen:
    Maar sal de Reden ’t swaarst doen wégen in sijn Raat,
    Op dat hy niet, als ’t geen regt-matig is, bestaat.
    En, om sijn grootste lust tot wijsheit dus te tonen,
    (190) So sal Voorsigtigheit staâg in sijn sinnen wonen,
    Hy sal sijn Aanzien nog door schande nog door smet
    Bevlecken, maar uit Eer sijn ampt, sijn pligt, sijn wet
    Verwagten, om met Eer Groot-agtbaarheit te werven:
    En edel-moedig leev’ of edel-moedig sterven.
    (195) Dies sal hy Ledigheit verdoemen; al sijn Vreugt
    In ’t over-denken van de Reed’lijkheit en Deugt
    Betragten; tijt-verdrijf in ’t god’lijk jagen vinden;
    In ’t woeste bos met brack’ en snuggrig’ hase-winden
    Het wilt vervolgen; naar vermaak met arbeit staan;
    (200) En ’t ligchaam oef’nen naar het voorbeelt van Diaan.
Pit. Wy sullen dese keer all’ and’re lessen staken.
    Gy dàn mijn soon, neem agt op alderhande saken;
    Let minder niet op ’t Quaat als op het heilsaam Goet,
    Laat al wat Goet is wort’len diep in u gemoet:
    (205) Maar’t Quade nimmermeer in ’t jeugdig hert vernagten.
    Wat Goet is sult gy dàn bezien als naar te tragten,
    Dog ’t Quaat, als iets, waar voor u ziel een gruwel heeft.
    Al wie naar dese les in ’t algemein maàr leeft,
    Sal minder niet uit ’t Quaad’ als ’t Goede voordeel trecken.
    (210) Door wijs beleit so kan geen Quaat tot nadeel strecken.
    De schrandre Wijsheit door beleit het groot gebiet
[p. 8]
    Van alle sáken, die ter werelt zijn, geniet:
    En weet de goede Vrugt van alles so te plucken,
    Dat selfs oock ’t snootste Quaat ten Goed’ haar moet gelucken.
Hipp. (215) Bescheide Groot-vaâr, zijt versékert dat het ligt
    Eer weg sal vlieden uit de spiegel van ’t gezigt,
    Eer dat ik u geboôn ondankbaar sal veragten.
    De Noot heeft op ’t gestel der saken groote kragten:
    Een dulle water-stroom ontziet nog dijk nog strant:
    (220) Het vuur de grootste Steên tot as en stof verbrant:
    Maar dat of stroom, of vuur, of and’re slag van plagen
    Uit dit Begrip door dwang u lessen weg sou dragen,
    Getuig geen tong, die, dat ik leef, getuig’nis geeft.
    Vergeefs is ’t datmen Goôn tot Grote-vaders heeft,
    (225) Indienmen ’t heilig spoor der Goden sal verlaten.
    Seer weinig ons ’t geslagt van God Neptuin souw baten,
    Seer weinig ’t vroom bestaan van Theseûs, so sijn soon
    Hippolutus niet deed dat god’lijk was en schoon.
Pit. ’k Zie dat de Dienaars u, ter jagt gerust, al beiden.
    (230) Niet beter dàn, terwijl Auroor bloost, strax te scheiden.
    Vaart wel: maar nooit vergeet u Grote-vaders Leer.
Hipp. Vaart wel, ô Groot-vaâr! dien ik als een Got-spraak eer.



De verliefde Koninginne wisse tijdinge van haren Man hebbende gehoort, heeft den gehelen nagt gedurende niet konnen rusten: daar over hare Staat-Iuffers bekommert zijnde, met hare Voetster raat leven. Sy gevraagt hebbende (so het schijnt) of de Koninginne niets ter werelt heeft konnen rusten, so antwoort een der gemelde Staat-Iuffers als volgt.
    Glyc. IA rust: de Koningin geen oog heeft toe geloken:
    s’Heeft staâg gesugt, geweent, en binnens monts gesproken;
    (235) Geen enkelt woort nogtans, dat iemant heeft verstaan.
Voetst. Dit kan niet langer dus geschapen blijven staan:
    Wy moeten door beleit of ’t een of ’t ander weten.
[p. 9]
Pyth. Naar dat ik, volgens schijn, de saak heb afgeméten,
    ’t Is niet als Liefden, ’t geen haar hert so bang ontstelt.
Voetst. (240) Dat vrees ik: maar wat raat?
Phil.                                                         Raat hier allenig gelt.
Voetst. Hoe sullen wy die quaal door goeden raat genesen?
Glyc. Mijn meining is dat dit des Voetsters werk moet wesen.
Voetst. Seer willig. Maar aleer een schand’re Medicijn
    De Quaal geneest, so moet de quaal eerst seker zijn.
    (245) Wat raat om nu de quaal van Phaedra wis te weten?
Pyth. ’t Is seker dat haar hert met Liefden is beseten.
Voetst. Op wien?
Pyth.                 Om dese saak so most gy binne gaan:
    En seggen, dat gy klaar hebt uit ons mont verstaan,
    Ook dat gy bovendien nog selfs hebt kunnen merken,
    (250) Of uit het wesen, of de woorden, of de werken,
    Dat aan Mevrouw’ iets quaats moet schorten, ’t geen haar deert.
    Hoe dat van tijt tot tijt ons wert gewis geleert,
    Dat hare siekte staâg verslimt: en daarom vrésen,
    Dat langer wagten schá sal doen, geen quaal genésen.
Glyc. (255) Dien raat niet vreemt is. Maar indien by sulk geval
    De Koningin haar Quaal met list ontkennen sal,
    Wat raat?
Pyth.         Men sal seer ligt uit blijk van klare sáken
    Bewijsen, dat de Min komt in haar borst te bláken.
Glyc. Maar dit is weinig.
Pyth.                             ’t Is so veel dat korts daar aan
    (260) Een, die verstant heeft, ligt een toon sal hoger gaan.
    Eer datmen ’t einde raakt so moetmen werk beginnen.
Voet. Geen werk so swaar voor al mijn leên, voor al mijn sinnen,
    ’t Gunt niet gewillig sal vol-voeren. Geef maar raat.
Pyth. Den raat des aanslags dus by mijn geschapen staat.
    (265) Terwijls’ in eensaamheit nu ’t meeste schept behagen,
    So moeten wy te gaâr verlof tot uit-gaan vragen:
    En laten haar en u voor weinig tijts alleen.
    ’t Is seker (want dit rust op klare schijn van reên)
[p. 10]
    Dats’ haar gemoet alsdan, vry, klagend’, uyt sal losen.
Voetst. (270) Wat dan?
Pyth.                     Den hoek des deurs u dient ter sluik verkosen
    Om klaar te luist’ren, wat voor dodelijker smert
    By sulk geval door haar droef uitgeboesemt wert.
Voetst. Maar ’k vrees haar gramschap.
Pyth.                                         So gy vrees hier plaats wilt geven,
    So vrees ik voor ’t gevaar van haar doorlugtig leven.
    (275) ’t Is beter datm’ haar toôrn lank-moedig eens veragt,
    Op datse leef, dan datm’ haar sterf-uur staâg verwagt.
Phil. Neen Voetster, desen raat is goet: gy moet u schicken
    Om haar te volgen.
Glyc.             Set de sorg voor alle schricken
    Ter zijden, en omerm met lust kloek-moedigheit.
Voetst. (280) Maar alles dient voor-al bestoken met beleit,
    Op dat de Koningin geen zier hier van mag merken.
Phil. ’t Geluk (houw goeden moet) de rest selfs uit sal werken.
    Fortuin goet-gunstig is voor die maàr durven.
Pyth.                                                                 ’t Gaat
    So ’t wil: gy zijt hier door geen vyant van den Staat.



Rey van Traezenisse Maagden.
            (285) OF schoon d’ervárentheit het Hof
            Des Konings pleegt den naam te geven
            Des Leer-schools van een god’loos leven,
            Daar Deugt tot straf, ’t quaat strekt tot lof:
            Wy moeten (om met regt te roemen)
            (290) Dit Hof een school der Deugden noemen.
                Hier groeit de schoonste Vorsten-bloem,
            Een jonge Prins, die meest sijn vreugden
            In Reinheit schept, ’t çieraat der Deugden,
            En draagt op heiligheit sijn roem:
            (295) Wiens deftig en wiens wijs behagen
            Hem tot de glans der starren dragen.
                Geen diefstal soekt hy van de trouw:
            Geen overspel vervloekt te mengen
            Met dootslag; nog ten strijt te brengen
[p. 11]
            (300) Traezenen om een ligte Vrouw.
            Geen Minne-drift hem kan vervoeren:
            Geen Geilheit ’t kuis gemoet ontroeren.
                Om trots te stijgen op den troon
            So sal hy ’t heilig regt niet schenden
            (305) Door overlast der oorlogs-benden:
            Maar ’t regt doen glinstren in sijn kroon.
            Hy sal met regt den troon verwerven,
            Of sonder troon onsterf’lijk sterven.
Continue

TWEDEN HANDEL.

Het laatste deel van de eerste Handeling wert verhandelt voor het koninklijke Hof. En wert nu de marmere slaapkamer van Phaedra geöpent, daar in sy nevens Arcas, Theseus dienaar, wert gezien.
Phaed.’t WAs gistren dat gy my de tijding bragt
    (310) Des Koninx, die van God Neptuins geslagt
    Gespróten, scepter voert van dese landen. (1)
    Dog schoon dit hert met lust uit yver branden
    Naar sijne komst, vergat ik egter (of
    Door vreugt of haast) wanneer dit galmend Hof
    (315) D’eer van dien roem der Vorsten souw verwerven.
Arcas. Door bystant der groot-magtige Minerve
    Sal Theseûs hier van daag zeeghaftig zijn.
Phaed. Van daag? [Heeft dan den ondersten Iupijn (2)
    Sijn duistre magt geheel en al verlóren?
    (320) Maar sagt! laat dit geen Theseûs dienaar horen.]
    Wy zijn nu door u bootschap gants voldaan:
    Dies moogt gy vry naar uwen Vorst weêr gaan. Arc. bin.
    De Koninginne meinende allénig te zijn, wert door de Voetster beluistert.

    Van daag sal Theseûs hier doorlugtig weêr verschijnen.
    1. Theseus.
    2. Pluto. want Phaedra had haar selven ingebeelt, dat, terwijl den Koning so lang was uit geweest sonder van hem eenige tijding te horen, hy in Plutoos rijk voor altijt zou gebleven zijn geweest.
[
p. 12]
    Van daag sal Phaedra dien vermaarden Koning zien.
    (325) Van daag so moet haar Min des soons (1) verdwijnen,
    Of eer en pligt moet voor de Moeder vliên.
    Sy moet van desen dag haar weder-min verwerven:
    En nemen tot haar wit bedrog en list te baat.
    Of so dien jongeling haar Min versmaat,
    (330) So moet sy droevig sterven.
Voetst. [Wat dat ik hoor? Dit moet met alle magt
    Gestut zijn, eer het schendig wert volbragt.]
Phaed. Onmoog’lijk is ’t voor ons den Koning weêr t’aanschouwen
    Naar dat Hippolutus dit hert alleen genoot:
    (335) Want met wat oog de snootste van de Vrouwen
    Dien Vorst weêrom souw zien in haren schoot?
    Neen, so de Minne-goôn geen’ overwinning geven
    Voor dese borst, die sterk van héte liefde brant,
    So moet dit vuur ontroven ons ’t verstant,
    (340) Of eer, of pligt, of leven.
Voetst. [O snode liefde! ah! waar toe beweegt
    U magt geen vrouw, wanneers’ haar geilheit pleegt!]
Phaed. O Venus! so de magt der Min, seer hoog van waarden,
    De goude kroon draagt van al d’andre God’lijkheên,
    (345) En zege-praalt in hemel en op aarden
    Van alles, ’t zy dan boven of beneên,
    So wilt u minne-brant tans in sijn boesem drucken,
    Die killig Pontus ys in ’t binnenst ligchaam voet,
    So sal gants Grieken voor u goddelijke gloet
    (350) Met all’ haar Princen bucken.
Voetst. O Voetster-dogter, seg wat sinneloos gewelt
    U vlegge sinnen dus rampsalig heeft ontstelt?
Phaed. Nieuws-gierigheit en past geen ouwt-bejaarde vrouwen.
Voetst. Het is niet nieuws, het geen ik meermaals sogt t’ontvouwen.
    1. Hippolutus, voor-soon van Theseus.
[p. 13]
Phaed. (355) Een oude dóling, eens het brein vast ingedrukt,
    Wert selden, hoemen ’t maakt, de sinnen uitgerukt.
Voetst. Vergeefs men onse sorg met dóling sal bekleden.
Phaed. Gy sorgt vergeefs, en buitens tijts, en buiten reden.
Voetst. Met woorden kanm’ een quaal, hoe sterk, hoe groot, seer ligt
    (360) Ontveinsen; doch daar door de klaarheit van ’t gesigt,
    De sekerheit van ’t oor, nog van ’t gevoel bedriegen:
    Het geen men ziet, en hoort, en tast dat kan niet liegen.
    De tekenen, waar uit men ooit een quaal geheel
    Kost merken, zijn aan u, mijn waarde, veels te veel,
    (365) Als dats’ u Voetster, dik bedrógen, niet souw merken.
    Getuigen zijn hier van uw’ eige woord’ en werken.
    Of zien wy niet, hoe droevig bleek u doots gelaat
    Van wesen is, en vreemt dat alles met u staat?
    Of liegt ons oor wanneer het hoort, dat donkre nagten
    (370) Naàr wedergalmen op u troostelose klagten?
    Of voelen wy niet aan u pols, hoe dat het hert
    Door eindelose sorg op hol gedreven wert?
Phaed. O Voetster! ’t quaat heeft tans so groten kragt verkrégen,
    Dat, (daar ik ’t voormaals staâg stantvastig heb verswegen,
    (375) En liever levend had gedaalt naar ’t heilloos lant
    Ter zielen, of door ’t vuur des blixems was verbrant,
    Als dat ik ’t openbaar aan andr’ had willen maken)
    My tans de magt onbreekt om ’t wens’lijk wit te raken:
    Ik moet bekennen, dat ik sterk van Liefde blaak.
Voetst. (380) Is dan de Liefde sulk een schrickelijken saak?
Phaed. ’t En is geen Liefde, die tot Theseûs was genégen.
Voetst. Tot wien heeft Phaedra dan so droeven Min verkrégen?
Phaed. So droeven Min is op geen Vremdeling gevest.
Voetst. Is ’t iemant, die ter woon sig houwt in dit gewest?
Phaed. (385) ’t Is een, die ’t Koninklijk gebouw verstrekt ten woning.
Voetst. ’t Is geen der Princen van den roem-berugten Koning?
[p. 14]
Phaed. Gy brengt mijn bange ziel door’t vragen wis ter doot.
Voetst. Tot wien de Koningin dan sulken Min genoot?
Phaed. Tot een van God’lijk en van Koninklijken zade.
Voetst. (390) Hippolutus?
Phaed.                             O Goon!
Voetst.                                           Wat is ’t?
Phaed.                                                       ’t Is recht geraden.
Voetst. Hippolutus is ’t dàn, die ’t groots gemoet ontset?
Phaed. Hippolutus alleen hier voert gebiet en wet.
Voetst. Een spruit, die waardig was de kroon der jongelingen.
Phaed. Wilt ons den groten lof hier van dien spruit niet singen,
    (395) Wiens roem in dit gemoet de schoontste zeeg-kroon spant.
    Het is de Parel van het rugtbaar Grieken-lant;
    Voor welkers aanzien, dat het alles daar moet strijken,
    Gelijk de starren voor het ligt van Phaebe (1) wijken.
Voetst. Wat is ’er dan, het geen u ziel so seer ontstelt?
Phaed. (400) En vraagt gy dat? terwijl de Min met sterk gewelt
    In desen boesem so vervaarlijk quam te branden?
Voetst. Een minnend hert verstrekt geen Koningin tot schanden.
Phaed. ’t Is wel geseit, indien de Min niet uit en brak:
    Indien de gloet der vlam niet steeg tot boven ’t dak.
    (405) Want so ’k geen weder-min voor Liefde kan verwerven,
    So moet ik, of door smert of droeve wanhoop, sterven:
    De straal der Godheit blaakt te streng in dit gemoet.
Voetst. Doorlugte Koningin, van Minos god’lijk bloet
    Gesproten, laat mijn reên diep in u sinnen stijgen!
    (410) ’t Is mens’lijk datmen Min in ’t week gemoet sal krijgen:
    ’t Is schand’lijk dat de Min het week gemoet verrast:
    Dog reed’loos dat sy ’t hert verwint. Het past
    Een Koningin de schand’ en reed’loosheit te mijden.
    Maar als de Min in ’t hert door lang verloop der tijden
    (415) Is ingewortelt, so gebiet Gedienstigheit,
    1. De Maan, suster van Phaebus Apollo, de Son.
[p. 15]
    Haar aan te tasten met een wijs-beraân beleit;
    Geen moet, uit wanhoop, strax so plots verloren geven.
Phaed. Met waarheit kan geen mens u reed’nen tegen-stréven:
    Dog daarom strekt ons magt niet over waarheit heen.
    (420) Raat-geven ligter valt, als naar den Raat met reên
    Te luist’ren. Ons gemoet beproeft (hoewel tot schanden)
    De stralen vande Min in desen boesem branden.
    En wie, wie kan de magt der Liefde weder-staan?
    Wie buigt sig voor de Min niet graag als onderdaan?
    (425) Wie kan de sterke magt van Venus over-winnen?
    Wie vande Goden of staag-lévende Godinnen
    Sig kan beroemen, dat Cupidoos wisse boog
    Geen boesems trof wanneer sijn pijl naar ’t hert toevloog?
Voetst. ô Koningin, wilt maar de sporelose werken
    (430) Van dees’ u Min met ernst en aandagt eens bemerken,
    Gy sult bevinden, dat haar brant niets God’lijks heeft.
    Want als de Min geen blijk van Reed’lijkheit en geeft,
    Veraarts’ in Wellust, daar het Vé door wert gedréven.
    Wie sal nu toe-staan dat de Goden sulx ons geven?
    (435) So dàn geen Wellust door de Goden wiert verleent,
    En dat de Min, die tans het merg van u gebeent
    Verteert, geen Liefden is, maar Wellust; siet so eren*
    De Reed’nen, dat m’u Min uit bloet en sin kan wéren,
    Door dienmen Wellust kan verdrijven. Dat een Vrouw,
    (440) Verbonden door den Egt der Goddelijke Trouw,
    Geen ander, als alleen haar Man, mag Min toe-drágen,
    Getuigt de Reden, die Natuur in ’t hert doet dagen:
    Getuigt de straf, die tot het quaat van Ontugt staat,
    Als iemant Overspel door breuk des Egts begaat.
    (445) Dat voorts een Vrouw, die ’t oog van snode lust liet wenden
    Op ’t bloet des Mans; haar lust voldeed; van ’t bloet te schenden
    Souw vry-zijn, is met regt sijn léven niet geleert.
[p. 16]
    Die dàn uit Overspel de smet des bloets begeert,
    Aan dubb’le misdaat sig te klaar moet schuldig maken.
    (450) En die, door ’t plegen van twé sulke snode saken,
    Sijn Pligt, sijn Eer, sijn Roem, en vroom Gemoet bevlekt,
    So snóden schennis met geen Reed’lijkheit bedekt.
Phaed. De vuilheit onser Min geen reed’lijk mens ontkenden.
    Maar dat geen hulp dit quaat van ons gemoet kost wenden
    (455) Is door ervárentheit gebléken. Want ik sweer,
    Dat dese ziel alleen in Edel-moet wel eer
    Maàr lust nam; eens so lief het droefst van alle saken
    Verkoos, als ’t groots gemoet van Wellust slaaf te maken.
    Dog, mits ter werelt niet bestendigs wiert bespeurt,
    (460) So was ook ons besluit niet éwig. ’t Is gebeurt (1)
    Dat hy, wiens schoonheit nooit door tongen wiert volpresen,
    (Hoewel hem daaglijx hier de Deugt wiert onderwesen (2)
    t’Athene quam, opdat door hem bekéken wiert
    Het grote Feest (3) dat doè t’Athenen wiert geviert.
    (465) Hier heb ik hem, maar met een minsaam oog, bekéken.
    Sijn schoon gesigt strax wist een vuur in ons t’ontstéken,
    ’t Welk nooit, door ’t afzijn van die ’t aanstak, wiert verteert.
    Van doen-af-aan is ons niet dan te wis geleert
    Hoe swaar men ’t minne-vuur uit boesems quijt kost raken:
    (470) Want doèn ik d’eersten brant in ’t hert hier voelde bláken,
    En my t’ontslaan sogt van Cupidoos straf gebiet;
    I.    Narrat amoris originem.
    2.    by den ouden Pitthëus.
    3.    der Mysterien van Eleusine, Thesmophoria geheten, ende ter éren van de Godinne Ceres ingestelt. En wiert het selvige met so uitstekenden heiligheit en aanzienlijkheit gehouden, dat ook den vermaarden Hercules, Castor, en Pollux voor sonderlinge eer hebben gerékent als Gebroeders van de voorsz. heiligheit en aanzienlijkheit ingeschreven te zijn geweest.
[p. 17]
    Bedagt ik raat, versogt ik middels; maar om niet.
    Want yder weet hoe sig dien strijt heeft toe-gedragen,
    Waar in dat Pallas met veel sonen wiert verslagen, (1)
    (475) Wanneer den koning (doe dien Vyant was verheert)
    Hier, met de sijne, zege-pralend is gekeert.
    Geluckig, so de Min ons niet was by-gebleven.
    Maar doèn ik alle daage hier voor ons oog sag swéven
    Dien Roem der Princen, welkers schoonheit ik aanbad,
    (480) So groeide dag op dag mijn Min in dese stat;
    Mijn Min, die metter tijt so sterk hier wiert van binnen,
    Dat niemant, als de Doot alleen, haar kon verwinnen.
    Wat raat? Ah Noot brak wet! Mijn koninklijk gemoet
    Verkoos de doot wel: maar de Min, in ’t ziedend bloet
    (485) Diep ingedrongen, wouw ten Afgront nog niet dalen.
    Ia Venus, door de kragt der sterkste minne-stralen,
    Ons so begloorden, dat dit hert, aan brant geraakt,
    Voogdy verloor, en slaaf der Liefde wiert gemaakt.
Voetst. Wat schande van Princes te werden een slavinne!
Phaed. (490) O laat medógentheit u fiere borst verwinnen!
    Heb deernis met een hert, dat, door de Min verheert,
    Gelijk een Æthna brant, en brandend wert verteert.
    O Voetster! so mijn gunst u nooit bewoog tot haten,
    So wilt ons nutertijt niet sonder hulp verlaten:
    (495) Maar trouw’lijk by-staan in ’t bevord’ren vande Min.
Voetst. Ach! ’t hert is goet: maar Theseûs soon, ô Koningin!
    1.    Pallas is geweest een soon van Pandion, en soons-soon van Erechtheus, die Koning van Athenen was. Den gemelden Pallas wert geseit vijftig sonen by verscheide Vrouwen te hebben gehad: ende van voornémen te zijn geweest Theseus uit den troon van Erechtheus te ligten: dat hy daarom nevens sijne voorsz. sonen en Vrienden de wapenen had aangenomen, ende sijn gantsse magt in twé hopen verdeilt, treckende met de éne hoop regt naar de stat, ende de andere hebbende verborgen in een seker Gehugt, Gargettus genaamt: Dog Theseus sulx te weten zijnde gekomen, is kloekmoedig eerst op de lage-leggers aan-gevallen, en heeft haar so dapperlijk besprongen, dat sy alle te samen aldaar het leven hebben gelaten. d’ Andere dit verstaan hebbende, zijn, naar korten tegen-stant, op de vlugt gedréven, met verlies van haar Opper-Hooftman Pallas.
[p. 18]
    (Schoon dat u Min tot hem mogt vry-geöorloft wesen)
    U nooit sal hóren, maar vervloeken, schrómen, vrésen.
Phaed. De Min, die selfs den Leeuw, den Wolf, het Tygerdier,
    (500) Het Everswijn, den Beer, en stoterigen Stier
    Maakt onderdanig, sal hem tot gehoor wel brengen.
Voetst. Nooit sal u Min sijn hert door ’t vuur der Liefde sengen.
    Maar schoon dat door den tijt dit egter kost geschiên;
    Den Koning Theseûs laat sig hier van daag nog zien.
Phaed. (505) Dies wil ik aan sijn soon mijn Lijden strax gaan klagen.
Voe. Den jongen Prins is vroeg, al voor den dag, uit jagen.
Phaed. Ik sal hem volgen, waar hy loopt of waar hy gaat.
Voetst. O spijt! wat vuilder smet, wat schrickelijker quaat,
    Dan dus van Koningin een slaaf der jagt te werden!
    (510) De drift van sulken Min voert uwe smaat te verde:
    Gy sult u stellen tot een spot van yder een.
Phaed. Iupijn, die dag voor dag wert smékend’ aangebeên,
    Is in een stieren-huit kloek-sinnig ingekropen
    Alleen uit Liefde tot sijn Bruit, de schoon’ Europe.
    (515) De klare Phaebus, die ten hemel daag’lijx straalt,
    Is van den hemel om sijn Lief wel neêr-gedaalt,
    En heeft het wesen van een herder (1) aangenomen.
    Wat hoeven wy voor ’t kleet dàn van een Nymph te schrómen?
Voetst. U leven, u gesag, en eer loopt groot gevaar.
Phaed. (520) Wy volgen maar de Wet der grote Liefde naar.
Voetst. Gy sult al d’and’re Goôn vergrammen doen in tóren.
Phaed. Geen mens, die naar ’t Gebot des Noot-lots niet moet horen.
    1.     Weidende negen achtereenvolgende jaren het Vé van Admetus Koning van Thessalien, in de velden van Elis en Messenien, in Peloponese: of (so andere met groter waarschijnelijkheit meinen) in de Velden van Magnesien, gelegen in Thessalien; ende dat puur allenig ter liefde van de Dogter des gemelden Koninx.
[p. 19]
    Geen gulden scepter, geen bediämante kroon
    Haar kragt vernietigt: selfs geen van al d’opper-Goôn,
    (525) Die voor de magt van dit Gebot geen mont moet snoeren.
Voetst. O! tot wat quaat kan sulken Waan geen mens vervoeren!



Venus, de Godinne der Liefde, wert door Cupido van ter zijde gevoert in de marmere slaap-kamer, hier voor vermelt, en spreekt tot Phaedra dese naar-volgende lange Reden.
VRees niet, ô Koningin, de grote magt en wet
            Der Liefde naar te komen,
    Of schoon de rede van het Bloet en ’t Huw’lijx-bed (1)
    (530) U ráden mogt den loop der wellust in te tomen.
    Ziet hier de Godheit van de Liefde, welkers magt
            Was oorsaak dat haar stralen
    U Min deed branden op een God’lijk schoon geslagt,
    Om door de Min ook van de Goôn te zegepralen.
    (535) Hoewel u Liefde dàn tot voorwerp had het kint,
            Van Theseûs voort-gesproten;
    Natuur en Reden (2) nooit verboôn aan een, die mint,
    Sijn Min te vesten op de naaste bloet-genoten.
    Dit zien wy sonne-klaar in dieren, die Natuur
            (540) Naar haar gebiet doet leven, (3)
    Hoe, sonder onderscheit van bloet, door ’t minnevuur,
    Den éne tot de Min des anders wert gedréven.
    De Rede leert ons datmen ’t waardigst minnen moet.
            Wat salmen waarder eren
    (545) By menssen, als den schat van ’t onwaardeer’lijk Bloet,
    By ’t welk men gout nog schat so waardig sal waarderen?
    En of ook sommig Volk voor onbetaam’lijk agt
    1. Dissuadendi duo argumenta, Incestus nefarius & Adulterium.
    2. Nec ipsa Naturae lege, nec recta Ratione prohiberi amores probare conatur.
    3. A brutis animalibus deductum argumentum.
[p. 20]
            Het naaste Bloet te schenden;
    De Wet der Liefde, die de Min heeft voort-gebragt,
    (550) Geen schennis van het Bloet, veel min van ’t Naast’ erkenden.
    Hier tegens, die dan ’t een dan ’t ander Volk beziet,
            En op haar pligt wil letten;
    ’t Is seker dat hy nooit een vaste pligt geniet,
    Indien hy léven sal naar aller Volk’ren wetten.
    (555) Den Indiäan heeft door gebruik iets aangewent,
            Waar voor dat and’re schrómen:
    Ægypten-lant heeft veel voor heiligheit erkent,
    Waar van de Grieken inder éwigheit niet drómen.
    Dus dan gedompelt in so woesten Oceäân
            (560) Van Volk’ren en van steden;
    So laat ons ’t voorbeelt van de Goden niet versmaân,
    Die niet en doen als ’t gunt sijn steuntsel heeft op Reden.
    Of wasser iemant onder u (’t zy Man of Vrouw)
            Die nooit en quam ter oren,
    (565) Hoe Pluto Proserpijn verkreeg door d’egt der Trouw,
    Hoe Mulciber ons tot sijn Huisvrouw had verkóren?
    Ziet Oom en Moei zijn met haar Nigt en Neef getrout:
            Schoon and’re sulx verboden.
    Ik swijg Iupijn, wiens vuist der Goden scepter houwt,
    (570) Die Iuno tot sijn troon en bruilofs-bed dorst noden.
    Mogt Iupiter dan met sijn eige suster treên
            In Hymens egte banden;
    Waarom wert Phaedra tog van schroom en schrik bestreên,
    Terwijl de Min haar doet op Theseûs Voor-soon branden?
    (575) Of is het Minnen aan een stief-moêr meer verboôn?
            Of is de magt der kronen
    Hier in so groot niet als des Vaders vande Goôn,
    Die met sijn blixem-vuur sijn grote magt kan tonen?
    Waarom heeft Creön dàn sijn suster uit-gelooft
            (580) Aan die de Sphynx verdréven?
[p. 21]
    Wiens leven OEdipus met raatsels heeft ontrooft,
    Om met sijn naaste bloet sig in den Egt te géven.
    ’t Is waar dit huw’lijk wiert onwetend’ aan-gegaan.
            Maar sal hem ’t wéten schaden,
    (585) Die door sijn Wetenschap dit monster heeft verdaan;
    Wiens voeten dat hier door op Cadmus (1) Zetel traden?
    Of souw ligt daarom ook u Min verboden zijn
            Om dat u Theseûs trouwden? (2)
    Daar seit hy neen toe, die den oppersten Iupijn
    (590) By Danaë, Calist, Alcmeen’, of andr’ aanschouden.
    Een Konink al mag doen wat dat sijn hert begeert,
            Waarom geen Koninginne,
    Die door haar schoonheit ’t hert des Koninx over-heert,
    En al sijn Majesteit kan door haar Min verwinnen?
    (595) Indien geen mens, geen Vorst mogt Overspel begaan,
            Waar sal dàn Iason blijven?
    Waar sal Alcides of Pirithoüs tog staan,
    Ia waarom sal u Man selfs Overspel bedrijven?
    So ’t Koninx bloet niet smet, en so den Koning doet
            (600) Al wat sijn hert mag wenssen;
    Waarom is meerder smet in Koninginnen bloet?
    Waarom zijn Vrouwen niet so wel als Mannen menssen?
    Of is haar schoonheit niet veel groter als der Mans?
            Of zijn haar Minne-togten
    (605) Van minder kragten als de schoonheit van haar glans?
    Of wert haar schranderheit nooit vande Min bevogten?
    Waarom heeft selfs Natuur aan ’t Vrouw-volk altemaal
            Dees eigenschap geschonken,
    Indien een Koningin door Vorstelijke praal
    (610) Geen killen boesem tot haar Liefde mogt ontvonken?
    Daar dàn de Liefd’ het al, wat datter is, verwint;
    1. Den eersten stigter van Thebe, soon van Agenor, en broeder van Europa.
    2. Ad postremum jam transit dissuadendi argumentum, nempe Adulterium.
[p. 22]
            Daar door ’t gebot der Goden
    Den braafsten Voor-soon (1) door sijn stief-moêr wert bemint;
    Waarom wert sulken Min, als swaar verdoemt, gevloden?
    (615) In tegendeel so most de Liefde ’t brandend hert
            Van Phaedra klaar ontfonken;
    Op dat haar oog, dat vande Min ontstóken wert,
    Den Soon verwinnen souw met goddelijke lonken.
    Hierom steeg Venus op den lagen Aartboôm neêr:
            (620) En quamp haar hulp verlénen
    Aan Minos dogter, (2) die, door ’t nut van sulken Eer,
    Ligt kost begrijpen dat de Min haar wouw verénen.
    Indien de Koningin haar sinnen sonder twist
            Naar onsen raat sal schicken;
    (625) So sal de Moeder vande Liefde door haar list
    Des Koninx voor-soon, eer hy ’t weet, in ’t net verstricken.
    Laat Phaedra maar het Hof verlaten, om in ’t wouwt
            Sig aan dien spruit te tonen:
    En kleden haar, niet met de pragt van blinkend gouwt,
    (630) Maar met de kléders van een strijtbaar’ Amasone.
    So sal ik voorts haar dàn vervoeren, daars’ alleen
            Hippolutus sal vinden:
    Die, door haar schoonheit, en door Venus God’lijkheên
    Geprickelt, volgen sal sijn prálende beminde.
    (635) Kom, laat ons daat’lijk naar een jagt-gewaat gaan zien.
            Ik selver wil op heden
    Betónen, wat voor hulp de Liefden aan kan biên
    Om iemant naar de konst beminnens-waart te kleden.



De Koningin vertrekt met Venus, en de Voetster blijft alleen, en spreekt als volgt.
IS’t waarheit dat ons oog soo klaar heeft aan-gezien?
    (640) Kan sulx gebeurt zijn door Godinnen van hier boven?
    1. Hippolutus, Theseus Voor-soon.
    2. Phaedra, dogter van Minos en Pasiphaë.
[p. 23]
    Hoewel ik dese saak klaar-blijkend zag geschiên,
    ’k Sal egter (schoon gezien) mijn-selven niet geloven.
    O neen! so vuilen stuk kon inder ewigheit
    Niet zijn bedréven door de Moeder van het Minnen.
    (645) Of, so ’t gebeurt is (want dit blijkt uit klaar bescheit)
    So ken ik Venus voor geen Hemelse Godinne.
    Maar kost sy klaarder blijk verlénen van haar magt
    Als dat sy Phaedra, my, en ’t Hof te grond deed ploffen?
    Wat raat! wat sal ik doen? wat dient hier voort-gebragt
    (650) Om ’t quaat t’ontwijken, dat ons wis heeft aan-getroffen?
    O Goden! ziet ons gunstig aan:
    Of ’t is met Theseûs huis gedaan!



Rey van Traezenisse Maagden.

I. GESANG.
        WAt zijn u kragten,
            O wond’re Minne-magten,
            (655) Van groot gewelt
            So wel voor Krónen
            Als die, wiens hoop op Trónen
            Is neêr-gestelt:
            Of die door gonst des Vaders vande Goôn
            (660) Hier boven leven,
            Ten Hemel swéven,
            En, aangedréven
            Door de Goddelijke Min, de Min, de Min,
            Roemen ’t alderschoontste schoon.
I. TEGEN-GESANG.
            (665) Door uwe stralen
            Komt in ons hert te dalen
            Een blijde gloet,
            Die lijfen leden
            Der volk’ren en der steden
[p. 24]
            (670) Vereeuwen doet.
            Maar sonder dit so kost nog rijk, nog troon,
            Nog stat, nog muren
            Langwijlig’ uren
            In voorspoet duren;
            (675) Daar tans egter door de Min, de Min, de Min
            Bloeit het allerschoontste schoon.
II. GESANG.
            Wie kan de lonken
            Der Min, van blijtschap dronken,
            Bedroeft bezien?
            (680) Wie ’t schoon der ógen,
            Vol minnelijk me-dogen,
            Op ’t hert gebiên?
            En sitten dan, als deerlijk onder doôn,
            Sijn’ handen wringen,
            (685) In plaats van springen,
            In plaats van singen,
            Dat de vreugt der blijde Min, der Min, der Min
            Zegepraalt van ’t schoontste schoon?
II. TEGEN-GESANG.
            De gantsse werelt,
            (690) Hoe schoon, hoe trots beperelt,
            Der Liefdens Oest
            Niet kost ontbéren
            Of souw strax weder-keren
            In ’t schrik’lijk Woest.
            (695) Den aard-boôm, daar nu ’t sterflijk houwt sijn woon,
            Met bléke wangen,
            Van schrik bevangen,
            Staag souw verlangen
            Naar een einde, so de Min, de Min, de Min
            (700) Ons niet schonk haar schoontste schoon.
[p. 25]
TOE-SANG.
            Het lagchend wesen
            Wert dan met regt geprésen
            Van Erycijn:
            Wiens Zege-pralen
            (705) Met meer als blixem-stralen
            Praalt van Iupijn:
            En over-heerst al d’and’re magt der Goôn
            Als Koninginne;
            So dat van binnen
            (710) De Ziel en sinnen
            Staan gekluistert door haar Min, haar Min, haar Min,
            Die met regt is ’t schoontste schoon.
Continue

DERDEN HANDEL.

Het Tooneel is verandert in een Bosschaadje, in het welke Hippolutus, van sijne jagers afgedwaalt, allénig by een Fontein staat, water scheppende,
en sprekende als volgt.
LAat Vorsten, die sig selfs met purpur doen bekleên,
    Wiens mantels van Turkois’ en Diämante blinken,
    (715) Uit goude koppen, schoon-naar-konst-gedreven, drinken
    Gemengde dranken van vermaarde kost’lijkheên:
    Wy scheppen hier vermaak, om, volgens lust, een koelen
    En klaren water-toog uit spring-bronn’ aan te zien;
    Geen bléke sorg sal haar door sulken drank ontvliên,
    (720) Maar wy, door desen drank, de sorg van ’t hert afspoelen.
    Wy scheppen vreugt om aan een kristallijne beek,
    Met bloem en kruit besoomt, ons bly te gaan vermeyen;
    De son t’ontvlieden langs de wélige valeyen
    En koele schaduw van een digt-beboomde streek.
    (725) De radde Nymph’ hier ’t wilt van ’t woeste bos belagen,
    En Phaebe volgen, tot vermaak van lust en sin:
[
p. 26]
    Dit is de woning van de schone Iagt-godin,
    Om door de jagt van ’t wilt haar wellust weg te jagen.
    Geen kroon-sugt sal ons hier bevangen om den troon
    (730) Van wrede bloet-dorst onregtvaardig op te stijgen:
    Geen mens hier onse ziel naar schen-deugt sal zien hijgen,
    Daar ’t hert sal rein zijn van onnósel volk te doôn.
    Geen schelmstuk in ’t verwelf des Hofs hier blijft verborgen:
    Jupijn hier selfs betuigt ons onbesmet gemoet,
    (735) Terwijl wy naakt staan in ’t Verwelf, ’t geen d’hemel doet
    Vol starren schittren van den avont tot den morgen.
    O Goden! ’t is niet vreemt, dat, doèn gy ’t aart-rijk eèr
    Bewoondet, geen gegalm van salen u liet stigten,
    Met gout bedekt, met konst, waar voor het gout moet swigten,
    (740) Beschildert, met albast bemetselt op en neêr:
    Terwijl den Hemel, ’t schoontst, ’t welk iemant ooit aanschouden,
    (Wiens blaauw azuur alom met gulde starren blaakt,
    Veel schoonder als door konst van ’t sterflijk wiert gemaakt)
    Natuur u tot een Zaal en Opper-zetel bouwden.



Phyllis, de schone Bos-nymph, neder-geseten, singt de naarvolgende verssen.
    (745) MYn stem, roem hier met rijp verstant
    De schoonheit van het vrolijk lant,
    Daar eèr de Goden selver woonden:
    Daar ook de Deugt haar woonplaats had
    Voor dat Iupijn sig Koning kroonden,
    (750) En op sijn troon in Creten sat.
        Apol weleer het Hof der Goôn
    Verliet, en voor sijn Vaders troon
    De vreugt der Velden heeft verkosen.
    Door kragt van sijn vermaarde luit
[p. 27]
    (755) So droeg den dóren schone Rosen;
    De dorre steen-rots bloem en kruit.

Daphnis den Herder, gespróten van God Mercuur,
ontmoet by dese gelegentheit sijne beminde,
en spreekt op sijne éne knie nedergebogen,
terwijl Hippolutus ongemerkt toeluistert,
dese redenen.
    ’t IS langer tijt als nu twé jaar geleên
    ’t Zeêrdt dat ik u betraant heb aan-gebeên,
    En isser nog geen hoop van troost te winnen?
    (760) Is dit den loon voor die volstandig minnen?
    O Nymph! indien gy trots zijt op ’t geslagt
    Der Goôn; gedenk dat haar gesag en magt
    Geschroomt wert, en eerbiedig aan-gebéden,
    Om dat sy goet en gram zijn volgens Réden;
    (765) Niet gram op die haar smékend eer-aandoen.
    Of schijnt de Deugt u grootsheit aan te voên,
    Geen kleine Deugt bestaat in ’t nédrig wesen.
    Of so nooit mont u schoonheit heeft volpresen,
    Door Goetheit nooit de praal der schoonheit sterft:
    (770) Maar selfs voor Goôn en Eer en Min verwerft.
Phyl. [Ik moet sijn brein uit vreugt een weinig slijpen.]
    Indien gy strax my klaar sult doen begrijpen,
    Dat, volgens Reên, geen mens de Min mag vliên,
    So sal ik u mijn Weder-min doen zien.
Daph. (775) Maak u gereet tot weder-min, mijn Schóne!
    Nu ben ik ’t puik van die ten bos-waart wonen,
    Terwijl ik mijn Beminde heb bepraat.
                            Van der aarden op-staande.
        Voor eerst so neem u sinnen eens te baat,
    En merk, of niet door Min, van dien u baarden,
    (780) Gy regtevoort hier lévend staat op d’aarden?
    Hoe moogt gy vliên (dit ernstig over-weegt)
    Voor iets waar door gy ’t levend ligt verkreegt?
    Voor iets, ’t welk so ’t niet minsaam was bedréven,
    Gy nu ter tijt nog schoon soud zijn, nog leven?
[p. 28]
Phyl. (785) Moet dan een kint al ’t selfde werk begaan,
    ’t Geen d’Ouders eèr hem hebben voor gedaan?
Daph. Een kint, dat inde Deugt poogt op te wassen,
    Moet op de Deugt van bei sijn’ Ouders passen.
Phyl. Bewijs ons, dat in Min iet Deugtsaams woont.
Daph. (790) Wie leeft ’er, die de Min met Lof niet kroont?
Phyl. Souw dàn de Deugt, in ’t geen gelooft wert, wesen?
Daph. Pronk van ons lant, van schoonheit uitgelesen,
    Geen Lof of kroon de Deugt stelt in ons hert:
    Maar als haar glans met Lof verheer’lijkt wert,
    (795) So kan m’uit kragt van wisse tékens tónen,
    Dat in ons hert beroemde Deugden wonen.
    En wis, wie leeft ter werelt, die niet weet,
    Dat sonder Min de Deugt ondeugtsaam heet?
    Dog dat de Min selfs ’t geen niet Deugt kan helen?
    (800) Door Min so krijgt de klare Deugt haar delen:
    En stijgt tot op den stoel der klare Goôn,
    Door Min schijnt ons de Deugt allénig schoon;
    Wert lust verwekt om ’t Deugtsaam naar te jagen:
    Geen rust voor dat wy ’t Overwinnaars zagen.
Phyl. (805) Dat sonder Min de Deugt ondeugtsaam heet?
    ’k Versta dat niet: die stelling staat te breet.
Daph. Stelt sonder Min wat Deugt gy wilt voor ogen,
    Klaar sult gy strax ’t verstant begrijpen mogen.
Phyl. Wy weten door ’t begrip van Reed’ en sin,
    (810) Dat ’t heilig Regt een Deugt is sonder Min.
Daph. Wie kan van ’t heilig Regt ooit preuven tónen
    Indien de Min niet in sijn borst sal wonen?
Phyl. Is dàn Astré, het Regt, geen reine maagt,
    Die nimmer Min in haren boesem draagt?
Daph. (815) Indien de Min tot Regt nooit was verrésen
    In haar, hoe kost sy dàn Regtvaardig wesen?
Phyl. O Daphnis! yder een hier ligt verstaat,
    Hoe dat gy met bedrog van list omgaat.
Daph. Gy zijt te wijs om sulken taal te voeren.
Phyl. (820) En gy te wijs voor Herders en voor Boeren.
[p. 29]
Daph. So Daphnis hier of list of wijsheit heeft,
    Het is de Min, dies’ hem allénig geeft.
Phyl. Kan dàn de Min ook Herders wijser maken?
Daph. Door Min verwerftmen ’t nut van alle saken.
    (825) Door Min men lust tot alles goets verkrijgt.
    Door Min ’t verstant in schrander’ harssens stijgt.
    So ’k u de kragt der Min regt souw verbreiden,
    So most ik nooit van u geselschap scheiden.
Phyl. Dat loof ik: neen, gy krijgt ons tot geen Vrouw
    (830) Voor dat gy toont de Noot en Deugt der Trouw.
Daph. Gy sult de Deugt gewilliglijk gehengen
    In haar, die ’t regt van Vrouw Natuur volbrengen?
    Sy, die voor Mans geschapen heeft de Vrouw,
    Geboôn heeft, datmen t’samen Trouwen souw.
Phyl. (835) Dog die de Noot hier van te rug wouw wenden?
Daph. Was schuldig aan Natuurs geboôn te schenden.
Phyl. Sulk schenden ons op ’t alderhoogst mishaagt.
    Maar waarom schiep Natuur de Vrouw selfs Maagt?
Daph. Om aan een Maagt te leren, dat, door ’t mengen
    (840) Van bloet met bloet, men Maagden voort kan brengen.
Phyl. Gy segt wel, dat het so ter werelt gaat:
    Maar’k zie niet waar die Wet geschreven staat.
Daph. In ’t heilig boek van Hert, van Ziel, en sinnen.
    In ’t Hert wert ons vertoont de Wet van ’t Minnen,
    (845) Als daar de Min, ten troon geséten, woont.
    Die Wet ook wert in onse Ziel vertoont,
    Als Ziel met Ziel poogt wisseling te plegen:
    En Ziel voor Ziel wert door de Min verkregen.
    Wy weten door de sinnen, dat, indien
    (850) Eens hondert jaar mogt sonder Min heen-vliên,
    En dat geen Vrouw de Min der Mans begeerden,
    Het Aartrijk, als weleer, in Chaös keerden.
Phyl. ’t Schijnt dat den Prins u reed’nen heeft verstaan,
    En daarom dus komt lagchend herwaarts gaan.
Hipp. (855) O Daphnis! praal der omgelége stréken!
    Die door u tong van deftig wijs te spréken
[p. 30]
    U ware spruit van God Mercuur bewijst,
    Wat reên, gy slaafs de Vrouwe-min dus prijst?
Daph. Daar dag op dag uw’ ogen ’t Hof bezagen,
    (860) Wat reên, om dit van Herders af te vragen?
Hipp. Ik vraag dit aan geen lompen Boere-soon,
    Nog Herder, maar aan Daphnis, spruit der Goôn.
Daph. Indien ik mé den Prins een vraag voor-stelden,
    Souw sijne tong de gront van ’t hert wel melden?
Hipp. (865) Vraag wat gy wilt.
Daph.                     Indien de kuisse Min
    Gedaalt was in u lust, en bloet, en sin,
    En dat gy tot mijn Phyllis waart genegen,
    Hoe souw den Prins sijn vryery dàn plegen?
Hipp. Nooit droeg ik hoop tot minnen: dog indien
    (870) My door een straf der Goôn iets most geschiên,
    Waar door de Min geraakten in mijn sinnen;
    ’k Souw Phyllis niet gelijk een slaaf beminnen:
    Maar houden op haar minsaam soet gelonk
    Die praal-gloor, die Natuur de Mannen schonk.
Daph. (875) Ligt valt het uit de reed’nen t’over-wegen,
    Hoe dat den Prins nooit was tot Min genégen.
    Voor mijn, ik, die de Min voel in mijn hert,
    Moet seggen, daar het toe gedréven wert:
    En lijden, dat, om wedermin te werven,
    (880) Ik staâg als slaaf wens in haar arm te sterven.
Hipp. Voegt sulken taal de soon van God Mercuur?
Daph. Een, die, so ras by ’t god’lijk minne-vuur
    Gevoelden in sijn boesem sagt bewegen,
    Ter aarde zeeg (1) om hier sijn Min te plegen.
Hipp. (885) ’t En was geen Min, waar door de wellust blaakt,
    Die God Mercuur heeft tot een God gemaakt.
Daph. Weg leckerny van pragt, van kost, van wijnen:
    Door Min alleen wy regte Goden schijnen.
Hipp.Maar schijn bedriegt.
Daph.                     In u, die met ’er daat
    1. Verlieft op de schóne Herse, en andere,
[p. 31]
    (890) Niet weet wat vreugt in reine Min bestaat.
Hipp. Een reine Min en sal ik nooit veragten.
    Maar Herder, so de Reinheit u gedagten
    Kon strélen; set voor-oordeel aan een zy:
    En mint: maar mengt geen Min met slaverny.
Daph. (895) Een dienstbaarheit, die willig wert bedreven,
    Geen mens de naam van slaverny mag geven.
Hipp. ’t Is langer tijt als nu twé jaar geleên,
    ’t Zeêrt dat ik u betraant heb aangebeên,
    En is ’er nog geen hoop van Troost te winnen? (1)
    (900) Hoe past gy sulken taal op vrye sinnen?
Daph. So slaverny den Mannen is verboôn,
    Hoe stijgt den Prins dàn op sijn Vaders troon?
    Want so den dienst door Vorsten wert misprésen,
    Wie salder dàn tot dienst der Vorsten wesen?
    (905) Wat Onderdaan, wat Borger dienst begeert?
Hipp. Waarom van ’t lant strax tot den troon gekeert?
    Te meer, daar nooit my trof de Min der trónen?
    Indiender Min in dese borst kan wónen,
    ’t Is Min der Deugt: en al waar dese staat,
    (910) De Vryheit groeit, en slaverny vergaat.
Daph. Mint wat gy wilt: ik min alleen mijn Schóne:
    ’k Verwissel voor haar glants geen glants van krónen.
    Of schoon Iupijn het regt sijns Tafels schonk,
    Daar ’k alle daag den kroes vol Nectar dronk,
    (915) En Ambrozijn kost naar mijn wellust vinden;
    ’k Verliet den Dis der Goôn, om mijn Beminde
    Te volgen, waar ’t Geluk haar henen-bragt.     Hy vertrekt.
Hipp. alleen. Wat zijt gy nog, ô Daphnis, onbedagt!
    Hoe duister heeft de Min u ’t brein betogen!
    (920) ’k Ben met den spruit in ’t vroom gemoet bewogen,
    Terwijl ik sijn vernuft en Deugt bevin
    In alles, uitgesondert in de Min.
    1. repetit priora Daphnidis verba.
[p. 32]
Phaedra, gekleet als de Godinne Diana, geseten in de wagen der Liefde, daalt nevens de Godinne Venus ter aarden. De gemelde wagen wert omringt door de drie Bevalligheden, Pasithea, Thalia, en Euphrosyne genaamt: die, terwijl deselve neder-daalt, singen als volgt:
AL, die ’t Vermogen wil verheffen,
    De magt der Min verheffen moet:
    (925) En roemen ’t onwaardeer’lijk goet,
    ’t Gunt ons de Liefde doet betreffen.
        Indien den Blixem brant kan stigten
    In Æthna, winkel van Vulkaan,
    Venus Olymp aan brant doet staan:
    (930) Den Hemel voor de Min moet swigten.
        Wy volgen dàn de gulde stralen
    En Wagen van de schone Min,
    Terwijl dat Cypris koningin
    Op d’aarde trots komt zege-pralen.
Ven. (935) Ik, die gebiet voer in den Hemel, in de Zeên,
    Op aarden, en ook selfs diep onder ’t aartrijk heen,
    Daar Pluto wetten geeft aan schimmen, schep genoegen
    Om my op ’t aartrijk uit den hemel neêr te voegen,
    Opdat ik aan een spruit van god’lijk schoon geslagt
    (940) De grote Godheit van mijn schone Liefde bragt.
    Geen vande Goden schatten ’t ooit voor kleinigheden
    Op Paphos hoogtsten Troon door onse gonst te treden,
    En daar t’omermen ’t schoontste schoon, dat ergens blijkt.
    Hoe schuw dat Theseûs-soon ook voor die schoonheit wijkt;
    (945) ’t Is om geen’ andre reên als dat hy nooit gesmaakt heeft
    De soetheit, die de Min voor alle smaak gemaakt heeft.
    Want naar het proeven van die leck’re soetigheên,
    So sal hy bly van geest op Cypris zetel treên,
    Om daar van daan, gelijk Cupido, ’t hert t’ontroeren,
    (950) En over hert, en lust, en sin gebiet te voeren.
    Maar zie, daar staat hy selfs sijn drogen dorst èn slist,
[p. 33]
    Onwetend dat de Min gewapent daalt met List.
Hipp.Wat schoonder Godheit, met so klare flonker-stralen,
    Komt hier op ’t aartrijk dus doorlugtig neder-dalen?
    (955) Het wit gewaat ons toont Idaal’jens Koningin,
    Maar ’t ander, ’t wesen van de vlugge Iagt-godin.
    Hoe! kan Latonaas vrugt (1) met Venus sig verénen?
Ven. [Wy moeten Paphos brant hem in sijn borst verlenen.]
Hipp. ô Grote Godheên! ’t zy gy van Iupijns geslagt
    (960) Afkomstig zijt, of door Neptunus voort-gebragt,
    Eerbiedigheit ons neigt te buigen voor u wagen,
    Op hoop dat uwe gunst ons sal geluk toe-dragen.
Ven. Schep moet, ô Iongeling; ziet Venus komt alleen
    Om uwent wil van haar gewest in ’t Bos beneên.
Hipp. (965) Om mijnent wil alleen in dit gewest verschijnen?
Ven. Om uwent wil.
Hipp.             Dat doet wel hoop, geen sorg, verdwijnen.
Ven. Wat sorg beklemt het hert van Theseûs dappren soon?
Hipp. Het droevig voorbeelt van den stervenden Adoon. (2)
Ven. Een ander voorbeelt draagt de Liefden in haar wagen.
Hipp. (970) Wat ander voorbeelt kan ons hier de Liefde dragen?
Ven. Een voorbeelt van vermaak, van vreugt, en blijde gonst.
Hipp. ’t Hert klopt ons.
Ven.         ’t Voegt geen jeugt, het voorhooft dus gefronst:
    Laat, die de kruk draagt, sulk gestel van roosters dragen.
Hipp. Nooit Liefden ons voorheen dus trof met ruwe slagen.
Ven. (975) [’t Is tijt om nader tot den jongman toe te gaan.]
Hipp. Zijt hoogh gegroet, ô Maagt! ô magtige Diaan!
Ven. [Tre voort.
Phaed.             De moet ontbreekt.
Ven.                         De Liefde moet sal maken.]
Hipp. Gy, die mijn ingewant doet door u Liefde bláken,
    1. Diana, dogter van Latona, die staâg maagt is gebleven: en oversulx nooit met de Liefde heeft kunnen verénen.
    2. Die door een wilt swijn wiert omgebragt: waar over Venus met haar wagen ter aarde daalden om sijne doot te betreuren.
[p. 34]
    En door een reine Min dit kloppend hert versengt,
    (980) Gedoog, dat hy sijn hert u tot een offer brengt,
    ô Iagt-godin! die voor u glants sig neêr moet buigen!
Ven. [Hoe doolt hy!]
Hipp.             Gy, ô eer der Bossen, kunt getuigen,
    Dat door geen andre Min dit hert gedréven wiert,
    Als die der Reinheit, die gy selfs het kragtigst viert.
Ven. (985) [Gy moet den minnaar in sijn’ oude doling laten.
Phaed. So sal ’t Bedrog ons schaân, de Min ons weinig baten.
Ven. Laat dese sorg alleen aan ons bevolen zijn.]
Hipp. ô Klare Dogter van den Blixemvoogt Iupijn,
    Hoe lang sal dit gemoet nog om u vrientschap wenssen?
Phaed. (990) ô Soon! wiens roem ik stel ver boven alle menssen!
Hipp. ô Soon? [voorwaar dien naam behaagt ons enkelt niet.]
Phaed. Wat reed’nen, dat een Soon dus voor sijn Moeder vliet?
Hipp. [Dit schijnt bedrog: Diaan heeft nimmer soon genoten.]
Phaed. So blijf, ô Vremd’ling, dàn van u Diaan verstóten;
    (995) Terwijl gy d’eer van haren soon onwaardig zijt.
Hipp.Vergeef ons, magtige Godin, voor desen tijt
    d’Onwetenheit, die ’k puur uit plompheit heb bedreven.
    Wilt ons, in plaats van Soon, den naam van Dienaar geven:
    U dienaar ben ik, niet met naam, maar inder daat.
    (1000) De naam, van soon der Goon, maakt Princen slegts gehaat
    Op aarden: doet haar hert tot Hovaardy verheffen:
    En nimmermeer de daat der ware Goôn betreffen.
    Wy minnen maàr alleen de Deugt der Goôn; geen naam.
    Wy werden Goden door de Deugt, niet door de Faam.
    (1005) De kennis van sig selfs, een Deugt is, nooit volprésen.
    En wie sal, kennende sig selfs, hovaardig wesen?
Phaed. Welaan, terwijl den naam u van mijn soon mishaagt,
    En dat gy Min, niet als een Soon, maer Dienaar draagt;
    So sal ik u den naam van onsen Dienaar geven,
    (1010) Schoon uwe Deugden boven al, wat vry is, streven.
[p. 35]
Ven. Waar toe dit aarselen? dit vliên? voorwaar gy moet
    Geen Goôn bespotten.
Hipp.             ’t Hert, en sin, en geest, en bloet,
    En sorg, en al wert door de vrees so sterk gedréven,
    Dat al mijn léden aan het ligchaam trill’ en beven.
Ven. (1015) Hoe! sult gy wenssen om de gonst der grote Goôn,
    En vliên so ras die gonst, verleent, wert aangeboôn?
    De Goden zijn niet om den spot met haar te drijven.
Hipp. ô Venus, wilt vry staâg in uwen hemel blijven!
    Wy wenssen nimmer om u gonst.
Ven.                                             Zie wat gy segt.
Hipp.(1020) Wy zien te veel.
Ven.                                     Gy waant te veel,
Hipp.                                                             Geen Min hier hegt.
    Gy spilt vergeefs op desen boesem uwe schigten:
    Want eerder sal Iupijn voor d’andre Goden swigten,
    Een Rots voor golven; eer Amathus Koningin
    Ons slaaf sal maken van haar tóverende Min.
    (1025) En gy, ô magtige Godin van Delos palen!
    Weet, dat, of schoon u gunst ons herwaarts wouw bestralen
    Met groter Liefden als u Dienaar waardig scheen,
    Geen mens hem zag in trotser staat als staâg voorheen.
Phaed. U nedrigheit hier in met réde valt te prijsen.
Hipp. (1030) Ik sal u, volgens pligt, Godinnen-eer bewijsen.
Phaed. Maar ’k ben versekert van u pligt tot onser gloor.
Ven. Of dit al vast gaat, is onseker.
Hipp.                                     Wat ik hoor?
Ven. Gy hoort de waarheit uit de mont van Eryciene.
Hipp.So veer ik u, Godin der jagt, niet staâg sal dienen,
    (1035) So wens ik dat dit ligt mijn laatste ligt mag zijn.
Ven.’t Zijn goede woorden, maar in woorden woont den schijn.
Hipp.Wilt ons, ô schone Maagt, al wat u lust gebieden,
    Dan sal het blijken of ik u Gebot sal vlieden.
Ven. Gebiet hem, dat sijn hert u so zy toe-gesint,
[p. 36]
    (1040) Als eer in Caria den Herder (1) heeft bemint.
Phaed. Op u versoek so sal ik hier de proef af wagten.
Hipp. Onwaardig ben ik sulken eer, ô ligt der nagten!
Phaed. Ik ken u waardig sulken eer, ô pronk der jeugt!
Hipp. Vergeef ons dat, helaas! ons ’t droef geval nog heugt
    (1045) Van Cadmus naar-saat (2) die de naaktheit dorst vertoor’nen:
    Dog door u gramschap wiert bekroont met harte-hoor’nen.
Phaed. Acteon zag ons naakt in weêrwil van ons wens;
    Gy zijt in tegendeel.
Hipp.                         Ik ben een nietig mens.
Phaed. Gy zijt een jongman, regt uit god’lijk zaat geboren,
    (1050) Die ’k voor Endymion tans heb tot lief verkóren.
Ven. Endymion zag nooit een goddelijke lonk
    Van sijn Diaan waar voor hy strax geen kusje schonk.
Phaed. Neen: d’Eerbaarheit verbiet hem sijn Diaan t’omermen.
Ven. Wilt u dàn over d’ Eer van desen spruit erbermen.
Phaed. (1055) Een kus? ja meer dan éne kus hy waardig blijkt.
Hipp. [Dit kussen, dit gestrook naar geen Diaan gelijkt.]
Phaed. Kom mijn Endymion ’t is lang genoeg geweigert:
    Set alle schaamten aan een kant.
Hipp.                     [Voorwaar dat steigert
    Regt op den zetel van Cupidoos minne-troon.]
Phaed. (1060) Ontfang van u Godin dien groenen Myrte-kroon.
Hipp. [Waar heen of dese gonst ons eind’lijk wil geleiden!]
Phaed. Kom mijn Hippolutus: kom, laat ons met ons beiden
    Ons gaan vermeiden aan een kristallijne stroom:
    Of onder schaduw van een digt-betakten boom
    (1065) Op klávren rusten, vol van tijm en viölieren,
    Om daar de bruiloft van een Goden-vreugt te vieren.
Hipp. [Dat gaat te grof: dit heeft in ’t minst gelijk’nis aan
    De reine kuisheit van de suivre maagt Diaan.]
    1. Endymion.
    2. Actéon.
[p. 37]
Phaed. Wel hoe! zijn dit, mijn troost, de regt’ en ware blijken
    (1070) Van u beloften?
Ven.             Neen, nu moet ik ’t vonnis strijken,
    Dat Theseûs-soon u regt gelijk een rots bemint,
    Die nooit ontroert wert, ’t zy door baren ’t zy door wint.
Phaed. Daar draagt gy schult van.
Ven.             Ik?
Phaed.                 Ia gy.
Ven.                         Laat reden horen.
Phaed. U soon met Daphnes pijl (1) sijn hert quam door te boren.
Cupido, nederdalende op sijne vlerken, seit
    (1075) Opdat gy ’t misverstant hier van klaar aan souwd zien,
    So sal ik u mijn hulp tot sijne Liefde biên.
Mit schiet hy een pijl, maar treft niet, uit oorsaak dat Hippolutus deselve ontwijkt. Dies vliegt hy, van spijt verbolgen, strax wederom weg.
    Hipp. ô Iupiter! hoe sal ik desen dans ontspringen?
Phaed. Mijn Lief, wat zijn’t voor reên, die u tot vlugten dwingen?
    Ziet wie gy voor-hebt. ’t Is geen wréde Tygerin,
    (1080) Nog ander wilt-gediert: maar ’t is Diaan, wiens Min
    Op u gevest is: die van boven kom gestegen
    Om onse lust met u, mijn hert, op aard te plegen,
    Terwijl den hemel ons omhoog geen minnaar schonk,
    Wiens oog so schoon gelijk de soon van Theseûs blonk,
    (1085) Hippolutus: in wien de Deugt kost waardig maken
    Om hoog ten hemel met sijn Cynthia te bláken.
    Gedenk, hoe menigmaal gy voortijts hebt gebeên
    Om onse gonst. En daar ik nu mijn gonst verleen,
    De grootste gonst, diem’ ooit van Maagden af kost wenssen,
    (1090) Wat zijn ’t voor monsters, wat voor tover-sieke menssen,
    Die ’t bly geval van sulken gonst u doen ontvliên?
    1. Dat is met sulken Min-verdrijvenden pijl, als daar Daphne mede wiert geschoten.
[p. 38]
    Wat magt heeft Delia (1) van wille, van gebiên,
    So veer gy haar gebeên nog smeking aan wilt horen?
    Indien gy vrees hebt voor Latonaas Dogters toren,
    (1095) Zie, dat gy dàn Diaan niet weder-waardig maakt:
    Haar toorn en gramschap als haar vaders blixem blaakt
    Opdie de Majesteit van haar Gebiet veragten.
    So veer gy schroom draagt voor haar wondrens-waarde magten,
    So veer gy, volgens ’t geen gy daat’lijk spraakt, haar eert,
    (1100) Voldoe dan, ’t geen Diaan op u, mijn Lief, begeert.
Hipp. Hoe kan ik, volgens pligt, volvoeren die Geboden,
    Die Kuisheit, Eerbaarheit, en Reinheit tegen-gaan?
    Die, schoonse door de mont geboôn zijn van Diaan,
    Regt-strijdig zijn de pligt der menssen, ja der Goden?
    (1105) Godinne, gy, die door u Deugt den naam geniet
    Van Kuisheit, Eerbaarheit, en Reinheit staâg te plegen,
    Wilt, volgens pligt der Goon, eens ernstig over-wegen,
    Of ’t reed’lijk is, het geen u Wet aan ons gebiet?
    Gy spant de kroon in dit gemoet: wy willen ’t sweren:
    (1110) Geen andre Liefd’ is door Natuur ons toe-gebragt.
    Maar nimmer heeft ons hert op sulken Min gedagt,
    Die Kuisheit, Eerbaarheit, en Tugt most van sig weren.
    So gy, die god’lijk zijt, met mensse-liefde moogt
    Beminnen; laat ons toe, die menssen zijn, en sterven,
    (1115) Een goddelijke Min in dese borst te werven,
    Die nimmer sterven kan so lang m’ u ligt beöogt.
    ô Heldre pronk-star van de schoontste Nagt-godinnen!
    Indien Endymion om uwe Liefde storf,
    Indien Hippolutus ooit uwe gonst verworf,
    (1120) Vergon hem, dat hy staâg u Kuisheit mag beminnen.
Ven. Een schoone Min, die niet als in ’t gepeins bestaat.
Hipp. Een Min, wiens god’lijkheit sijn leven niet vergaat.
Ven. Indien de Goôn tot u geen andre Liefde droegen,
    Gy souwd u staande voets tot andre Godheên voegen,
    (1125) En niet vernoegt zijn met den schijn van yďle waan.
    1. Diana, te Delos geboren.
[p. 39]
Hipp. Seg dàn Godinne, wat gy wilt van mijn gedaan...
Phaed. ’k Wil metter daat u Min genieten, niet met woorden.
Hipp. [So vuilen saak ik nooit van Phaebus suster hoorden.]
Phaed. ’k Wil zien of ’t hert getuigt de waarheit van u mont.
Hipp. (1130) Godin, die door u ligt het diepst geheim door-gront,
    En held’re stralen schiet door d’onder-aartsse spléten,
    Gy kunt het ware beelt van ons gewisse weten:
    Ons hert kan immers voor u nooit verborgen zijn.
Phaed. Dit zijn maàr woorden, niet van waarheit, maar van schijn.
Hipp. (1135) [Dit zijn geen woorden van Diana, maar gelijken
    Naar een, die door bedrog ons vals meint uit te strijken,
    De Iagt-godin weet al te seker, dat ons hert
    Tot niemant als alleen tot haar gedréven wert.]
Ven. Wat praat Hippolutus daar by sig selfs?
Hipp.                                                     Wy wanen
    (1140) Dat door u kunsten ons een schijnende Diane
    Is toe-getovert, die, gelijk Iupijn Calist, (1)
    Ons tragt te vangen in de stricken van haar list.
Ven. Gy zijt in dese saak door listen niet bedrogen.
Hipp. Bedrog of geen bedrog, wy zien hier voor ons’ ogen,
    (1145) Dat dese Vrouw nog is Diana nog Godin.
Ven. s’Is egter (spijt den soon van Theseûs) Koningin.
Hipp. Een Koninginne, die de schaamten is ontvloden.
Ven. Een Koninginne, die geslagt telt aan de Goden.
Hipp. Aan Goden, denk ik, regt als Mars of Erycijn. (2)
Ven. (1150) Aan ons nog Mavors, maar den blixem-voogt Iupijn.
Hipp. O schantvlek van ’t geslagt der Goden en der kronen!
Ven. Schelt geen Princessen, daar gy daag’lijx by moet wonen.
Hipp. Ik by moet wonen?
Ven.                       Ja gy, dwasen jongeling.
Hipp. Eer dat ik met ’er woon by sulken Vrouw-mens ging,
    1. Iupiter, Calisto willende ontéren, had sijn selven hervormt in de gedaante van Diana.
    2. Venus.
[p. 40]
    (1155) So wensten ik veel eer te sterven als te leven.
Ven. Gy sult ook, eer gy ’t weet, den laatsten doot-snik geven,
    Indien gy vast blijft staan by sulken bitt’ren haat.
Hipp. Wy staan verwondert om so schaamtelosen daat:
    Begerig egter om den naam der Vrouw te leren.
Ven. (1160) Indien gy by Iupijn ons sult met ede swéren,
    Haar Min te swijgen, ziet, so sult gy weten ’t geen
    Waarom gy wenst.
Hipp.                   Ik sweer by géne god’lijkheên
    Om sulken Vrouw: maar laat mijn Trouw tot pant verstrecken,
    Dat nimmer dese tong haar oneer sal ondecken.
Ven. (1165) Weet dàn, ô jongeling, voorséker, weet gewis,
    Dat Phaedra dogter van den Creetssen Minos is.
Hipp. En dese Phaedra? wat onlijdelijker woorden
    Den schrandren Dedalus ooit van haar Moeder (1) hoorden!
    O goddelosen tijt! ô gruwelijken dag!
    (1170) Die schendig ’t aldereerst dit schriklijk schelm-stuk zag!
    Wé my! most ik de naam nog van dit monster horen?
    ’t Afgrijslijxt monster, dat ter werelt is geboren?
    Dien ’t niet genoeg was, dats’ haar lust in Egtbreuk vond,
    Ten waars’ ook ’t vaders bed met vuile bloet-smet schond?
    (1175) O Son! gy die ’t gewest des aardboôms met u stralen
    Besigtigt, en u glants doet uit de wolken dalen,
    O wilt getuigen, dat dit aldervuilste quaat
    Door ons vervloekt wert; meer verdoemt als lantverraat.
Tot Venus. Neen snode! sulken list u nimmer sal gelucken:
    (1180) Want dese borst ik eens so lief sal open-rucken,
    En tónen dat dit hert is suiver van de Min,
    1. Pasiphaë, die, op een stier zijnde verlieft, haar selven in een houte koe, door Dedalus seer konstig gemaakt, liet sluiten, ende also, selfs den stier bedriegende, bevrugt wiert, voort-brengende het monster Minotaurus, half mens half stier.
[p. 41]
    Als dat het slaaf sal zijn van Cypris koningin.
Tot Phaedra. En gy veragtste van de schandelijxte Vrouwen,
    ’k En kan u sonder toôrn en gramschap niet aanschouwen:
    (1185) Dies moet ik door-gaan, en vervolgen onse jagt.
Ven. Gy sult, ô Iongman, (want ik sweer by Paphos magt)
    Ons dus bespott’lijk niet verlaten, of sult weten,
    Wat straf vereist wert voor die schaamt’ en eer vergeten.
Hipp. Wy lagchen om den toôrn van Paphos Koningin.
Ven. (1190) Gy sult niet lagchen om de wraak-lust der Godin.
Hipp. So veer gy my de jagt sult door gewelt vertragen,
    So sal ik met mijn staal u naar den Hemel jagen.
Phaed. Neen wrede! jaag u staal door desen boesem heen,
    So sal een blijde doodt ons voeren naar beneên,
    (1195) So sal ik, arme vrouw, geen duisent doden sterven.
Hipp. Gy souwd te groten eer aan sulken doot verwerven.
    Neen Vuile! dese kling, dit aartrijk, dit gemoet
    Besmet souw werden door u kankrend onrein bloet.
    Aan stucken scheur ik dese krans tot uwer schanden.
    (1200) Mijn kled’ren sal ik, t’huis gekomen, strax verbranden,
    En ’t ligchaam domp’len in de stromen van de Vliet,
    Opdat het smet nog deel aan u vervloekt’ geniet.     binnen.
Phaed. O Venus! gy, die door u Min tot dese daden
    Ons hebt geprickelt; maar bedrógen, maar verraden,
    (1205) Indien ’t erbarmen iets voor u gemoet vermag,
    So geef dat dit gesigt den alderlaatsten dag
    Tans mag aanschouwen van dien wréden, van dien snoden!
    En gy, ô Koningin der éwig-zijnde Goden!
    Die névens Iupiter den gouden Troon bekleet,
    (1210) En vanden hemel onse smaat en schande weet,
    O grote dogter van Saturnus, laat mijn’ ogen,
    Vol trane-vlieten, op u grootheit iets vermogen!
    Aanschouw goet-gunstig van u zetel uit de lugt
    Dit droevig hert, dat niet van Min, maar smaatheit sugt.
    (1215) Laat dien hovaardigen niet roemen op de daden
[p. 42]
    Van sijne trotsheit en onwétend’ ongenaden:
    Maar laat hem proeven, dat de magt der gramme Goôn
    Princessen straffen kan, en jonge Princen doôn.
    Graag sal ik naar de vliet van ’t helsse Styx verlangen,
    (1220) So veer ik dese gonst mag van u troon ontfangen.
Iuno daalt in een vertooning ter neder, en voert dese reden.
PRincesse, die de gonst van ons gebiet begeert,
    Ziet hier Saturnia van boven neder-dalen,
    Opdats’ u door den glants der troostelijke stralen
    Verligten souw, eer dat de spijt het hert verteert.
    (1225) Wy sagen hoe den soon van Theseûs u versmaden:
    Sijn Hoog-moet, spruitsel van Laatdunckentheit, bekeek
    Ik gram en toornig: en bevond hoe door gesmeek
    Sijn koppigheit niet was t’ontsetten nog t’ontraden.
    Verbolgen dàn van spijt ik staande-voets besloot
    (1230) Dit quaat te straffen naar verdiensten, om te tuigen,
    Dat voor de Goden al, wat koppig is, moet buigen,
    Of dat het andersints moet buigen voor de doot.
    Dit is nu ’t opset, dat ik vast heb voor-genomen;
    Hippolutus van desen dag nog sterven moet:
    (1235) De gramme Iuno niet dan door sijn strómend bloet
    Versoent kan werden om haar wraak-lust in te tomen.
    Kom, laat ons naar het Hof vertrecken hier van daan:
    Daar sal ik u den raat van ons Besluit ontvouwen,
    En tonen hoe dien Pest van Maagden en van Vrouwen
    (1240) Selfs door sijn Vader en sijn Grootvaâr sal vergaan.



Phaedra, in Iunoôs wagen geseten, vertrekt nevens de twe Godinnen en drie Bevalligheden. Hippolutus verschijnt, als in het voorbygaan, met sijne jagers op het Theater, en spreekt haar, stilstaande, aldus aan.
DOordien Voorsigtigheit ons dwingt het oog te vesten
    Op zaken, die men veel, ja daaglijx komen ziet,
    So moet ik volgens pligt mijn wetten van gebiet
    U voor gaan dragen, of het moog’lijk was voor ’t lesten.
[p. 43]
    (1245) Ik wens dat naar mijn doot gy nimmermeer gelooft,
    Dat Geilheit dese Ziel ooit schand’lijk heeft beseten:
    Rein ken ik dit gemoet, rein ken ik dit geweten
    Van sulken smet, die d’eer van jonge Princen rooft.
    In tegendeel so weet den Opper-vorst der Goden,
    (1250) Die ’t flik’rend blixem-vuur swaait gloeijend door de lugt,
    Dat t’allen tijden ik de Geilheit heb ontvlugt,
    Schoon dat my Venus tot so vuilen misdaat noden.
    Dies, of ’t gebeurde dat door toorn van Erycijn (1)
    Ik schielijk dalen most naar d’onder-aartsse rijken:
    (1255) Wilt daarom over ons geen wettig vonnis strijken,
    Ons schult te dragen, daar wy van beschuldigt zijn.
    Ligt valt het iemant, als mis-dadig, aan te klagen,
    Wiens misdaat egter in der éwigheit niet blijkt:
    Nog ligter datm’ uit drift een wet’loos Vonnis strijkt,
    (1260) Om iemant sonder schult ten afgront weg te jagen.
    Den tijt kan tuigen, dat ’er menig is vergaan,
    Wraak-gierig aan-geklaagt, bloet-gierig weg-genomen:
    Die, schoons’ op ’t aartrijk zijn veroordeelt omgekomen,
    Ten Hemel egter sonder schult voor Themis staan.
    (1265) Wat wonder is het, dat Astraea, (2) schuw van d’aarde
    Ten hemel weg-gevlugt, op aard’ het onregt bleef;
    Geen wet-loos Volk of Vorst ooit andre wetten schreef,
    Als die Regtvaardigheit haar schonk van Twist en Swaarden?



Rey van Iagers en Dienaars van Hippolutus.

GESANG.
GElijk een eik, geslingert heen en weêr
    (1270) Door stormen, staan blijft, en niet stort om veer,
    Maar winden tart van ’t Noorden en van ’t Zuyen;
    So wijkt de Deugt van Theseûs kuisten soon
    Voor storm nog kragt der dart’le Minne-Goôn;
    Maar tart de vlaag der Cythereesse buyen.
    1. Venus.
    2. Astraea en Themis zijn Godinnen der Regtvaardigheit.
[p. 44]
        (1275) Stantvastig stont hy Venus aan en keek:
    Sijn voet geen tret van ’t regte spoor verweek,
    Van ’t regte spoor der suivre reine zeden.
    Geen schigten van Cupido troffen ’t hert
    Van desen spruit, wiens Eer met rede wert
    (1280) Ten troon gevoert der grote God’lijkhéden.
TEGEN-GESANG.
    Regtvaardigheit (’t is waar) wel eer om hoog,
    Van waar sy quam, uit d’ysre werelt vloog,
    Wanneer sy zag de gruw’len van der aarden:
    Dog daalde met een sonderlinge vreugt,
    (1285) Weêrom beneên, wanneer sy zag de Deugt
    Van onsen Prins, beroemt en hoog van waarden.
        Diaan bemint dees’ heldre morgen-son,
    Veel schoonder als weleer Endymion,
    Met groter Min als Phaebus, God der snaren,
    (1290) De dogter (1) van den bárenden Iupijn
    Wil nu niet meer by grijse mannen zijn,
    Maar haar verstant met desen Iong-man paren.
TOE-SANG.
    O Iongeling! ô pronk-star van de jeugt!
    O voetster-kint der goddelijke Deugt!
    (1295) Hoe kan een mens u waardigheên vol-loven?
    Want schoon de Faam selfs met een snelle vlugt
    Van d’aard’ u nam, en hief tot in de lugt,
    Nog stégen sy de Faam en lugt te boven.
Continue

VIERDEN HANDEL.

Den Bode brengt aan de Traezenisse maagden, die voor het Hof staan, de tijding van Phaedraas omkomen, roepende als volgt:
HElp! help! help! ah loop toe! loop toe met alle magt!
    (1300) De Koninginne heeft haar selven omgebragt:
    1. Pallas Minerva.
[
p. 45]
    De Vrouw van Theseûs is verworgt, verstikt, verhangen.
Rey. Ah! ah! ah! ah!
Bode.             ’t Is nu geen tijt van rouw-gesangen,
    Maar tijt dat yder een, wat dat hy kan, betoont.
Rey.Wat raat helaas! wat raat?
Bode.                 Den raat hier binnen woont:
    (1305) Loop binnen! binnen moet het Vrouw-volk rouw bedrijven.
Hy selver gaat binnen, en de halve Rey van buiten, vraagt
    Waar mag Hippolutus nu met sijn dienaars blijven?
    Waar Pittheüs? waar tog den Koning, onsen Heer?
Bode. van binnen. Geef mijn het mes! houw vast! houw vast! kom leg haar neêr!
    Strek uit het ligchaam! só, dat’s goet! so moet het wesen!
Halve Rey. (1310) O s’is al doot. Dat beelt van schoonheit uitgelesen,
    Is door d’afgunstigheit der doot ons wis ontschaakt.
Theseûs zeeghaftig weder t’huis kerende, vraagt eerst aan sijn Dienaars
WAt mag het zijn, dat hier so droeven weêr-klank maakt?
    Segt ons, ô Maagden! wat ’er gaants is: wat voor saken
    U dus doen wénen, dus doen sugten, droevig maken.
    (1315) Is Pittheüs, den ouden Vorst, mijn Groot-vaâr doot?
Halve R. So ’t Pittheüs mogt zijn, ô Koning! weinig noot,
    Ia weinig noot was aan ’t verlies dier grijser hairen:
    Maar ’t ongeluk betrof nu jonger fluxer jaren.
Thes. Hippolutus is dàn gestorven, naar ik hoor?
Halve R. (1320) Wy weten niet dat desen Prins het ligt verloor.
Thes. Is iemant dàn der andre kinders over-leden?
Halve R. Sy leven: maar de doot, vol onbarmhertigheden,
    Heeft Phaedra naar omlaag ten afgront weg-gerukt.
Thes. Wat dat ik hoor? Mevrouw gestorven? ah! dat drukt,
    (1325) Dat raakt het hert! maar seg, waar is sy van gestorven?
[p. 46]
Halve Rey. Haar droeve doot is door een worgend touw verworven.
Thes. Uit wanhoop, droefheit, of door goddelosen raat?
Halve R. ’t Gerugt seit, dat haar doot uit Minne-spijt onstaat:
    Wy weten egter met geen sékerheit te spréken.
Thes. (1330) Dat treft mijn ingewant met dódelijke stéken.
    Vergeefs is nu dit hooft met dese krans bekroont:
    Vergeefs in dese borst een moet der Goden woont.
    Daar ons de Dapperheit naar ond’ren heeft gedréven,
    Heeft hier de Koningin, uit spijt, den geest gegéven:
    (1335) ’t Was minnespijt waarom die kuisse ’t leven liet.
    O Koningen, die door Iupijn een groot gebiet
    Verkregen hebt, vermaart van Volk en sterke Muuren,
    Laat dese door u tot een éwig voorbeelt duuren,
    Opdat geen dwáse drift der sporelose Min
    (1340) U doe verlieven op een vremde Koningin.
    O! wilt die Liefden uit u losse sinnen rucken:
    Want daar vandaan komt ons ’t geval der ongelucken.
        Dog, ’t is te lang dus voor de deur te blijven staan.
    Mijn Dienaars, dat terstont de Poort wert op-gedaan.

De deuren van de voor-saal werden geöpent, in dewelke de andere helft van den Rey der Traezenisse Maagden den Koning aldus aanspreekt.
    (1345) OVorst, die Goden telt tot Grote-vad’ren,
    Omkranst geen hooft met groene laure-blaân,
    Maar met de droefheit van Cypresse bládren,
    Terwijl Mevrouw dus deerlijk is vergaan.
    Door hare Doot (dit mag Neptuin wel weten)
    (1350) Storf niet alleen ’t plaisier van Theseûs stam,
    De schoontste, die wel eer ter werelt quam:
    Maar nevens dien de gloor van ’t magtig Creten.
Thes. Hoe swaar! hoe swaar! valt ons dit ongeluk!
    O doot! ô ramp! ô smert! ô rouw! ô druk!
    (1355) Hoe veel zijn uwe plagen boven-maten!
[p. 47]
    Nu weet ik eerst voor-seker en gewis,
    Dat God Neptuin mijn regten vader is,
    Terwijl ik tans van ’t aardrijk ben verlaten:
    ’k Sta midden in de báren hier van rouw,
    (1360) Berooft van vreugt, verlaten van Mevrouw,
    De kuiste, die ter werelt wiert geboren.
    Hoe kan ik uit so grondelosen vloet,
    Berooft van troost, veroordeelt van gemoet,
    Ontswemmen Venus storm of Plutoôs tóren?
    (1365) Door d’eerste wert dit droef gemoet betigt
    Van Ontrouw (’t zy van Liefde ’t zy van Pligt)
    Om dat ik mijn Princes te gront liet ploffen.
    Door d’ander wert, uit nijdigheit der Min,
    Mijn Lief ontrooft, mijn waarde Koningin,
    (1370) By welkers glants geen Proserpijn mogt stoffen.
    Hoe sal ik, ô mijn Troost, van al dit quaat,
    Hoe van u doot, mijn troostelosen staat,
    In dit geval, naar Pligt van Rede, spréken?
    Gy zijt gelijk een vogel in de vlugt,
    (1375) Of als een droom of damp in d’ope lugt
    Ons snel gezigt ontvlogen en ontweken.
    O droeve schaar, kom, brengt ons by Mevrouw:
    Opdat ik haar ten minsten doot aanschouw,
    Terwijl ik haar niet levend mag bekijken.
De deur van Phaedraas kamer geöpent zijnde, zo staan desselfs staatjuffers by het lijk, dat met een wit kleet bedekt is, ende van de selve staatjuffers ten eersten wert weg-genomen. Theseûs omermt de dode, sugt, en berst eindelijk uit in dese woorden:
    (1380) O ja, s’ is doot! verstijft en kouwt als steen!
    Daar helpen nu geen tranen nog gebeên:
    Haar Geest al dwaalt in d’onderaartsse rijken.
    O dat ik mé nu mogt ten afgront gaan,
    En mijn Princes daar volgen agter aan,
    (1385) Om sonder eind haar eed’le deugt te roemen!
    Dan souw geen doot, geen droefheit, geen gevaar,
[p. 48]
    Geen plagen ons verdeilen van elkaâr,
    Maar yder ons met regt gelukkig noemen.
Rey v. Traz. M. O Vorst, nu blijkt so klaar als ’t sonne-ligt,
    (1390) Dat voor de doot Vermaak en Schoonheit swigt.
Thes. Maar sagt, wat of dit hant-schrift nieuws sal léren,
    Dit hant-schrift, dus bezégelt over al?
    Gewislijk dit te kenne-geven sal
    Al ’t geen s’ op ons voor ’t laatste sal begéren.
    (1395) O Koningin, zijt seker dat al ’t geen
    In dit geschrift van u wert afgebeên
    (So veer ’t ons aan geen magt en komt t’onbréken)
    Volvoert sal werden sonder tegenspréken.
Rey v. Staat-j. Hier uit sal wederom op nieuws verdriet onstaan:
    (1400) O ’t sal met dese doot niet énig zijn gedaan:
    De voortste sal gewis nog andre met haar slépen.
Thes. Is ’t mooglijk?
Rey v. Staat-j.         Schroom en schrik hout dese ziel benépen
    So deerlijk bang, dat selfs de tong geen magt geniet
    Om uit te drukken maat of swaarte van ’t verdriet.
Thes. (1405) O Goden! dit, dit doet ons hert van droefheit borsten!
    O Theseûs!, die weleer waart pronk-star aller Vorsten,
    Ziet hier uw held’re gloor door dese doot verdooft!
    U soon, u soon heeft u de kroon van eer ontrooft:
    Natuur gewelt lijt door de vrugt uit haar verrésen.
    (1410) Gy sult, ô booswigt, die geen Goden schijnt te vrésen,
    Ons egter nooit vergeefs onteert zien door een quaat,
    Dat ons tot aan den dieptsten gront ter herten gaat.
        O Vader, (1) die ’t gebiet voert over golf en báren,
    Indien gy drie Gebeên ons eèr hebt toe gestaan,
    (1415) So laat dit eerst Gebet diep in u sinnen gaan,
    En laat Hippolutus van daag ten afgront váren!
Rey v. Tr. M. O Koning, mag dit van een váderlijk gemoet?
Thes. Ik ban voor éwig sulken schant-vlek van ons bloet
    Uit dese Landen. Een van tweên hem wis sal straffen.
    1. Neptuin.
[p. 49]
    (1420) Want so Neptuin aan ons sal goet gehoor verschaffen,
    So sal hy sterven door een goddelijke magt:
    Of door den Ban so sal dien Pest van ons geslagt
    In vremde landen seer elendig ’t leven einden.
Rey v. Tr. M. O Koning, wilt veel eer u toor’n ten afgront seinden
    (1425) Als uwen Soon, die daar ter regter tijt komt-aan,
    Om voor u koninklijk Gerigt te regt te staan.
Hipp.Van ’t jagen weêr-gekeert, met blijtschap heb vernómen
    Hoe dat den Koning met geluk was t’huis-gekomen:
    Dies dwong mijn pligt als soon hem daat’lijk dienst te biên.
    (1430) Maar hoe! mijn’ ogen, in de plaats van vreugt te zien,
    Zien hier de Koningin, verwondert, overléden;
    Het Hof vol droefheit; ’t hert vol rouw. ô tijd’! ô zeden!
    Wat zijn u daden vol van wispeltuirigheit!
    O Vader, segt ons door wat goddeloos beleit,
    (1435) Vervloekt bestaan, dit onheil ons most weder-varen.
    Den Koning (=swijgt. Waarom? Mag niemant hier verklaren,
    Wat van de saak is? Ah! dit swijgen baart verdriet!
Thes. O menssen! welkers oog u klare misdaat ziet,
    Dog duizent konsten soekt om ’t quaat en schult t’ontveinsen,
    (1440) Waarom heeft u vernuft niet ernstig léren peinsen
    Op éne konst maàr, dat gy ware Wijsheit bragt
    In’t brein van sulk een, die nooit wijsheit had bedagt?
Hipp.Een schone konst! Neen dwang om dwase wijs te maken.
    Maar Vader, dese konst by sulken ernst van saken
    (1445) In ’t minst niet past. Dit stelt de Rede buiten spoor.
Thes. Natuur had moeten aan ’t Gesigt of aan ’t Gehoor
    Een blijk’lijk téken van onfeilbaarheit verlenen:
    Opdat men Vrienden, van die niet als vrienden schénen,
    Kon onder-scheiden; ’t zy men door het oor of ’t oog
[p. 50]
    (1450) Quam t’onderkennen, wie dat waarheit sprak of loog.
Hipp. ’t Is seker (want ik sulx heb uit u reên bevonden)
    Dat een der Vrienden ons heeft by den Vorst geschonden:
    Maar buiten schult: dit hert ons spreekt van alles vry.
Thes. Waar heen, waar heen sal nog de lóse veinsery
    (1455) Den mens vervoeren? Ah! wat einde salder wesen
    Voor die de Goden, nog haar Vorst, nog Ouders vresen?
    Want, so Laatdunckentheit eerst bóse vrugten baart,
    En, so die vrugt vermeert, en staâg van bóser aart
    Sal werden; moet Iupijn het eerst voor alle saken
    (1460) Een andre werelt voor die bóse vrugten maken.
        Dit blijkt aan désen, désen soon, die ’t Huw’lijx-bet
    Van ons, sijn Vader, vloekens-waardig heeft besmet,
    Wiens klare boosheit door de dode wert bewesen.
Tot Hippolutus.
    Indien gy nog der Goôn nog Theseûs vloek sult vresen,
    (1465) Keert herwaarts ’t aanschijn naar u Vaders aengesigt.
Hem straf aanziende.
    Zijt gy dien Iongman, die so suiver, volgens pligt,
    Een leve-legt, bevrijt van quaat, gelijk de Goden?
    Zijt gy dien Iongman, die veel liever duisent doden
    Woud sterven, als so bósen Laster-stuk bestaan?
    (1470) Gy sult nu met u Goôn naar Plutoos hemel gaan.
        O Iongman, of gy schoon de wijsheyt had verkregen
    Van Orpheûs, die de rots, ja klippen kost bewegen
    Op klank der snáren, nooit sou door Welsprékentheit
    So klaren Misdaat kunnen werden weder-leit:
    (1475) Gy zijt gevangen naar ’t besluit van alle Rede.
        Of meint gy dat Mevrouw, rampsálig over-leden,
    U sal verschonen? Neen! ô neen: haar hant-schrift leeft,
    Waar door s’u geile Min seer klaar beschuldigt heeft:
    En dit beswérend, heeft sy ’t levend ligt verloren.
    (1480) Wat eet met sterker kragt van menssen wiert besworen?
    Wat Preuve meer geloofs ooit voort Gerigt was waart?
        Of sulje seggen, dat sy, (na der stief-moêrs aart)
    U, mijnen Voor-soon, tot ’er doot heeft willen haten?
[p. 51]
    Maar waarom heeft sy dàn haar léven eerst verlaten
    (1485) Eer dat sy blijken van haar Haat, (1) uit Wrevel gaf?
    Een vremden Haat, die niet begint als eerst in ’t Graf.
        Of sulje seggen, (’t geen wy dikmaals moeten horen)
    Dat Dwaasheit van Natuur in Vrouwen is geboren,
    Niet inde Man? Wy staan ’t u toe, indien gy toont,
    (1490) Dat in u boesem mans verstant, geen Wulpsheit woont.
    Maar als de Liefde ’t jeugdig bloet ontroert doet zieden,
    Sal dàn de Dwaasheit jongmans meer als Vrouwen vlieden?
    Sulx heeft nooit Waarheit door ervárentheit geleert.
        Hoe schoon gy naar u wens de saak of went of keert;
    (1495) Hier is het ligchaam, door de doot de ziel ontogen:
    ’t Welk uw Onkuisheit klaar vertoont voor yders ogen.
        Vertrek dan uit ons lant als Balling, met ’er vaart.
    Gy sult t’ Athenen, tot den hemel toe vermaart,
    Of hier, of also ver ons wijt gebiet mag strecken,
    (1500) U nooit onthouden, nooit vernagten, nooit vertrecken.
    Onwaardig zy dit hooft met ’s Koninx kroon geëert
    Indien gy, sonder straf des doots, hier weder-keert.
Reyen beidegaâr. Wie salder op ’t Geluk hier naarmaals vast vertrouwen,
    Daar d’ogen van ons al so droeven saak aanschouwen?
Hipp. (1505) Fortuin, gy, die mijn van een Vaderlijk gemoet,
    Van Koning, Vaderlant, en Vrienden hebt verstoten,
    Sult nooit, of hebt ook nooit so groten magt genoten
    Om ons t’onterven vande Deugt, het hoogste goet.
    Maak vry mijn Vader dàn tot Vyant; mijn Beminden
    (1510) Tot Haters; ziet ik sal om haar, nog om sijn Troon
    Geen Deugt versaken, maar, door hulp der klare Goôn,
    Waar dat ik kom, de gonst van Troon’ en Vrienden vinden.
    Of schoon den Konink ons uit sijn gebiet verbant,
    1. Van te voren op Hippolutus verlieft zijnde geweest, so kost sy (want Haat en Liefde zijn regt-strijdigh tegens malkander) gedurende die Liefde, génige blijken van Haat geven.
[p. 52]
    En uit dit Vader-lant bedwingt om op te bréken;
    (1515) Geen Koning kan ons van de regte Deugt verstéken,
    Dien ’t magtig werelts-ront verstrekt tot Vader-lant.
        En gy, ô Vader, die ons hebt ten Bàn verwesen
    Eer dat ik tijt had om te tonen énig blijk
    Van Onschult; Wat voor regt so klaren Ongelijk
    (1520) Verschonen, wat voor hulp kan sulken quaal genesen?
    ’t Is waar, gy segt hier, dat ik Bloet-schand’ heb begaan;
    Dat Phaedra met een Eet dit stervend’ heeft geschreven. (1)
    Maar heb ik inderdaat hierom ooit quaat bedréven,
    Om dat een ander schreef, u soon heeft quaat gedaan?
    (1525) Is alles waar dàn datmen schrijft? (2) so sal ik schrijven
Mijn Onschult. Maar indien den Vorst ons niet gelooft,
    Die leven, wel Mevrouw, wiens ligt is uit-gedooft;
    So moet of Regt of Gunst haar saak doen bove-drijven.
    So Gunst, so swijg ik. Maar indien u ’t Regt beweegt,
    (1530) So set Voor-oordel aan een kant, en laat de Reden
    Puir sonder Gunst of Haat den Rigter-stoel bekleden:
    En vragen, wat is hier gepleegt, of niet gepleegt?
        Wat is ’er dan het geen men seit dat hier geschiet is?
    Een Misdaat? d’Een seit ja: den ander seit weêr neen:
    (1535) Partyen staan hier vlak in Feiten tegens een;
    So dat dit is een saak, die swaar en vol verdriet is:
    Want, of Mevrouw of ik zijn schuldig; Vrouw, of soon:
    Een van ons tweên heeft hier een seker quaat bedreven;
    Of ik de Misdaat, die sy stervend heeft geschréven,
    (1540) Of sy de Misdaat, die men Laster (3) noemt of Hoon.
        Naauw-keurig dient de saak met Wijsheit over-wogen.
    1. Tres ex hac Positione resultant quaestiones principales. I. Quae & quanta fides habeatur scripturae privatae. II. quae & quanta jurijurando. III. quae & quanta jurijurando, morte confirmato: quas omnes, summariè tantum, resolvit quaestiones.
    2. Prima quaestio principalis.
    3. Injuria verbalis. Nam si per mendacium fama alicujus laeditur, committitur injuria. juris enim est notissimi, omnem injuriam aut in corpus inferri, aut ad dignitatem, aut ad infamiam pertinere.
[p. 53]
    De Rede wil dat eerst den Regter onder-vraagt,
    Wie dat de misdaat aan het hoog gerigt beklaagt?
    En wat voor Misdaat dat den klager stelt voor ogen? (1)
        (1545) Wie klaagt hier? ene Vrouw, en jonge Koningin, (2)
    Een, die vier jaar (3) alleen was van haar Vorst verlaten,
    Een, die nooit blijken gaf van ons voorheen te haten,
    Maar last gaf, datm’ een kerk (4) souw stigten voor de Min.
    Wat klaagt sy? Dat ik haar geperst heb tot een schanden,
    (1550) Een schanden, die mijn mont te noemen weder-streeft,
    En daar mijn grillend hert een bange schrik voor heeft,
    Ia die ’k verdoem voor ’t alderboost van alle landen.
        Maar hoe, wanneer, en waar is ’t geen sy klaagt geschiet?
    Hoog-wijse Vorst, wilt vry naauw-keurlijk over-wegen,
    (1555) Of dit ter goeder trouw door Phaedra wiert verswegen,
    Dan of sy, puur uit list (5) dit alles agter-liet?
    Peins ook, ô Koning, of ’er tans een mens sal leven,
    Die met ’er daat ons ooit op geile Min bevond?
    So ja: seg waar; so niet: sal dan een dode mont
    (1560) Volkome Preuven van een vuile Bloet-schult geven?
    Heeft een, die doot is, meer geloofs, als een, die leeft?
    So sal een Logenaar, gestorven, gunst verwerven.
    Maar neen: de Rede neemt geen agt op ’t simpel sterven,
    1. Quis & quid: quis personam, quid delicti qualitatem respicit.
    2. Tres contra Phaedram profert positiones. I. Quod sit sola. II. mulier. III. & juvenili aetate regina. Ad primam quod attinet, notum est testimonium unius idem haberi ac nullius. Ad secundam, testimonia mulierum in criminalibus criminaliter non admitti. Ad tertiam, crimen illud incestus atque adulterii in aulâ regum primum fuisse perpetratum. Sic enim ipsa Phaedra apud Euripidem, ’Εκ δὲ γενναίων δόμων τό δ᾽ ἤρξε θηλείαισι γίγνεσθαι κακόν. [vs. 409b-410]
    3. Sic Seneca in Hippolyto. Actu 3:
    4. Sic Venus in Prologo Hippoluti apud Euripidem. Ἱππολύτῳ δ᾽ ἔπι τὸ λοιπὸν ὠνόμαζεν [ὀνομάσουσιν] ἱδρῦσθαι θεάν [vs. 32b-33]. Quod postea nominatim sit confessa Phaedra, fundamenta Deae templo locata fuisse solius Hippoluti causâ.
    5. Nam plenè probare suam intentionem hoc pacto non poterat. Nihil enim ei relinquebatur nisi nuda & simplex negatio, cui per rerum naturam nulla datur probatio.
[p. 54]
    Maar of een, eer hy storf, geloof verworven heeft.
        (1565) Dies of Mevrouw haar saak seer dier beswoor met Eden; (1)
    De waarheit door geen Eet onfeilbaar wert beweert:
    Of, so de mont niet buiten ’t geen dat waar is sweert,
    So straftm’ een valssen-eet vergeefs, ja sonder Réden.
        Maar Phaedra heeft haar Eet bevestigt met haar Doot (2)
    (1570) Ter quader uur: want so sy nutertijt mogt spréken,
    De Waarheit souw wel haast uit duistre wolken bréken,
    En yder haast bezien waar uit haar Gramschap sproot.
    Dog so de Doot voor haar kon vol Geloof verwerven,
    En dat haar Eet, schoon voor den Regter (3) niet gedaan,
    (1575) Een volle preuf strekt: ziet, ik sal nog verder gaan:
    En sweren niet alleen voor u, maar willig sterven. (4)
    Indien de donkre Doot mijn Onschult puur alleen
    Kan tónen; eens so lief verlaat ik strax mijn leven,
    Om door mijn Doot een proef van ware Deugt te geven,
    (1580) Als dat ik sonder Deugt souw schijnen voor elkeen.
        Doorlugte Vader, wilt met ernst mijn reden horen! (5)
    Indiender iemant leeft, wiens ligchaam en wiens geest
    Ooit van de dartelheit der Min is rein geweest;
    Geen reinder egter als ik ben wiert ooit geboren.
    (1585) Beschuldigt ons vry volgens lusten van u sin,
    Van wat voor qualen dat ter werelt zijn bedréven:
    Tot desen dag toe kan geen mens getuig’nis geven,
    Ons slaaf te wesen of der Vrouwen of der Min.
        So veer geen Vrouw-mens dàn ons kost in ’t hert behagen:
    (1590) Wat schijn van Waarheit, dat ik ooit door Liefde souw
    1. Secunda quaestio principalis.
    2. Tertia quaestio principalis.
    3. Iusjurandum voluntarium & extra juditiale.
    4. Quaeritur quid commodi inde speraret? Respond. quod mortem postponens honestati ac virtuti, maximam sibi comparaverit pudicitiae ac castitatis suspicionem.
    5. Ad alteram jam transit orationis partem, nempe innocentiae probationem.
[p. 55]
    Verslingert zijn geweest op Theseûs egte Vrouw,
    Om tot een stief-moêr sulken vuilen Min te drágen.
    So nog natuur in Phaedraâs jeugt had ingeplant
    De schoonste gaven, die van Vrouwen zijn beseten;
    (1595) Dan was ’t wat anders. Maar nu kanmen séker weten,
    Dat sy de schoonste Vrouw nooit was van Griekenlant. (1)
    Wat oorsaak kost ons dan tot sulken quaat bewegen? (2)
    Geen Erf’nis: want als soon so quam ’t ons wettig aan.
    Geen Heers-lust, om als Vorst op uwen Troon te gaan:
    (1600) U Troon wert door geen Vrouw, maar door het Volk (3) verkregen.
    Ia, die my kenden, was ten overvloet bewust,
    Hoe dat Een-hoofdigheit ons nimmer kost behagen:
    Wy zijn het, Vader, die de Vryheit eer toedragen:
    En daarmen Vryheit eert, daar heerst geen Koninxlust.
        (1605) Terwijl wy dan geen min tot Maagden nog tot Wijven
    Genoren; geen Gebiet begeerden; wel te vreên
    Met onsen staat: hoe! kosten wy dàn sonder reên
    So swarten schennis in der éwigheit bedrijven?
    Nu leert de Rede, dat hy, die de schult ontkent
    (1610) Geen and’re Preuve tot sijn onschult kan bedenken
    1. Sic Euripides interrogando testatur, Phaedram omnium mulierum non fuisse corpore formosissimam. Constat & hoc tempore Helenam Spartanam Athenis commigrasse, à Theseo & Perithoö raptam, constat & eam dictam fuisse caeterarum omnium pulcherrimam.
    2. Secundum illud Cassianum Cui bono.
    3. Theseus, in éne stat hebbende vergadert alle d’inwoonders der Attice Provintie, lei sijne koninklijke magt ter neder; niets overig houdende als de opper-hoofdigheit der wapenen by oorlog, ende de sorg over de wetten en over het Gerigt: hebbende buiten dit de voorsz. Inwoonders gelijk gesag. zijnde ook sijne Vorstelijke Waardigheit niet meer erffelijk, maar allenig uit handen van het gemelde volk verkrijgchelijk. Gelijk Mnestheus dat selve Vorstendom verkreeg selfs by het leven van Theseus. Ende hebben Mnestheus kinderen naar haar Vader’s doot het voorseide Vorstendom niet geërft, maar het volk van Athenen heeft doenmaals wederom het selve opgeoffert aan iemant van Theseus naarkomelingen.
[p. 56]
    Als die d’Omstandigheit en schijn van Waarheit schenken: (1)
    Bewijsen moet hy, die de schult voor ogen went. (2)
    O Koning! wilt u soon, u kint regtvaardig rigten!
    ’t En past geen Regter, dat hy ’t Regt naar lusten buigt.
    (1615) Sy, die beschuldigt, is alleen, die ’t quaat getuigt.
    Mag dàn een Vrouw-mens en getuigen en betigten? (3)
    Of so gy klager zijt, en ons van schult betigt,
    Hoe kunt gy ’t Regter-ampt dàn volgens pligt bedrijven?
    Mag iemant, die beklaagt, met een ook Regter blijven? (4)
    (1620) Hoe blijft den Regter sonder driften dan in pligt?
        Ook sweer ik by Iupijn en Iuno, hoog van waarden:
    ’k Sweer heilig, dat ik nooit naar Oneer heb gedagt
    Van Phaedra, min gepleegt, ja selver min getragt:
    Getuige roep ik bei van hemel en van aarden.
    (1625) So ’t anders is, so moet ik naam’loos, ongeëert,
    Als Balling, over al vervloekt en dolend sterven;
    Mijn Ligchaam, naar mijn doot, nog zé nog aartrijk werven,
    Maar door de dieren zijn verslonden en verteert!
Rey v. Tr. M. Wie sal nu d’Ontugt van Hippolutus geloven,
    (1630) En d’alderkuiste niet met een sijn Eer ontroven?
Thes. Ik wil dat ons gebot ten eersten zy voldaan.
De Koning vertrekt, en de Staat-Iuffers sluiten Phaedraâs kamer toe.
Hipp. Al wie d’Onnóselheit verwesen wil zien staan
    Moer Theseûs Voor-soon hier op desen dag aanschouwen.
    Wat doet hy best? wat laat hy best? sal sijn gemoet
    (1635) Hem op sijn goede saak vast-steunend doen vertrouwen?
    1. ex circumstantiis & verisimilitudinibus.
    2. qui accusat probare debet: non suspicionibus non praesumtionibus, sed idoneis testibus, apertissimis documentis, vel indiciis ad probationem indubitatis & luce clarioribus.
    3. Nullus idoneus testis in re sua intelligitur.
    4. In re enim propriâ iniquum admodum est, alicui sententiam tribuere sententiae,
[p. 57]
    En ’t Koninklijk gebot veryd’len? so voldoet
    Hy nog de pligt des soons nog pligt der Ondersaten.
    Vertrekt hy willig, so bekent hy swijgend schult.
            Wat kan de keur hier baten?
    (1640) Want so ’t Gebot niet willig wert vervult
    So wert sijn Pligt, so ja, sijn Váder-lant verlaten.
    Mag dan een Koning, die tot Regter is gestelt,
    De magt des regters onrègtvaardig wel misbruiken?
    En onderdanen voor sijn dwingend staal doen duiken,
    (1645) Niet door de wetten van het Regt, maar door Gewelt?
    Sal hy, die voor-gaan most in ’t Regt, selfs Onregt plegen?
    Maar magmen t’Onregt doen om datmen t’Onregt ziet?
            ’t Gemoet seit, Neen daar tegen.
    Dies hoemen ’t keert of went, mijn wis Verdriet,
    (1650) En Ongeval blijft staâg elendig t’over-wegen.
        Maar ben ik van natuur als Soon niet hoog verpligt
    Aan ’t Vaderlijk Gebot eerbiedigheit te dragen?
    Als Onderdaan, hoe kan ik d’Onder-aartsse plagen
    Ontvlugten, so mijn hooft niet voor den Koning swigt?
    (1655) Hoe! draag ik Eer, of swigt mijn Hooft met hier te blijven?
    Wat mens regt-sinnig sulx ooit waarlijk heeft bedagt?
            Maar, laat ik hem bedrijven,
    So strax de Wet des Koninx wert volbragt,
    So sal ik hem te klaar in al sijn Onregt stijven.
    (1660) Het vast-vertrouwen op d’Onkuisheit van sijn soon
    Sal niemant, selfs geen tijt, uit sijn gedagte wissen:
    d’Onnoselheit sal staâg de naam des Onschults missen,
    Waar door sy flonkert als Apol, het ligt der Goôn.
    Wat loon sal Reinheit, wat God-vrugtigheit verwerven
    (1665) Indien ’t met d’Onschult regt gelijk met Boosheit gaat?
            Wy moeten tog eens derven
    Ons leven, ’t zy dan waar, of vroeg, of laat:
    Kom! laat ons liefst hier eens dan staâg als Balling sterven!
[p. 58]
Dit seggende, trekt sijn swaart uit de schede,
en set de punt op sijn blote borst. Dog
weder een weinig bedarende, vraagt,
    Maar ben ik ook in dit ten wijsten al beraân?
    (1670) Souw dit de glory van mijn Naamhaft niet bevlecken,
    So veer ik storf en bleef, in plaats van hier te trecken,
    En dat ik even als de stief-moêr most vergaan?
    Souw dese ziel beneên haar staâg geselschap houwen,
    Die, doe s’hier bove-sworf, een gruwel van haar had?
            (1675) Neen snootste vande Vrouwen!
    Gy sult van daag den goddelijken schat
    Van dese Ziel, voor u te waardig, niet aanschouwen.
    Ik sal ’t Gebot voldoen des Koninx, die misschien,
    (Is ’t nu niet, ’t is hier naar) blijk van mijn Trouw sal krijgen.
    (1680) Of schoon de menssen en de Goôn nu t’sámen swijgen,
    Den Koning sal wel eens de son der waarheit zien.
    Men kan d’Onnóselheit voor éwig niet verdrucken.
    Ia willig dese ziel de wil des Koninx doet:
            ’k Wil voor mijn Vader bucken:
    (1685) En, so sijn hert mijn Onschult eens bevroet,
    So tart ik Ballingschap en ’s werelts ongelucken.
Neder-buigende op sijn éne knie, ’t gesigt om hoog.
    Diaan, die met u glants de nagt verligt,
    Van welkers Deugt ik éwig lof moet spréken,
    Of schoon den Vorst ons bant uit sijn gesigt
    (1690) Wilt daarom ons niet van u ligt versteken.
    So maàr u Bos en Bron getuigen zijn,
    So weet gy dat ik sonder schult moet lijden.
    Dies wilt, ô suivre Dogter van Iupijn,
    Mijn Vaders hert van quaat geloof bevrijden.
Weder-opstaande.
    (1695) Athenen, tot den hemel toe vermaart,
    Trezene, rijk van jeugts vermaak’lijkheden,
    Vaart wel, ô schone stat: vaart wel, ô aard’:
    Ik spreek tot u voortaan mijn laatste reden.
[p. 59]
Tot een groot getal jonge Traezenisse Edel-luiden, die by hem komen.
    O Ridders, die van éne jaren zijt
    (1700) Met ons, kom, ziet hier ’t Regt getrapt met voeten,
    d’Onschuldige verdoemt: ô! dat nooit tijt
    De Deugt, so quaat beloont, weêr mag ontmoeten.
    Rein zijnw’ (in spijt van Cypris Koningin)
    Van Overspel, Bloet-schand’, en geile Min.



Rey van Traezenisse Maagden.

I. GESANG.

    (1705) TErwijl de Deugt most uit het lant vertrecken
    Kreeg d’Ondeugt d’óverhant;
    ’t Gewelt spronk uit den bant;
    De Veinsery verson strax duisent trecken,
    Waar door s’haar schaamtelosen brant
    (1710) Tot heerssen, heilig kost bedecken.
    Maar doè den soon der son,
    Den grootsen Phaeton,
    Uit heers-lust ’t aardrijk holp aan ’t branden,
    Iupijn te voorschijn quam,
    (1715) Sloeg met sijn blixem-vlam
    Dien dwasen jongeling tot schande.
I. TEGEN-GESANG.
    Apol wouw doè niet meer met strálen blinken:
    Maar wond sijn helder hooft
    In wolken; sat verdooft
    (1720) In rouw-kleên; liet geen vreugdesnáren klinken:
    Terwijl sijn soon hem was ontrooft
    So wild’ hy naar den Afgront sinken.
    Dies was ’er over al
    Een duisternis op ’t aartsse dal;
    (1725) Een naren rouw van swarte nagten
    Ten hemel, doe de Goôn
    Nog om den gouden Troon
    Nog Tafel van Iupijn meer dagten.
[p. 60]
II. GESANG.
    Nu most Apol in rouw-gewaat sig kleên;
    (1730) Niet strálen nog naar boven nog beneên;
    Niet spelen als op droeve Cyter-snaren.
    Want so sijn soon dien eersten rouw was waart,
    Die brant-stak in den hemel en op aard;
    Met Theseûs-soon souw sulken rouw best paren.
    (1735) In hem èn stak nooit brant nog blák’rens lust,
    Die selfs den brant der Min heeft uit-geblust.
II. TEGEN-GESANG.
    Den hemel schijnt aan ’t uitterlijk gelaat
    Bekleet met roest en droevig rouw-gewaat:
    ’t Schijnt dat de Goôn ons ongeval beklagen.
    (1740) Minerve sugt, de blinde Themis weent,
    Diana treurt, Iupijn al sugtend steent,
    De donkre Phaebus van sijn bruine wagen
    Ter aarde ziet, wat quaat hier om kan gaan.
    Dies vangt hy strax een droevig Klaag-liet aan.
TOE-SANG.
    (1745) O Sank-godes! gy sult in ’t Hof nu sugten,
    Terwijl de klare Deugt,
    De Voetster van de regte Vreugt,
    In Ballingschap verwesen, most gaan Vlugten.
    Het heilig Auter van Diaan
    (1750) Verlaten sonder krans sal staan.
    De reine Kuisheit sal Traezene gants verlaten,
    En Cynthia dit lant onsterf’lijk haten.
Continue

VYFDEN HANDEL.

Het voortste deel van het Theater is een wijde saal, rontom met marmre beelden beset; het agterste deel een tuin, met alderhande bloemen, palmstricken, en lage groente; in het alderflaauwtste gesigt de Zé. In de voorsz. saal wagt de Voetster en staat-juffers van [p. 61] Phaedra den Koning, die névens den ouden Pittheüs uit den gemelden tuin naar haar toe komt, ende al voort-gaande rede-voert nopende het Oordeel, tegen Hippolutus uit-gesproken. Ende terwijl Pittheüs daar over den Koning scheen bestraft te hebben: ende den Koning egter niet wilde weten, daar in enig misslag begaan te bebben; ja in tegendeel hebbende gevraagt, waar in sijn misslag bestont? so antwoort den ouden Vorst:
VRaagt gy, waar in u misslag is gelégen?
    Wilt maàr de saak met ernst eens over-wegen,
    (1755) Haast sult gy zien wat sinneloser quaat
    Allenig in Voortvárentheit bestaat.
    Hoe kan ons brein een sware saak door-gronden,
    Indien ’t behulp der Tijden en der stonden
    Geweigert wert? Tijt moet ’er zijn voor al,
    (1760) Die ’t regt bescheit der waarheit vinden sal.
    Terwijl gy strax tot toor’n dàn zijt gesteigert,
    En aan u soon hebt tijt en stont geweigert,
    Om sijne Trouw te stellen naakt in ’t ligt;
    So deed gy tégens reên en tegens pligt.
Thes. (1765) ’t Is reed’lijk datmen Bloet-schant swaar sal straffen.
    Een Koning, volgens pligt, moet raat verschaffen
    Dat nog sijn Soon, nog Vrient, nog Onderdaan
    Egt-schendery, min bloet-schant kan begaan.
Pitt. Maar wil de pligt in Vorsten wel gedulden
    (1770) Onnóselheit te straffen buiten schulden?
Thes. Bewijs ons, dat mijn Soon geen schult èn draagt.
Pitt. De schult, daar van men énig mens beklaagt,
    Moet klaar en naakt een reed’lijk Regter blijken,
    Of mag daar van nooit wettig Vonnis-strijken.
    (1775) ’t Vermoeden kant sig voor d’Onnoselheit
    Tot datmen toont van Misdaat klaar bescheit.
Thes. Dit Hant-schrift toont seer klaar de vuile schande
    Van ’t Minnevuur, waar door sijn hert dorst branden.
Voetst. Ik weet, ô Vorst, en al dees Iuffers meest,
    (1780) Dat Phaedra blák’rend is verlieft geweest.
[
p. 62]
    Ik weet so klaar, als of ’t mijn’ ogen zagen,
    Hoe dat sy Min heeft tot u Soon gedragen,
    Maar dat u soon geen Weder-min èn droeg.
Thes. Dit seggen van een Vrouw’ is niet genoeg.
Pitth. (1785) Was Phaedra meer als Vrouw?
Thes.                                                     O wilt dit vragen staken!
Pitt. Neen Soon, de Doot kan van geen Vrouwen Mannen maken.
Dien. v. Thes. Een van de Dienaars van u Koninklijken Soon
    Gehoor versoekt.
Thes.             Dat strax hem straf werd’ aangeboôn
    Sijn Heer te volgen, en uit dese stat te trecken.
Dien. v. Thes. (1790) Sijn komst, heer Koning, schijnt tot bootschap sig te strecken.
Thes. Hy kom dàn binnen, om te seggen wat hy weet.
Bode. Ik breng de Bootschap van een saak, die wijt en breet
    Den Vorst, sijn Borgers, en Geburen deser streken
    Sal wonder schijnen, en in klagten uit doen bréken.
Thes. (1795) Seg op.
Bode.                     Om kort te zijn, u Soon èn is niet meer.
Thes. Niet meer? heeft iemant dàn, wiens waardig’ Huisvrouws eer
    Hy vuil, gelijk de Vrouw sijns Vaders, had geschonden,
    Hem met gewelt en staal ter zielen weg-gesonden?
Bode. Sijn’eige paarden, en den wens, uit ’s Koninx-mont
    (1800) Gevlogen tot Neptuin tot aan den dieptsten gront
    Der strómen, zijn die geen, die hem om ’t leven bragten.
Thes. ô Goden! ô Neptuin! hoe waarlijk zijt gy t’agten
    Voor onsen Vader, daar gy klaar van stonden aan
    Ons dus verhoort hebt, en mijn soon doen t’onder-gaan.
    (1805) Maar segt ons, hoe de Wraak hem god’lijk heeft getroffen,
    En, door een waarde straf, ten afgront neêr doen ploffen.
Bode. De tijding was ons niet so ras geöpenbaart
    Hoe dat Hippolutus voor Balling was verklaart,
    Of ziet de Droefheit had ons treurig hert bevangen.
[p. 63]
    (1810) Terwijl de tranen dàn hierover op ons wangen
    Vast hene-vloden, en, ten oever vande zé, (1)
    Wy zijn gespàn tot dood’lijk reisen maakten ré;
    So quam hy, breet vervolgt van Vrienden sijner jaren.
    En, ziende dat van hert en ziel wy treurig waren,
    (1815) Sprak, waarom weent gy, daar dit tog geschieden moet?
    ’t Is immers billijk, dat men ’s Koninx wet voldoet:
    Span voor de wagen maàr mijn aldervlugtste paarden.
    Strax deên wy, ’t geen den Prins gebood met duisent vaarden.
    Hy nam dàn afscheit van sijn vrienden; stak om hoog
    (1820) Sijn handen; sprak, ô Goôn! indien de tong ooit loog
    Voor onsen Vader, laat ons waarde straffe dragen!
    Dit seggend’, nam den toom; sprong lugtig op sijn wagen;
    De sweep liet klat’ren; en sijn paarden moedig gaan.
    Wy Dienaars volgden onsen Heer van agter aan:
    (1825) En hadden dus de weg naar Argos regt verkoren, (2)
    Wanneer een sterk gedruis quam dond’ren door ons’ oren
    Regt of Iupijn sijn stem liet buld’ren door de lugt.
    De paarden hoorden niet so ras dit sterk gerugt,
    Of staken steil om hoog haar’ óren en haar’ hoofden.
    (1830) Een bléke schrik wel haast ons alle moet ontroofden:
    De sorg bevink ons, om te zien, van waar omtrent
    Dit buld’ren voort-quam. Eind’lijk dàn gesigt gewent
    Naar strant en strómen, langs de water-vlacke kimmen,
    Bezag ons oog een Golf tot aan de starren klimmen,
    (1835) So groot, dat ons ’ t gezigt van ’t vlak Sciroônsse strant
    Ontvoer, ja selfs de rots van Æculaap. (3) Dog ’t lant
    Dat dreunden, en de lugt die loeide, doè de golven
    Steil neder-storten, rook verwekren, ’t strant bedolven,
    ’t Schuim lieten vliegen door de lugt, en stroomden daar
    I. de Saronisse zé want aan desen oever was Traezene gelégen, scheuins over de stat van Athenen.
    2. naar Argos en Epidaurus, twe stéden in Peloponese, noort-westelijk van Traezene afgelegen.
    3. ende de engte tussen beijen, die de Grieken den Isthmus van Peloponese noemen.
[p. 64]
    (1840) ’t Gespàn der paarden ’t vlak berende. Korts hier naar
    Ontstont een schrickelijk Tempeest, van storm beseten
    Wanneer de grote Golf op ’t strant heeft uitgesmeten
    Een gruw’lijk boos gedrogt, een vreeslijk monster-dier,
    Door welkers grof gebrom, gebrom als van een stier,
    (1845) De klippen loeiden, en de rotsen weêr-klank baarden.
    De paarden sprongen strax om hoog als dulle paarden.
    U soon, dit ziend’, en, als een Voerman wijs beraân,
    Haar op het vlacke strant met ruime toom liet gaan.
    Maar ’t Monster-dier, gelijk een snelle schigt gevlogen,
    (1850) Heeft strax de paarden onderhaalt; vuur, vlam gespogen;
    Gebulkt, gebromt, gesnorkt; met bange schrik geplaagt:
    En naar d’oneffe weg der rótsen heên-gejaagt.
    U soon doet met een swenk de bange paarden keren:
    Het Monster doet weer ’t Ros flux naar de rotsen schéren.
    (1855) U soon, met al sijn magt, den toom trekt, dat hy sweet:
    De paarden bijten op ’t gebit, in ’t vuur gesmeet,
    Met dulle tanden; steig’ren-op; en, neêr-gestégen,
    Slaan-agter-uit; gaan voort. Den Voerman valt verlegen:
    Schoon hy de leits bint om sijn lijf, en kragtig trekt,
    (1860) De Rossen luistren naar geen toom: dit middel strekt
    Niet als tot rampen: want de vlugge paarden trótsen
    Haar Meester; schudden ’t lijf, en vliegen naar de rótsen:
    Daar strax de wielen zijn gebróken; daar ik loof
    Dat ook de wagen flux aan kleine spaand’ren stoof.
    (1865) Den Voerman, in de Leits verwart, wiert voort-getrocken
    Langs scherpe sténen; daar, door’t hótsen en door ’t schócken,
    De kléd’ren van sijn lijf haast scheurden van elkaâr;
    Het ligchaam wont op wont verkreeg; het krullend hair,
    Aan doornen vast-geklist, bleef hangen; ’t hooft vol gaten.
    (1870) O Goden! (riep hy) wilt ons stervend niet verlaten!
[p. 65]
    Sta stil, ô paarden, in mijn stalling opgequeekt:
    Gy moort u meester! Zie, terwijl hy dit nog spreekt,
    En, van een heuvel in een afgront wert gestoten,
    Doè schijnt het dat de strik der Leits is los-geschoten:
    (1875) Want, t’onser schrik, hier naar, in dese diepte neêr,
    Wy ’t ligchaam vonden van een onbekenden Heer;
    So schrik’lijk had dien val sijn jonge leên verbroken.
Thes. Een grote Vreugt is in dit gram gemoet ontloken
    Door dese Bootschap. Nu, nu zietmen immers naakt
    (1880) Dat desen Iongman d’Eer heeft van Mevrou ontschaakt,
    Terwijl de Goden hem so klaren straf verlénen.
    Waar zijnse nu, die sijn onnoselheit bewénen?
Pitt. Ik ben het, die te naakt sijn onschult nog geloof.
Thes. Den Ouderdom u dàn maakt regt of willens doof.
Pitt. (1885) Den Ouderdom ons raat Voort-varentheit te mijden.
Thes. Hert-neckigheit u dus ons Oordeel doet bestrijden.
Pitt. Hert-neckigheit heeft nooit in dit Verstant gewoont.
Thes. Wat is ’er, dat de schult dàn van mijn soon verschoont?
Pitt. Sijn Ed’le moet, sijn Trouw, sijn Deugt, en Heilig leven.
Thes. (1890) Dat blijkt terwijl de Goôn hem sulk een doot-straf geven.
Pitt. Neptuin was dese straf aan Theseûs hoog verpligt.
Thes. De straf der Goden wert regtvaardig uit-gerigt.
Pitt. In dese straf is geen Regtvaardigheit te vinden.
Thes. De Goôn in dese straf u dàn ’t Gesigt verblinden.
Pitt. (1895) Ik zie d’Onnoselheit het leven hier ontrooft.
Thes. Door Ouderdom u wis ’t verstant is uitgedooft.
Pitt. Gy selfs hebt God Neptuin om dese straf gebeden.
Thes. Dat was ik schuldig volgens Pligt en volgens Rede.
Pitt. Neptuin u voormaals had drie wenssen toe-gestaan.
Thes. (1900) Een van die wenssen heeft den Ze-God nu voldaan.
Pitt. Draagt gy dàn niet de schult van dese droeve straffen?
Thes. Neen, die de Bloet-schand’ in mijn Trouw-bed dorst verschaffen,
Pitt. Neen, die sijn kuisten soon heeft buiten schult gedoot.
[p. 66]
Thes. Neen, die de wraak der Goôn als Balling niet ontvloot.
Pitt. (1905) O grammen Theseûs! dit, dit is de Goden tergen.
    Kom, laat het lijk uw’s soons met spoet in d’aarde bergen:
    Verlaat u Gramschap, nu den soon sijn ligt verlaat.
Thes. Schoon dat ik hem, gelijk een pest en kanker, haat,
    So laat hem egter in ons Hof nog stervend komen,
    (1910) Op dat selfs uit sijn mont de Misdaat zy vernomen.
Pitt. Eer sal dit Hof rontom in ’t marm’re Zé-schuim staan,
    Eer sal Neptuin voor ons uit sijnen zetel gaan,
    Eer sullen hier de Goôn op hare wagens rijden,
    Eer dat met waarheit by sijn Misdaat sal belijden.
Diana de Godinne neder-dalende.
    (1915) DAt ons voortaan geen goet gehoor ontbreekt,
    Terwijl Diaan hier selfs tot Theseûs spreekt.
    Wat dulligheit had u gemoet beseten?
    Wat raserny de pligt u deed vergéten
    Van Vader of van Koning, om u soon,
    (1920) Onschuldig, tegens regt, in toorn te doôn?
    Waar sult gy nu van schaamt’ uw’ ogen wenden,
    Terwijl gy zijt, die sulken Regt dorst schenden,
    ’t Geen selfs Natuur op ’t aartrijk had gebragt,
    En nimmer door Barbáren was verkragt?
        (1925) Ik sal, ô Theseûs, u de regte saak verhalen. (1)
    Uw’ Huisvrouw, door de kragt der geile minne-stralen
    Geprickelt, heeft u soon, dien spruit van God’lijk bloet,
    Bemint, en weder-min gesogt: dog sijn gemoet
    Is nooit door haar gebeên, gedreig, nog minsaamheden
    (1930) Bewogen: maar sijn hert, gewapent door de Rede
    Van Deugt en Edelheit, haar Liefden heeft veragt,
    En nooit, uit losse drift, om weder-min gedagt.
    Sy, schrómend dat haar Min niet souw verborge blijven,
    Nam-voor een valssen brief aan haar Gemaal te schrijven,
    (1935) Door welke dat den Prins het leven is ontrooft,
    Terwijl gy, ’t geen sy schreef, waaragtig hebt gelooft.
    1. Narratio facti.
[p. 67]
Thes. Wat dat ik hoor!
Diana.            Dit pijnt het hert: maar staak u toren:
    Gy sult uit onse mont nog andre saken horen,
    Waar door u gramschap haast sal werden uit-gedooft.
    (1940) Gy weet, hoe dat Neptuin drie wenssen heeft belooft,
    So ras gy daarom bad, vervult te sullen schenken.
    Dies wilt, ô Theseûs, nu met aandagt over-denken,
    Hoe dwaas door een van drien u soon het leven liet,
    En niet u Vyant, die dit met vermaak aanziet.
    (1945) So veel Neptuin belangt, dien God is buiten schulden,
    Door dien hy vaardig sijn beloftenis vervulden. (1)
    Gy daarentegens hebt verwaarloost in u pligt
    Beleit, Beraat, Verleng van tijt, en Voor-gezigt;
    En hebt, in plaats van dien, Voort-varentheit verkoren.
    (1950) Eer dat u soon eens sprak so was sijn saak verloren:
    En doè sijn Onschult klaar en kragtig was beweert,
    So zijt gy niet, naar pligt, tot agterdogt gekeert.
    Dat meer is, selfs de stem der God-spraak is vergeten.
Thes. Godin, ik wil mijn schult des doots gewillig weten,
    (1955) Ia sterven, so de smert hier van niet eens so groot
    In dese borst drukt, als de smert der straftste doot.
    ’t Berouwt ons: maar te laat Berouw kan niemant baten.
    Mijn leven wil ik nu tien-duisentmaal verlaten
    Indien ik desen soon eens levend spréken mag.
Diana. (1960) Gy sult hem levend zien, en spréken, desen dag.
Thes. Met wat voor ogen sal ik hem van daag bekijken?
    O! sal van schaamte dese ziel niet strax beswijken,
    En denken, dat die tong, die nu sijn byzijn soekt,
    Die selfde tong is, die zijn by-zijn heeft vervloekt?
    (1965) O Vorsten! gy, die magt besit op hoge trónen,
    En scepters-voert, en praalt met parel-rijke kronen,
    Neemt hier een Voor-beelt aan een Koning, die sijn soon
    Uit onbedagtsaamheit ramp-zalig gram kost doôn,
    1. Want Neptuin was niet verpligt om te ondersoeken, of de wens regtvaardig of onregtvaardig wiert gedaan: maar puur alleen of ’er gewenst was.
[p. 68]
    Om u voor Gramschap en Voort-varentheit te wagten!
Diana. (1970) Of schoon wy dees’ u toor’n voor straffens-waardig achten,
    Wy meinen egter dat de schult so groot niet is,
    Of voor Berouw so kreegt gy ligt Vergiffenis.
        Dit kan u misslag by ’t Vernuft seer veel verschonen,
    Dat selfs Godinnen, die ten hogen hemel wonen,
    (1975) Besloten hadden, dat u Voorsoon en u Vrouw,
    Op énen dag, so wonderbaarlijk, sterven souw;
    Op dat gy niet te groots u roem en soud verheffen:
    Maar denken, dat de straf der Goôn kost Hoofden treffen.
    Voorts had Onwétenheit ook deel in dit bedrijf:
    (1980) Quaatwilligheit was niet in u, maar in u Wijf.
    Den Yver u te sterk alleen heeft voort-gedréven:
    Dog dese misslag kan m’een Oorlogs-helt vergéven,
    Daar selfs sijn Waardigheit en Roem veel schult bedekt.
    En quaat schat niemant quaat als ’t tot een spiegel strekt.
Pitt. (1985) O wondre spiegel! daar men klaar in kan aanschouwen
    De kragt der sporelose Min,
    De Gramschap vande Praal-Godin,
    Den Yver van een Vorst, en bose List der Vrouwen.
Hippolutus, met bebloede doeken bewonden, wert door sijne Dienaars in een rust-bedde ten Hoof gebragt, en berst uit in dese klagten.
    Iupijn, ziet gy gerust dit onheil aan?
    (1990) En lijt gy, dat d’Onnoos’le moet vergaan
    Door plagen, uit den Afgront opgestegen?
    ’t Sal dan vergeefs zijn, Deugt of Trouw te plegen!
Iupiter en Themis dalen in een vertoning ter neder. Sy voegen haar nevens de Godinne Diana by Hippolutus. De dienaars van Theseûs sluiten de agter-deuren, op den tuin uit-ziende, vast toe. Theseûs, Pittheûs, en alle d’andre, aan de tegenwoordige Godheden behoorlijke eer bewijsende, horen dat Iupijn eerst dese reden voert.
VErmaarde Spruit, van klaar onsterf’lijk saat
    Af komstig, zie Iupijn hier neder-dalen,
    (1995) Om, nu gy zijt in troostelosen staat,
[p. 69]
    U troost te biên door blijde blixem-stralen.
    Zie Themis hier aan onse Regter-hant
    Om met Laurier u bloedig hooft te kronen.
    De straf uw’s doots ontstont uit Onverstant:
    (2000) Maar ’t Regt u Deugt met Wijsheit sal belonen.
    Hoewel de wraak ter doot u heeft gebragt,
    En droeve smert, niet naar waardy, doen smaken:
    Schep moet, ô Prins; want door een hoger magt
    d’Onsterf’lijkheit u niemant sal ontschaken.
    (2005) So lang ’t Gebiet sal duren van Iupijn
    Sal Theseûs-soon vermaart onsterf’lijk zijn.
Hipp. Wat kan ik nu tot loon bedenken,
    Iupijn, voor so veel God’lijk goet,
    Als dat ik u dit hert sal schenken
    (2010) Vol dankbaar, rein, en édel bloet?
Them. Doorlugte Prins! u Deugt seer keurlijk over-wogen,
    In d’éne schaal, en voorts in d’andre ’t regt gewigt
    Des Loons, so vond ik klaar u grote Deugt bedrógen,
    En d’ene schaal te swaar en d’andre veel te ligt.
    (2015) ’k Verstond, dat, door’t geval des Nootlots, kragt van plagen
    U, buiten alle schult, vervoerden naar het Graf:
    Dies dwong de pligt ons, u dien Laure-krans te dragen,
    Om kunt te doen, dat ydre Plaag niet strekt tot straf.
    So lang de groente van dit heilig loof sal bloeyen,
    (2020) So sal u lof, en faam, en eer onsterf’lijk groeyen.
Hipp. Godin! indien de Lossigheit
    Des Luks ons dus niet had verstoten,
    Gy had in volle majesteit
    Een Tempel in dit hert genóten.
    (2025) Nu moet ik sterven: ’t is mijn Lot:
    Geen Balsem kan mijn Doot genesen.
    Dog voor u króning sal ik, tot
    Mijn laatste snicken, dankbaar wésen.
Diana. Hoog-waarde Prins, ziet hier Diaan
    (2030) Goet-gunstig voor u sterf-bet staan
    Op dats’ haar Trouw’ u deed gevoelen.
[p. 70]
        De gramme Venus sal haar moet
    In Theseûs-soons onnósel bloet
    Niet sonder wraak wraak-gierig koelen:
    (2035) Wy sullen haar tot sijnder tijt
    Den brant doen zien van onse spijt
    So klaar als énig mens aan-schouwde.
        Maar u so sal van jaar tot jaar
    De jeugt van dese stat een klaar
    (2040) En deftig Feest van Aanzien houden.
    De Maagden, die den Egt der Trouw
    Verwagten, sullen eerst in rouw
    U blijken van haar Droefheit* schenken:
    En sitten lang bedrukt alleen,
    (2045) Besproeit met treurig rouw-geween,
    Om droevig aan u doot te denken.
    De Sank-godessen staâg met lust
    Haar sullen tonen toe-gerust
    Om uwe Deugden t’openbaren:
    (2050) En singen, hoe de Koningin (1)
    Door straffe van d’Onkuisse Min,
    Wanhopig most ten Afgront varen.
Bode, seer schielijk binne-lopende, schikt aan Theseûs sijne redenen, seggende,
GRoot-magtigVorst, ’t is vol verbaastheit van ’t gemoet
    Dat ons de pligt hier maakt een Bó der marm’re vloet
    (2055) Van God Neptuin: Neptuin, wiens gramm’ onstuimigheden
    ’t Gemeine merk-peil van sijn palen over-tréden,
    Om weg te bruissen over strant en rotsen heen.
    Het Koninx hof staat reets al midden inde Zeên,
    Gedreigt door ’t sterk gewelt der golven neêr te ploffen.
Thes. (2060) ’t Is dan vergeefs op gonst der grote Goôn te stoffen,
    Door dien de gonst der Goôn seer ligt in bittren haat
    Verkeert kan werden, selfs ten val van Troon en Staat.
    Men set van stonden aan die poort van agtren open.
    1. De Koninginne Phaedra.
[p. 71]
Neptunus, op sijnen zé-wagen, vergeselschapt met Triton, en d’andere Zé-goden, vertonen haar inde zé, door de geöpende poort. Naar een kort zê-musiek voert den voornoemde Zé-voogt dese reden:
O Soon! wat raserny, wat vloek, in ’t hert geslopen,
    (2065) U dul deed woeden tégens uwen kuisten soon,
    Om selfs, door Groot-vaârs hant, hem, sonder schult, te doôn?
    Was ’t niet genoeg u Vrouw en Egt-genoot te derven?
    Of most de pronk van ons geslagt so vroeg ook sterven,
    Rein van gemoet, hoewel van geile Min betigt?
    (2070) Most hy, die nooit een Vrouw als met een kuis gezigt,
    Bezag, sijn vrome ziel hier tot een offer geven,
    Als die de doot-schult had van Overspel bedréven,
    Vermengt met bloet-smet, ’t vuilste quaat dat ergens schuilt?
    Waarom sit tans u stat niet hoop’loos droef èn huilt,
    (2075) Terwijl de praal-star van haar hemel is verdwénen?
    O soon, laat yder in u staat en stat vry wénen,
    En water-putten, om so vuilen bosen smet
    Schoon af te wassen, so van Troon als ’t Huw’lijx-bed.
    Ziet, onse stromen gaan u voor; haar poel verlaten,
    (2080) Om dese smetten af te spoelen van u straten;
    En weg te drijven door een andre Pyrrhaâs vloet (1)
    De grootste misdaat, die den aard-boôm heeft ontmoet.
    O Iongeling, wanneer sal tog den tijt weêr komen,
    Dat d’armen onser gonst, met kristallijne strómen,
    (2085) Omvatten sullen ’t heilig lant, waar in hy woont,
    Die door de Deugt wiert, als Hippolutus, gekroont?
    Afgonstig Noot-lot! wat voor schendig’ Ongelucken
    U deên besluiten, sulken Bloem strax af te plucken?
    Een Bloem, die naauw de son van ’t Oosten had bezien,
    (2090) Of most, gelijk Narcis, ten duistren Afgront vliên?
    O Sank-godessen: so de praal der jongelingen,
    1. Die ten tijde van Deucalion en Pyrrha geweest is.
[p. 72]
    Indien de straffe doot van Orpheûs u bewoog
    Tot droeve sangen, wilt voortaan geen sangen singen,
    Als die de tranen neêr doen vliên uit yders oog!

Neptuin, dit hebbende gesproken, duikt onder ’t water:
Iupijn, nevens de twe Godinnen, vaart naar bóvenen:
en Hippolutus spreekt sijn Vader aan voor ’t laatste.
    (2095) O Vader! ’k voel de doot genaken:
    Dies komt in-spoet tog herwaart staan,
    Op dat mijn hant uw’ hant mag raken,
    En mont tot mont mag spréken-aan.
    Al ’t geen onwétend is bedréven
    (2100) Door haast of wil der gramme Goôn,
    Wert hier, ô Vader, u vergeven
    Door my, weleer u liefsten Soon.
    De doot-schult wert u quijt-gescholden:
    En vloek met zégening vergolden.
Thes. (2105) O Edel-moedig Iongeling!
    So lank ’er Hemel wiert gevonden,
    (Of schoon den aard-boôm dàn verging)
    Nog soumen uwe Deugt verkonden.
Pitt. God-vrugte Soon! doorlugte Spruit!
    (2110) O Pronk der Koninklijke staten!
    Loopt dus u glas ten einden uit,
    Om sonder troost ons hier te laten?
Hipp. Vaart wel!
Thes.                 O Goon! terwijl de Deugt ons hier begeeft,
    Is ’t reed’lijk, dat gy mé van hier ten hemel streeft!
Pitt. (2115) O Grieken! ’t schoontste schoon ooit in u lant geboren,
    Wert door het wreet verlies van desen Prins verloren.
    Laat stoffen dàn, wie ’t lust, op scepter of op Troon;
    Hippolutus draagt hier de Goddelijke Kroon.
Rey. Of schoon ’t Gewelt tot hoogheit raakt,
    (2120) De Deugt allenig Edel maakt.

EINDE.
Continue

Tekstkritiek:

vs. 437 so eren er staat: so\ eren
vs. 2043 Droefheit er staat: Doefheit